MEDITATIE
De vrucht der opstanding
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods; bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn; want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.Col. 3 vs. 1—4.
In de weken na Paschen is er reden te over voor de gemeente die naar den Naam des Zoons genoemd is om tot zichzelf in te keeren met de vraag, door den onderwijzer gedaan in de 17de Zondagsafdeeling van onzen Heidelberger: Wat nut ons de opstanding van Chistus?
Immers, het is niet genoeg de opstanding van Christus met het verstand te belijden. Jezus, Wiens ontzielde lichaam op Vrijdagavond door Jozef van Arimathea en Nicodemus in het graf is neergelegd, op Zondagmorgen daarop volgend uit den dood is verrezen; de vraag waar het voor een ieder op aankomt is deze: Welke winst trekt gij persoonlijk daaruit? Welk nut trekt gij er uit voor uw eigen zieleleven?
Meer dan ooit mag de gemeente in onze dagen er wel op gewezen worden, dat een dorre belijdenis alleen, hoe zuiver die op zich zelve ook zij, voor de eeuwigheid niet genoeg is. De waarheid moet niet slechts beleden, maar ook beleefd worden. Daarop wijst ons de Apostel Paulus in: Col. 3 vs. 1—4.
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods; bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn; want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Paulus begint hier met een veronderstelling: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt. Hij wil er dus aanstonds zijn lezers op wijzen, dat een aanvaarden van de historische waarheid van de opstanding van Christus niet genoeg is, maar dat het aankomt op wat onze Catechismus uitdrukt in deze woorden: Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.
Met Christus opgewekt. Dat wijst er ons op, dat wij van nature als dooden neerliggen in het graf onzer zonden. Geen enkel woord schildert ons dan ook treffender den toestand van den natuurlijken mensch dan het woord: „dood". En dood zijn beteekent niet alleen: het leven missen, maar het wil ook zeggen dat in den geestelijk doode het bederf steeds dieper doorwerkt. Sinds de mensch den band verbrak, die hem bond aan zijn Schepper en Formeerder, staan al zijn vermogens van ziel en lichaam in dienst van den vorst der duisternis en al wat hij voortbrengt zijn vruchten des doods.
Maar uit dien staat van ellende verlost Jezus Christus al Zijn volk, door de kracht Zijner opstanding in hen te verheerlijken. Hij is het, die de Zijnen opwekt tot een nieuw leven. En buiten Hem om moge er een schijn van leven gevonden worden, maar waarachtig geestelijk leven nooit.
Lezer, zijt gij met Christus opgewekt? Is uw belijden van Christus' opstanding ook een beleven van dit machtige feit? Zoo ja, dan zijt ge niet vreemd aan de belijdenis van den dichter : Ik lag gekneld in banden van den dood. Dan hebt ge het graf uwer zonden bevindelijk leeren kennen.
Laat toch niemand zich zelven bedriegen. Inzonderheid op dit punt hebben wij de apostolische vermaning ter harte te nemen: Onderzoekt uzelve nauw, ja zeer nauw. Het gaat hier om onze allerhoogste, om onze eeuwige belangen. Zoo velen zeggen een verlost zondaar te zijn, die zich zelven nog nooit als een verloren mensch hebben leeren kennen.
Zoo we met Christus niet zijn opgewekt, staat ons een eeuwige rampzaligheid te wachten. En wat zal dat vreeselijk zijn. Voor eeuwig veroordeeld, voor eeuwig van God verlaten. En dat, terwijl ge den weg hebt geweten en de Heere Jezus Christus in Zijn algenoegzaamheid en dierbaarheid en gepastheid u voor oogen is geschilderd.
Maar ach, de groote massa gaat aan deze dingen voorbij. Men bekommert zich om veel en velerlei, maar het ééne noodige wordt met voeten getreden. En ook waar nog kennis der waarheid wordt gevonden en de zuiverheid der belijdenis hoog in eere wordt gehouden, daar is het beleven der geestelijke dingen veelal zoek.
Vrage daarom een ieder zich zelven af voor het aangezicht van dien God, Die de harten kent en de nieren proeft: Ben ik met Christus opgewekt? Vindt ......... oprechtheid op de vraag van den Heidelberger: Wat nut ons de opstanding van Christus? kunnen antwoorden: Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.
Wanneer nu de apostel begonnen is met de veronderstelling: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, dan dringt hij verder aan met de vermaning: Zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Dat de mensch uit de aarde aardsch is blijkt duidelijk uit al zijn levensuitingen. Hij zoekt zijn geluk hier beneden. Hij verwacht zijn heil van deze aarde. Allerlei vragen vervullen zijn brein, maar zij blijven beperkt tot dit ondermaansche. Wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken en waarmede zullen wij ons kleeden, dat zijn voor hem de grootste levensproblemen en zijn ziel hongert niet naar de spijze, die nooit vergaat; hij dorst niet naar het levenswater, dat vloeit uit de fontein Jezus Christus; hij bekommert zich niet om het kleed der gerechtigheid, dat straks hem bedekken moet in het oordeel Gods. En niet alleen de wereld, maar ook talloos velen, die zich noemen naar den Naam van Christus, worden door dien tijdgeest meegesleurd in den maalstroom der aardsche en vergankelijke dingen. Hoeveel Christenen zijn er niet, die onberispelijk leven, de Schriften onderzoeken, de waarheid belijden, trouw ter kerke gaan en alleszins zeer godsdienstig zijn en die toch geheel en al vreemdeling zijn aan den verborgen omgang met God, die zoo goed als nooit bezig zijn met de dingen die boven zijn.
Met allen ernst mag dan ook vooral in onzen tijd wel gewezen worden op het woord van Paulus: Zoekt de dingen, die boven zijn.
Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat een kind van God zich alleen om het hemelsche en niet om aardsche, alleen om het eeuwige en niet om het tijdelijke heeft te bekommeren. Neen, nergens eischt de Heere van Zijn volk, dat ze zich als kluizenaars zullen terugtrekken uit het leven of zich zullen laten opsluiten achter kloostermuren. Heeft de Heere Jezus niet gebeden in het Hoogepriesterlijk gebed: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze.
Neen, een Christen mag wel denken aan wat op aarde is, mits hij maar gedurig ter harte neme de vermaning: Zet er uw hart niet op. Voor Gods kind is er hooger levensroeping en levensdoel. Wat Lodenstein eenmaal zong beaamt hij ten volle: Hier beneden is het niet. 't Ware leven, lieven, loven, is maar, daar men Jezus ziet.
Juist hierop legt de apostel den nadruk, als hij, sprekende over de dingen, die boven zijn, zegt: Waar Christus is. Immers, niet dit maakt des hemels zaligheid uit, dat daar geen zonde en geen rouw is, dat daar geen tranen vloeien en geen zuchten worden geslaakt, maar dat Jezus daar is, dat de gemeenschap met God daar storeloos wordt beoefend. En het is daarhenen, dat de zielsbegeerten van Gods kind zich uitstrekken, als het met Asaf zingt: 'k Zal dan gedurig bij U zijn. U al mijn liefde waardig schatten.
Wanneer nu de apostel, uitgaande van de veronderstelling: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zijn lezers heeft aangemaand tot een leven, daarmede overeenkomende, zeggende: Zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is; bedenkt de dingen die boven zijn, dan voegt hij daaraan nog deze drangreden toe: Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.
De mensch van nature betrekt zijn levenssappen uit den bodem van het ongoddelijke. Diep en breed heeft hij zijn wortelen geschoten in wereld, zonde en eigen vleesch. Die wortelen moeten afgesneden worden en dat is het sterven waarop de apostel doelt. Wie 't bij eigen zielservaring kent, weet welk een moeilijke weg dat is. Als de wereld, waarop wij onze hoop gesteld hadden en waarvan wij zooveel verwachtingen koesterden, ons ontvalt. Als het najagen der ongerechtigheid ons wordt tot een voor God verzondigd leven, dat als eenige vrucht slechts bitterheid der ziel werkt. Als ons eigen vleesch blijkt bedriegelijk en misleidend te zijn, geen fundament biedend voor de eeuwigheid.
O, 't is een diepe weg, dien de Heere met Zijn volk houdt, als Hij komt met het slagzwaard Zijner gerechtigheid en heiligheid, en de ziel, die getroffen wordt, moet belijden: Ik ben verloren, voor eeuwig verloren, overmeesterd door de wereld, vervloekt door de zonde, geketend in de boeien van eigen zondig vleesch.
En toch, hoe pijnlijk en smartelijk dit sterven ook zij, dit ontkleed en ontledigd worden, gelukkig de mensch, die zóó sterven mag, want het valsche, alles wat geen grond biedt voor de eeuwigheid, wordt hem ontnomen, opdat hij het ware in den Heere ontvange. Gods weg met al Zijn kinderen is: Door de donkerheid tot het licht; door het kruis tot de kroon; door den dood tot het leven. En van dat leven zegt Paulus: Dat het met Christus verborgen is in God.
Wat wordt nu met dit leven bedoeld? Het is het tegenovergestelde van den dood, waarover hier eerst wordt gesproken. De dood maakt scheiding. De dood rukt alles uiteen. De dood verscheurt de teerste banden, die hier op aarde gekend worden. Ook op geestelijk gebied is het 't werk van den dood om al maar vanéén te scheuren en te verdeelen. Maar het leven werkt juist in tegenovergestelde richting. Het leven vereenigt. Het leven verbindt. Dat geldt niet alleen op natuurlijk, maar ook op geestelijk terrein. En dat leven uit zich in het woord van Asaf: 'k Zal dan gedurig bij U zijn.
Dat leven is, naar het woord van den apostel, met Christus verborgen in God. Het is verborgen, allereerst voor de wereld. Die wereld is ten eenenmale blind voor het groote goed van Gods kinderen. Het klinkt haar als het toppunt van dwaasheid in de ooren, als 's Heeren volk zingt: Gij kunt niet bevatten, hoe rijk ik toch ben. Ook in dit opzicht begrijpt zij niet het werk van Gods Geest, het is haar een dwaasheid.
En ook voor 's Heeren volk is dat leven vaak verborgen, ook al wordt het in zijn uitingen openbaar. Het is er veelal mede als met een zuigeling in de wieg, die duidelijk het leven openbaart in het klagelijk schreien om de moederborst, ook al is zij zich van het leven zelf niet daadwerkelijk bewust. Het leven van Gods Kerk is met Christus verborgen, in God. Maar eenmaal zal Christus geopenbaard worden in heerlijkheid en al de Zijnen met Hem.
O, wat zal dat wezen, als de bruid van Christus zonder vlek of rimpel voor den troon zal worden gesteld. Dan zal het woord vervuld worden, dat: hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in des menschen hart niet is opgeklommen, door God is bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
Ten slotte wekt de apostel zijn lezers op met een woord van hoop, zeggende: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Christus zal geopenbaard worden. Die dag komt. De engelen hebben ervan gesproken op den Olijfberg bij Zijn hemelvaart, zeggende: Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren,
Maranatha. Jezus komt. Omstuwd van Zijn heilige engelen zal Hij zich openbaren in Majesteit en Heerlijkheid en Gerechtigheid. Dan zal al Zijn arme volk met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid en het onnaspeurlijke woord zal hen toeruischen: Komt in, gij gezegende mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld.
O, wat zal dat een dag wezen, als de schare die niemand tellen kan zal treden voor den troon, om de kronen neer te werpen voor het Lam, dat geslacht is en tot in der eeuwigheid te zingen: Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Maar wat zal diezelfde dag ook wezen een oorzaak van vrees en verschrikking voor allen, die het bloed van Christus onrein hebben geacht; die Hem niet hebben willen erkennen als hun Koning en Heere. Wat zal dat wezen, als de angstkreet uit hun benauwde ziel zal worden geperst: Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht Desgene, Die op den troon zit en voor den toorn des Lams.
In de 19de Zondagsafdeeling van onzen Heidelberger vraagt de Onderwijzer: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordeelen de levenden en de dooden? en het antwoord daarop luidt: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even denzelfde, die zich te voren om mijnentwille voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte, die al Zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
Lezer, is dit ook uw troost? Hoe staat gij tegenover de dag van Christus' wederkomst? Is er bij gedachte daaraan, angst en vrees in uw hart of tintelen in uw ziel blijdschap en verlangen, als het Maranatha, Jezus komt, u in de ooren klinkt.
Ons leven snelt voorbij als op arendsvleugelen en met dit korte leven de wereld, met al haar begeerlijkheid. Maar als Jezus Christus ons deel mag zijn, als ons huis gefundeerd mag wezen, op dien rots der eeuwen, al ontwaren we hier dan slechts dood en verderf, geen nood, want ons leven is met Christus verborgen in God en dat leven mag bij oogenblikken hier beneden in dit tranendal reeds zingen:
Met Christus is mijn leven verborgen bij mijn God.
O ijdel wereldsch streven O, nietig aardsch genot
'k Houd oog en hart geheven, waarheen mijn zuchten zweven.
Naar Christus, naar mijn leven, verborgen bij mijn God.
Mijn lieven en mijn leven, mijn wenschen en genot.
Mijn strijden en mijn streven, mijn lijden en mijn lot,
'k Heb alles Hem gegeven; nu word ik voortgedreven.
Verlangend naar mijn leven, in Christus, bij mijn God.
Barneveld. G. van Montfrans
*) Door omstandigheden eerst heden geplaatst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's