MEDITATIE
Geloofsstrijd.
„Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden". 2 Tim. 4 vers 7.
Het is niet hetzelfde, onder welke omstandigheden een woord gesproken of geschreven wordt. Ons tekstwoord spreekt van een volstreden strijd en van een geeindigden loop. Dat zou ons kunnen doen denken aan een man, die op het toppunt van zijn glorie omstuwd wordt door eene enthousiaste menigte die den overwinnaar hulde brengt.
Maar in het verband van onzen tekst zien wij dat wij te maken hebben met een man, die in een kerker opgesloten is en geen andere verwachting heeft dan dat het doodsvonnis welhaast aan hem zal voltrokken worden. Rome's keizer heeft tot Paulus' dood besloten en er is geen genade meer te verwachten. En als Paulus zoo in het aangezicht van den dood staat, die tevens zal zijn het oordeel van het hoogste wereldlijk gezag over zijn persoon en arbeid, dan zegt Paulus: „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden".
Hieruit zien wij terstond al dat Paulus' strijden en loopen een heel ander strijden en een heel ander loopen moet zijn dan het strijden en loopen, dat in deze wereld zooveel gevonden wordt en dat daar waarde heeft. En wij zullen ons van die aardsche gedachten van strijden en loopen geheel los moeten maken, als we dit woord van Paulus zullen kunnen verstaan. Het loopen en strijden van Paulus heeft met het behalen van succes in deze wereld niets uit te staan. Voor deze wereld schijnt zijn werk mislukt: hij sterft op het smadelijk schavot.
En toch heeft Paulus een strijd volstreden, dien hij noemen kan den „goeden" strijd, den „schoonen" strijd.
Hoe kan hij dat?
Misschien denkt ge, dat Paulus bedoelt: „Al heb ik voor het oog van de wereld gefaald, in werkelijkheid ben ik toch overwinnaar. Mijn werk zal blijken onvergankelijk te zijn". Maar al zien wij Paulus' marteldood in het licht der geschiedenis als den dood van een majestueuzen strijder, die de Kerk van Christus in de heidenwereld grondvestte, zoo kon Paulus zichzelf nog niet zien. Paulus geloofde wel dat Christus het zou voleindigen, maar hij zelf was al uitgediend, terwijl het werk nog pas begonnen was.
De goede strijd van Paulus is niet geweest het behalen van eenig succes, ook niet in het Koninkrijk Gods. Het ging in zijn strijd om heel iets anders dan om het bereiken van eenig tastbaar resultaat. Het ging in dien strijd om zijn verhouding tot God, zijn stand tegenover God.
Wij hebben in onzen tekst niet te maken met drie verschillende grootheden: een strijd, dien Paulus gestreden heeft; een loop, dien hij geëindigd heeft; waarbij dan ook nog zou komen dat hij het geloof had weten te behouden. Neen, bij den strijd die gestreden is en den loop, die geëindigd is, doelt Paulus op hetzelfde als wanneer hij zegt: „Ik heb het geloof behouden". De goede strijd, dien Paulus gestreden heeft, is de strijd des geloofs. En dan beteekent „geloofsstrijd" hier niet (wat het Woord „geloofsstrijd" op zichzelf ook kan beteekenen) de strijd, waarbij Paulus in 't geloof staat. „Geloofsstrijd" is hier de strijd waarbij het om het geloof gaat.
De loop, dien Paulus voleindigd heeft, was 't loopen in de loopbaan des geloofs, waarbij het mogen staan in het volle geloof het doelwit was. Dan wordt het voor ons zinvol, als Paulus ten derden male zegt: „Ik heb het ge loof behouden". Het was strijden geweest, loopen met de uiterste krachtsinspanning, maar de strijd is volstreden, de loop voleindigd, immers het geloof behouden.
Het geloof behouden. Daat gaat het om. Het gaat niet om hetgeen wij verkrijgen, ook niet om hetgeen wij door het geloof verkrijgen. Het gaat er om, dat wij het geloof zelf zullen behouden, dat wij zullen blijven in die verhouding tot God, die wij „geloof" noemen. Maar aan „blijven" gaat vooraf een „zijn" en een „worden".
De eerste vraag voor ons is: „Hoe worden we een strijder des geloofs?" Wij kunnen ook zeggen: „Hoe worden wij een geloovige; hoe worden wij een bekeerd mensch; hoe worden wij een kind van God?"
Dat zijn alle dezelfde soort vragen, maar het is zoo goed de vraag eens te stellen in dezen vorm: „Hoe worden wij een strijder des geloofs?" Dan toch worden wij midden in de vraagstukken gezet, waar 't om gaat, en anders loopen we misschien langs de kern van de zaak heen en maken ons er af met een dooddoener: „Daar zal God aan te pas moeten komen".
Dat is wel waar, maar het is een halve waarheid. De betrekking tusschen God en den mensch is twee zijdig. Wij moeten ons niet alleen afvragen: „Hoe staat God tegenover mij?" maar ook: „Hoe sta ik tegenover God?" En als wij nu vragen: „Hoe worden wij een strijder des geloofs?", dan is met de vraag: „Hoe staat God tegenover mij?" onlosmakelijk verbonden die andere: „Hoe sta ik tegenover God?" Dan beteekent „een kind van God te zijn" niet alleen voorwerp te zijn van Gods bearbeiding, (waarvan sommige menschen wel eens denken dat dat buiten de zedelijke persoonlijkheid van den mensch om zou kunnen gaan), maar van zoodanige bearbeiding Gods, dat wij naar ons innerlijkste, diepste wezen in de rechte verhouding tot God geplaatst zijn.
Dat is gelooven in God. Dan is er geen plaats meer voor valsche lijdelijkheid, dan is onze geheele persoonlijkheid in actie gezet, ook al is die werking radicaal anders dan het werken van den natuurlijken mensch.
Wij vragen dus: „Hoe worden wij een strijder des geloofs?"
In het leven van Paulus is dat zoo duidelijk te zien, omdat bij hem de overgang van het leven zonder God tot het worden van een strijder des geloofs zoo plotseling is geweest. Maar wat is nu die opvallende verandering, die hem tot strijder des geloofs stempelde? Niet zijn wonderlijke ontmoeting op den weg naar Damascus. Dat was slecht het middel in Gods hand, en bij ons gebruikt God heel licht andere, veel gewonere middelen.
Niet, dat hij ineens Evangelieprcdiker werd, terwijl hij van te voren de gemeente vervolgde. Dat was slechts een vrucht van zijn levensomzetting en die vruchten zijn ook bij ieder kind van God weer verschillend. Niet ieder behoeft prediker te worden na zijn bekeering. Neen, die opvallende verandering beschrijft Paulus zelf als hij zegt: „Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht".
Hij meende van te voren als godsdienstig man een bijzonderen staat van dieast naar voren te kunnen brengen; hij dacht rechtvaardigheid uit de wet door eigen werk te bezitten, maar hij leerde al die dingen schade achten en in de plaats daarvan kwam voor hem de rechtvaardigheid, die door het geloof van Christus is.
Christus kennen, in Christus gelooven, dat is de volheid van het nieuwe leven; dat kwam in de plaats van het leven, waarin Paulus zelf iets was, iets werkte, zich iets verwierf.
Vanwaar die radicale verandering? Paulus was zondaar geworden bij het licht des Geestes, een verloren zondaar, die zichzelf niet meer redden kon, en daarom heeft hij ineens laten varen alle werken der wet en heeft het gewaagd op Christus' gerechtigheid alleen.
En zoo alleen kunnen ook wij een strijder des geloofs worden. Wij moeten op al onze werken den dood schrijven en in onze verlorenheid het oog op Christus slaan, in Hem gelooven als onzen Schuldverzoener en Levensvernieuwer.
Hebben wij ons leven niet meer in eigen hand, maar hebben wij het in Christus' hand gelegd? Dat en niets anders beslist er over of wij een strijder des geloofs geworden zijn. Maar het strijder des geloofs geworden zijn is niet een eindpunt, maar het begin van 't leven des geloofs, dat is een „strijder des geloofs zijn".
Gods kind is nooit klaar. Paulus spreekt van een loop, die geëindigd moet worden. Zooals de looper in de loopbaan alle krachten inspant om het doel te bereiicen, zoo jaagt ook de Christen met inspanning van alle krachten naar het doelwit, hetwelk is het volkomen leven uit het geloof.
Hier moet gestreden worden.
Strijden wij? En strijden wij den goeden strijd des geloofs? Er wordt zooveel gestreden, wat niet is de goede strijd. Wij willen zoo graag iets groots wezen, en ook in het geestelijk leven wil 't hoogmoedig vleesch gestreeld worden. En zoo kunnen wij wel eens een strijd zien, die een wedstrijd wordt in het tegen elkander opbieden op de geestelijke markt. Maar laten we niet meenen, dat dat iets te maken heeft met den „schoonen" strijd, waar Paulus van spreekt.
In dien strijd is het: „vergetende hetgeen achter is en zich strekkende naar hetgeen vóór is, jagen naar het wit". Dan hebben wij in onszelf niets meer om te roemen, neen dan komt ons gebrek ons ieder oogenblik voor oogen. Wij kunnen immers nog zoo menigmaal van Christus afgetrokken worden en dan kost het strijd om Hem weer vast te grijpen. Dat is de goede strijd, waarin het er om gaat om eeuwig het deel van Christus te mogen zijn.
Dat is Paulus' strijd: „Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben". Het is strijd, het is loopen, het is volle actie. Maar het is niet de strijd van den natuurlijken mensch, die zelf doet en zelf kan. Christus, naar Wien wij grijpen, staat er ook achter: „Waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben".
De strijd om het geloof is de goede strijd van Gods kind, ook als het geroepen wordt tot een leven naar Gods wil. Ook daarbij is het niet de vraag: wat breng ik van mijn leven, van mijn daden terecht, maar: sta ik in het geloof in Christus; is het Zijn Geest, die mij drijft? De „schoone" strijd is niet, dat ik als belijder van Jezus Christus mijn gezicht in een bepaalde plooi zet en mij op ga werken tot een christelijk leven naar den vorm, zonder vlek of rimpel. De goede strijd is, dat ik bij al mijn doen en laten er naar sta, dat ik mijn Heiland in het oog des geloofs heb. Dat geldt ook voor allen arbeid in Gods Koninkrijk. Paulus' arbeid leek aan den buitenkant niet schoon. In zijn dagen was hij veracht, ook door vele belijders van Jezus Christus, die zijn arbeid kleineerden. Maar niettemin streed hij ook in dien arbeid den schoonen strijd, omdat hij arbeidde in de overgave aan zijn Heiland, terwijl hij de uitkomst aan zijn Koning overliet en het Paulus dus ook daarbij er om ging te staan in het geloof.
Paulus was strijder des geloofs, maar hij is ook strijder des geloofs gebleven tot het einde toe. Aan het eind van zijn leven is de strijd volstreden, de loop ten einde gebracht; het geloof is behouden.
Paulus is in het geloof blijven staan. Dat is hetgeen, waar het juist op aankomt. Dat wij gestreden hebben, al hebben wij nog zoo schitterend gestreden; dat wij geloopen hebben in de loopbaan, al blonken wij nog zoo uit onder onze medestanders; dat wij in het geloof gestaan hebben, al hebben wij nog zoo heerlijk getuigenis gegeven door woord en daad, — dat baat ons alles niet, als wij niet tot het einde toe volharden. En het tot het einde toe volharden is weer niet een tot het einde toe voortzetten van ons werk, maar een behouden van het geloof, een blijven zien op Jezus alleen.
En daar juist zijn de listige omleidingen van den Vorst der duisternis op gericht, om ons tenslotte toch nog los te maken van onze eenige sterkte, Jezus Christus en ons in eigen kracht te doen staan. Vooral als we uit zwakheid in zonde gevallen zijn en wij als geloovigen gefaald hebben, dan is het gevaar zoo groot dat we luisteren naat Satan's influistering, dat wij met ons geloof ook niet op den goeden weg waren. Want Satan zegt: „Gij zult in uw leven eerst nog heel wat anders moeten kennen. Begin eerst maar eens uw leven van die en die zonde los te maken". En wee ons, als we dan in vertwijfeling over de macht der zonde, weer de toevlucht gaan nemen tot de werken van het vleesch. Dat is een loslaten van Christus, een opgeven van den strijd des geloofs, om te blijven in die verhouding tot onzen Heiland, dat Hij, en Hij alleen ons leven is.
Al openbaart de zonde in ons leven nog zoo hardnekkig zijn macht en zien we er onszelf machteloos tegenover liggen, laten wij het weten: „Vervloekt is de mensch die vleesch tot zijn arm stelt". Blijft den goeden strijd strijden. Keer in het geloof tot Christus weer. Wacht de overwinning weer alleen van Hem in.
Tegenover het: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods", stelde Paulus geen menschenwerk, maar: „Ik danke God, door Jezus Christus, mijnen Heere".
Paulus heeft het geloof behouden.
Gevaarlijk kunnen de aanvallen van Satan zijn. Niet alleen als hij ons voert tot zonde. Hij kan ons ook met rust laten en ons laten voortgaan in een uiterlijk deugdzamen wandel, om ons dan geleidelijk van Christus los te maken en ons te voeren tot doodigheid en koudheid.
Dat is eigenlijk nog veel gevaarlijker. De macht der zonde bestrijdt ons dan wel niet, maar de behoefte aan Christus wordt dan al minder en minder. Als zoo het leven uit Christus inzinkt, rijst de vraag: Staat het wel goed met ons? En als we dan niet het eenige bevredigende antwoord vinden, dat wij „in het geloof Christus zien", (omdat ons geloofsoog verdonkerd is), gaan wij licht vragen naar iets anders, op grond waarvan we toch wel mogen besluiten dat het goed met ons staat.
Wij gaan vragen: Hebben wij vroeger dan niets ervaren? En bewijst dat niet dat wij toch eigenlijk een kind van God zijn?
Hoe verleidelijk dit ook zij, weet, dat 't een dwaalweg van Satan is! Het is een verlaten van de loopbaan des geloofs. Het is een loslaten van Christus zelf. Dan komt het niet meer aan op het levende geloof, wij behouden het geloof niet.
Het is wel smartelijk, als de adem der verkilling over onze ziel strijkt en wij na heerlijk zien op Jezus weer rondwandelen zonder Hem in het oog te kunnen krijgen. Maar hier baten geen lapmiddelen en zeker geen valsche gevolgtrekkingen uit vroegere bevinding. Hier moeten wij aanvaarden den strijd, hier moet het eenige doel weer in het oog gevat worden, en laat onze strijd dan die schoone strijd mogen zijn, waarin God zich laat verbidden en Hij ons geloofsoog weer opent omdat Hij bij onze ontrouw en onze afkeering de Getrouwe blijft, die niet laat varen het werk Zijner handen.
Paulus kon aan het eind van zijn leven zeggen: ,,Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden". Hij zelf heeft niets volbracht, maar hij is gebleven in die gemeenschap met zijn Heiland, die „geloof" heet. En al blijft hier alles nog onvolmaakt, laten wij niet denken dat wij bij dat „blijven in het geloof" nog iets anders noodig hebben.
Het onvolmaakte doe ons in 't geloof uitzien naar Hem, Die eenmaal wederkomt om alles te volmaken. Strijdt den schoonen strijd! Behoudt het geloof! Dan is ook voor ons de kroon der rechtvaardigheid weggelegd, die de Heere in dien dag geven zal allen, die Zijn verschijning, Zijn wederkomst hebben liefgehad.
Muiden. P.A. BINSBERGEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's