GEESTELIJKE OPBOUW
John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (23)
Terwijl Christen nog in droef gepeins voortwandelt, er over treurend, dat menschen die in zóó groot gevaar verkeerden, zijn aanbod van hulp hadden afgewezen, komen er twee andere figuren voor den geest van Bunyan, en ook die teekent hij ons op aanschouwelijke wijze.
Eerst dus de dwaze en de luiaard en de hoogmoedige, die in ongevoeligheid zich weigeren te bekeeren en voortslapen den slaap des doods. Maar dan twee menschen, die volijverig werken om zich zelf te behouden, maar op een gansch verkeerde wijze, waarbij alle geestelijke ontdekking en alle ziele-waarachtigheid ontbreekt.
O! wat een verschillende figuren vertoonen zich toch op den weg naar Sion. Maar velen, komen ellendig om, omdat zij de ware wijsheid tot zaligheid niet bezitten en zich behelpen met hetgeen niet uit God, maar uit den mensch is; die niet naar den Geest, maar naar het vlees wandelen.
„Terwijl hij hierover nadacht" — zoo lezen wij in de Christenreize — „zag hij plotseling twee mannen, die zich langs den muur, links van den weg, lieten afzakken en naar hem toe kwamen. De naam van den eenen was Formalist, die van den andere Hypocriet. Zij hadden Christen spoedig bereikt, die hen als volgt aansprak: „Vanwaar komt gij, mijne heeren, en waar gaat de reis naar toe?"
Zij antwoordden: „wij zijn afkomstig uit het land IJdelheid en zijn op weg om te aanbidden op den berg Sion".
„Waarom zijt gij niet door de poort, die aan den ingang van den weg staat, binnengekomen? Weet gij niet, dat er geschreven staat: „die niet ingaat door de deur, maar van elders inklimt, is een dief en moordenaar" (Joh. 10 vers 1)?
De twee vrienden antwoordden: „Zeker, dat weten wij wel, maar wij vonden, dat die poort eenigszins buiten onzen weg lag en daarom is het bij ons een gewoonte geworden om een korteren weg te nemen en eenvoudig over den muur te klimmen, zooals wij dat zooeven deden".
„Maar" — vroeg Christen — „zal de Heer van de stad, waarheen wij reizen, het u niet als een zware zonde toerekenen, dat gij zijn geopenbaarden wil zoo tegenstaat?"
„Dat is onze zaak", antwoordde één hunner. „Wat wij doen, draagt bovendien het stempel der traditie; het is al zoo dikwijls gedaan en het zou mij niet moeilijk vallen, tal van voorbeelden op te noemen, waaruit blijkt, dat men eeuw in, eeuw uit, dezen zelfden korteren weg heeft bewandeld."
„Maar" — merkte Christen op — „zal uw gewoonte ook de hooge keur van Gods wet kunnen verdragen?"
Zij antwoordden, dat een gewoonte die duizenden jaren gevolgd was, bij ieder onpartijdig rechter de kracht van wet moest hebben. „En bovendien" — zoo zeiden zij — „als wij maar op den weg zijn, wat doet de vraag er dan toe, hoe wij er opgekomen zijn? Zijn wij op den weg, dan zijn wij er op! Gij zijt op den weg gekomen door de poort binnen te gaan, en wij, door over den muur te klimmen — maar in hoever zijt gij er nu beter aan toe dan wij?"
Christen antwoordde: „Ik volg het bevel van mijn Meester, maar gij handelt naar uw eigen goeddunken. Reeds nu noemt de eigenaar van den weg u dieven (Joh. 10 vers 1), daarom betwijfel ik het zeer, of Hij u als eerlijke mannen aan het eind van de reis zal ontvangen. Buiten zijn aanwijzingen om zijt gij hier gekomen en nu zult gij ook zonder zijn leiding verder moeten gaan en eindelijk van den rechten weg afdwalen".
Tegen dat woord hadden zij niet veel in te brengen, alleen raadden zij Christen aan, vooral maar op zichzelf toe te zien.
Toen merkte ik — zoo verhaalt Bunyan, die hier weer sprekend tusschentreedt — dat zij van Christen afscheid namen, maar niet, zonder hem eerst nog verklaard te hebben, dat, wat de wet en de geboden aanging, zij die minstens even nauwgezet naleefden als hij. „En wat het overige betreft," merkten zij op, „wij zien niet in, dat gij in een enkel opzicht van ons verschilt of het zou moeten zijn door den mantel, dien gij draagt en die u waarschijnlijk door een of anderen goeden buurman is gegeven, om de schande uwer naaktheid te bedekken".
Hoogmoedig in hun eigengerechtigheid spraken zij alzoo smadelijk van het witte kleed der gerechtigheid, dat Christen bij het Kruis verkregen had. Maar dan opent Christen z'n mond en zegt:
„Gelooft mij, al uw angstvallig leven naar de wet zal u niets baten, nu gij niet door de Eenige Deur zijt binnengekomen. En wat dezen mantel op mijn schouders betreft, hij is mij gegeven door den Heere van de plaats, waar ik heen reis, met geen ander doel, zooals gij zeer terecht opmerkt ....... dekken. Geen heerlijker bewijs van Zijn liefde had Hij mij kunnen geven, want vroeger ging ik in lompen gehuld. Maar nu troost ik mij met de gedachte, dat de Heere mij, aan de poort der stad gekomen, aanstonds zal herkennen, omdat ik Zijn mantel draag, den mantel waarmee Zijn hand mij bekleedde, toen Hij de lompen van mij wegnam. Bovendien draag ik aan het voorhoofd een teeken, dat gij misschien nog niet opgemerkt hebt, maar dat mij gegeven werd door een zeer vertrouwden dienstknecht des Heeren, in het uur toen de zware last van mijne schouders viel. Ook kan ik u nog meedeelen, dat Hij mij bij die gelegenheid een verzegelde rol geschonken heeft. Ik lees daar dikwijls in tot mijn vertroosting en, eenmaal bij de hemelpoort gekomen, zal hij het bewijs zijn, dat ik binnengelaten mag worden. Ik twijfel, vrienden, of gij deze heerlijke stukken bezit. Ja, ik weet het zeker, gij hebt ze niet, want gij zijt niet door de eenige Deur naar binnen gegaan". Op al deze dingen hadden de mannen niet veel te antwoorden. Zij zagen elkander eens aan en glimlachten.
Toen zag ik — zoo zegt Bunyan weer — dat 't drietal verder ging, maar Christen bleef de beide anderen altijd vóór. Hij sprak niet meer met hen, maar was in eigen gedachten verzonken. Nu eens zuchtte hij diep; dan weer zong hij vroolijk en telkens las hij in de rol, die hij zoo juist gekregen had en zoo dikwijls hij dit deed, dronk hij uit de bronnen van een diepe, klare vertroosting.
Hoe teekent Bunyan in deze figuren: Formalist en Hypocriet het beeld van velen, die in den vorm en door allerlei uiterlijkheden alleszins godsdienstig zijn, terwijl zij de rechtvaardigmaking bij al hun zonden niet kennen, omdat zij geen geestelijke kennis hebben aan hun schuld en verlorenheid, 't Is alles zoo oppervlakkig, zoo vormelijk, zoo uitwendig; niets dan eigen werk, om zoo den hemel te verdienen.
Bunyan heeft dit alles zelf doorgemaakt. Ook hij probeerde vroeger zichzelf te rechtvaardigen, maar weigerde door de eenige Deur, Jezus Christus, in te gaan.
Heeft hij zelf niet een tijd gehad, dat hij geregeld ter kerk ging, maar zijn oogen waren van glas en zijn handen van hout en zijn hart zonder bloed en beweging, 't Was alles vorm, zonder wezen. Zijn godsdienst was een godsdienst van instellingen en ceremoniën, zonder geestelijken zin of werkelijkheid. Bunyan vertelt ons:
„Omdat ik niet beter wist, viel ik met kracht op de godsdienstigheid van onzen tijd, te weten: tweemaal ter kerk te gaan, daar steeds de eerste te wezen en daar te zingen en te spreken als anderen deden. Daarbij was ik zoo gevangen door den geest van bijgeloovigheid, dat ik, en wel met grooten ijver, alles eerde wat tot de Kerk behoorde, zoodat ik alle dingen, die daartoe behoorden, heilig achtte te zijn en ik alle kerkelijke personen de allergelukkigste en allergezegenste menschen noemde. Maar met dat alles was ik ongevoelig voor het gevaar en de gruwel der zonde. Ik dacht er in het geheel niet aan, dat de zonde mij verdoemen zou, wat godsdienst ik ook volgde, als ik niet in Christus gevonden werd. Ja, ik dacht niet eens aan Hem en wist niet of er zoo iemand was of niet".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's