De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

Na-Pinksteren.
Het Pinksterfeest, waarop wij herdachten 't feit van de uitstorting van den Heiligen Geest, ligt weer achter ons. De uitstorting van den Heiligen Geest, de komst van den Trooster is een feit. Geen fictie, geen droombeeld, geen symbool ook; neen, het is een feit, het is werkelijkheid dat de Heilige Geest is uitgestort op alle vleesch, dat de Trooster is gekomen. En dat is „tot nut", zooals de Heiland heeft gezegd. (Joh. 16 vers 7). Jezus Christus, Die Zijn volk vrijgekocht heeft met Zijn dierbaar bloed — waarom de gemeente des Heeren Hem noemt „onze Heere" — is in de hemelen opgenomen en zit, als Hoofd van Zijn volk, aan de rechterhand des Vaders in den hemel der heerlijkheid, om nu aan Zijn Sion alle verworvene weldaden deelachtig te maken, 't welk Hij uitvoert door den Heiligen Geest en door Zijn Woord.
Als Hij ten hemel gevaren was zou de Heilige Geest komen en Die zou het werk der verlossing volmaken. De Heilige Geest zou bij de discipelen komen en bij hen blijven — nu Jezus in den hemel is — en die Geest zou het Koninkrijk der hemelen doen vorderen tot aan de uiterste einden der aarde, door alle eeuwen heen. Het mosterdzaadje zou groeien als een breedgetakte boom.
In dat geloof heeft de gemeente des Heeren te leven, dat Jezus Christus Koning is en dat Hem gegeven is alle macht in den hemel en op aarde. Ook als de schijn er is, dat er van dat Koningschap van Christus niets terecht komt, heeft de gemeente Gods toch in dat geloof te staan, blijmoedig in voorspoed, geduldig in verdrukking, wetend dat alles naar Gods raad moet medewerken tot de komst van Zijn heerlijk Koninkrijk.
De zaligen en de engelen buigen zich voor Hem neer, Boven zijnde in den hemel. Maar er is ook een volk op aarde, dat de knie voor Hem buigt. En saam zien ze en gelooven ze, dat de Heere regeert, dat de Heere al de draden vasthoudt en stuurt naar Zijn welbehagen, opdat alles zal medewerken ten goede; opdat Zijn Koninkrijk kome. Ook de geest van Satan werkt nu; werkt krachtig; werkt telkens met nieuwe kracht. En alles spant saam om Gods Woord en Gods Geest te wederstaan en krachteloos te maken; om Christus van Zijn eer te berooven.
Na-Pinksteren moeten ons deze dingen weer bij vernieuwing voor oogen staan. We moeten het zien. We moeten het hooren met onze ooren en tasten met onze handen.
Christus-Geest en de anti-christelijke geesten — vreeselijke tegenstelling, met ontzettende conflicten.
Christus is Koning. Maar de Booze ontwikkelt zijne helsche krachten en het booze werkt door overal. En de schoonheid der schepping, de vinding der wetenschap, de macht van het kapitaal en zoovele dingen meer gebruikt de Booze om het booze te bevorderen en het te doen voortvreten als een kanker onder jongen en ouden, rijken en armen, mannen en vrouwen.
Maar Christus is Koning. Zijn Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk. En door Zijn Geest en Woord bevordert Hij Zijn Koninkrijk en doet het komen met kracht, tot dat het straks, op Gods tijd, zal uitschitteren als een Koninkrijk der heerlijkheid. Dan zal het gehoord worden, dat de Booze, ten spijt van den Antichrist, zal zeggen: „Gij hebt tóch overwonnen!" en de machten der hel en de goddeloozen, die den Booze willig hebben gevolgd en den Zoon ongehoorzaam zijn geweest, zullen gebonden en uitgeworpen worden.
Dat hebben wij te gelooven. En dat zal ons de kracht van het leven en de sterkte in den strijd moeten zijn. Wij moeten strijden — ten spijt van al het onwaarachtig vrede-geroep. Het vuur is geworpen op aarde. De Heilige Geest is uitgestort.
En nu gaat het in Kerk en Gezin en School, in Staat en Maatschappij om den Geest Gods of om den geest uit den afgrond, waar de vader der leugen woont en troont.
Hoe staat het Na-Pinksteren met onzen geestelijken strijd in de Kerk? Het moet gaan vóór of tegen Christus, vóór of tegen Gods Woord. Het zal zijn óf uit den Geest óf uit het vleesch. Het zal zijn ten leven óf ten doode. Christus, de Christus der Schriften, moet de beslissing doen vallen en het zal er om gaan of wij Hem liefhebben, of dat wij bevonden worden tegen Hem te strijden.
Laat het van ons dan niet gelden, nu Na-Pinksteren, dat wij allen het onze zoeken en niet hetgeen van Christus is! Wat zou het heerlijk zijn, wanneer onz éénheid in Christus, Na-Pinksteren, méé mocht uitkomen, ook op het terrein van 's Heeren Kerk, ja, juist daar! Onze éénheid, door den Heiligen Geest, Die in alle waarheid leidt. Ook in het Gezin. Ook in de School. Ook in de politiek; ook voor het maatschappelijk leven. Christus is onze Koning. Hij wil regeeren. Hij wil regeeren in ons en over ons. Hij wil, dat wij ons laten regeeren door Hem, door Zijn Geest en Woord. Hij wil dat ook wij voor Hem strijden, naar Zijn Woord en door Zijn Geest.
Als de geesten kampen, de geest uit de afgrond — vermenigvuldigd in onnoemelijk groote getalen — en de Geest Gods, dan geeft de Heere er acht op, of wij in ons gezin, of wij in de school kiezen vóór of tegen den Christus.
Dan geeft de Heere er acht op, of wij voor het staatkundig leven en voor het breede leven, met onze vele maatschappelijke verhoudingen, wenschen te leven naar Zijn Woord en door Zijn Geest, dan wel of wij zelf koning willen zijn en onzen wil wenschen te zetten boven Zijn wil, onze wijsheid willen verheffen boven Zijn waarheid.
Dat het onder ons uitkome, Na-Pinksteren, dat wij niet vreemd zijn aan den Gees des Heeren en dat ons geloof in liefde werkzaam is, ijverende met een heilige ijver, om Gods wil. Vooral wanneer de geesten uit den afgrond, in onderscheiden kleed gehuld, weer loskomen. Strijdt dan — strijdt den goeden strijd des geloofs. Weest kloekmoedig en gedraagt U mannelijk! De Heere regeert. Dat wij dan in geloove werken het werk onzes Gods, als Zijne medearbeiders, door den Geest.

De Ethischen en de Bijbel.
Een paar weken geleden schreven wij dat de Gereformeerden gewoon zijn te zeggen: „De Bijbel is Gods Woord", maar dat de Ethischen bij voorkeur spreken van; „in den Bijbel is Gods Woord"; waaruit dan volgt, dat de Ethischen zich boven den Bijbel stellen om op „ethische" gronden telkens uit te maken wat in den Bijbel wel Gods Woord is en wat in den Bijbel niet Gods Woord is.
Eerlijkheidshalve moeten wij nu berichten, dat een niet onbekend en onvermaard stadspredikant, die de eerste jeugd gepasseerd is en een vooraanstaande plaats in ons kerkelijk leven inneemt, ons 't volgende schreef:
,,Naar aanleiding van eene opmerking in „De Waarheidsvriend" wil ik toch even zeggen, dat er „ethischen" zijn, die de formuleering: ,,Gods Woord staat in den Bijbel" zeer gebrekkig en onjuist achten. Ik heb mijn heele leven tegen die uitdrukking gevochten".
Met dit schrijven van onzen hooggeachten collega zijn wij zéér ingenomen en maken er, om de wille van de zaak die ons allen aangaat, gaarne melding van.
„In den Bijbel is Gods Woord" is ook een allerongelukkigste uitdrukking; en de Ethischen, die er gebruik van maken, zitten met deze in de grootste moeilijkheden. Onderscheid te maken b.v. tusschen de religieus-ethische en de historische gedeelten der Heilige Schrift, is al niet mogelijk, want men kan geen onderscheid maken tusschen het religieuse, het ethische en het historische in den Bijbel. De historische boeken b.v. zijn religieus-ethische boeken. Maar dat nog daar gelaten — hoewel 't allerbelangrijkst is in deze kwestie —: wie zal nu precies zeggen, dit gedeelte van de Schrift is religieus-ethisch en dit gedeelte van den Bijbel is historie, om dan te concludeeren dat we dat historische gedeelte heel anders mogen behandelen dan de religieus-ethische gedeelten van den Bijbel?
Voelt men niet, dat men hier zich als rechter opwerpt op een terrein en ten opzichte van een zaak, waar de mensch minder autoritair dient op te treden?
De Bijbel is een buitengewoon boek. De Bijbel is Gods Woord, van God ingegeven en ons als een geschenk van den hemel toebetrouwd.
Het menschelijk bewustzijn der schrijvers is door den Heiligen Geest op allerlei wijze, door geboorte, opvoeding, natuurlijke gaven, onderzoek, herinnering, nadenken, levenservaring, openbaring, enz., zoodanig toegerust, dat door de werkzaamheid des Geestes (de inspiratie) in en onder 't schrijven in het bewustzijn der godsmannen die gedachten en woorden, die taal en die stijl opkwamen, welke de goddelijke gedachte konden vertolken, op zoodanige wijze welke noodig was voor menschen van allerlei rang en stand, van allerlei volk en eeuw. En zóó is de Bijbel voor ons Gods Woord. „Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust". (2 Tim. 3 vers 16, 17).
De H. Schrift en ons leven, ons geloofsleven, ons christelijk leven in al de geledingen, hooren bij elkaar; onlosmakelijk bij elkaar.
En dan moeten de Ethischen er weer niet van gaan maken (door 2 Tim. 3 vers 16 anders te lezen): „Al de van God ingegeven Schrift is nuttig, enz.", alsof er in de H. Schrift ook weer „niet-ingegeven Schrift" is. Want dat is knoeien met de H. Schrift, zooals God ons die gegeven heeft en de Kerk van Christus die alle eeuwen door heeft geacht als Gods Woord.
„De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken". (2 Petr. 1 vers 21).
Noch de Apostelen, noch de Heiland Zelf hebben ooit zóó tegenover de Schriften gestaan, dat zij gingen zeggen: die Schriften zijn niet Gods Woord en van die Schriften mogen en moeten wij wat nemen èn wat verwerpen.
Wat de Schriften waren, waren zij door God. En in en naar de profetieën die over de gemeente voorafgegaan zijn, in dezelve moest zij den goeden strijd strijden — zegt Paulus. (1 Tim. 1 vers 18). Daar lag de goede belijdenis, die men beleden had voor vele getuigen". (1 Tim. 6 vers 12).
„De Schriften" — dat was „het Woord des Heeren, dat onder hen verkondigd was"; en „dat Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid". (1 Petr. 1 vers 25).
Die de gemeente verleiden zijn dan ook altijd, die de gemeente los willen maken van de Schriften.
Zooals de gemeente had te staan tegenover het boek der profetie, hetwelk Johannes geeft (de Openbaring), zoo heeft de gemeente te staan tegenover de Schriften, tegenover Mozes en de Profeten; n.l. „indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is". (Openb. 22 vers 19). Er is geen enkele oorzaak, om aan te nemen dat in de eerste Christengemeenten de Schriften, de boeken des Ouden Testaments, niet waren ,,het Woord Gods" voor predikers en hoorders. Naar dat Woord was hun belijdenis en die belijdenis moesten zij houden en naar die belijdenis den goeden strijd strijden. (1 Tim. 6 vers 12).
Dat is altijd de lijn: de Schriften — de belijdenis — de strijd des geloofs. En waar men van die lijn afweek, door van de Schriften af te laten, daar verviel men tot leugen en dwaling; de belijdenis raakte zoek en de strijd ontaardde.
De Heiland Zelf staat óók zoo tegenover ,,de Schriften des Ouden Testaments". Ze zijn Hem „Gods Woord" en Hij leeft er bij.
Als dan ook de beschaafde, gecultiveerde Sadduceën komen, die zóó verlicht waren dat zij nog wel geloofden dat er een God als Schepper was, maar dat overigens alles vanzelf liep, waarbij de mensch deugdzaam en blij had te leven, met ontkenning van opstanding, met loochening van geestenwereld enz. enz., — dan komt de Heiland (Matth. 22) om te zeggen: „Gij dwaalt.... niet wetende de Schriften".
Als zij heel eigenwijs en rationalistisch het eeuwigheidsgebeuren op hun manier willen voorstellen en leeren, dan zegt de Heiland: ,,laat u door de Schriften onderwijzen; want die de Schriften loslaat, komt tot dwaling". Het verstand des menschen met al het heidensch filosofeeren werd door de Sadduceën als bron en autoriteit gesteld boven de Schriften, maar de Heiland zegt tot het denkend deel der natie: ,,gij dwaalt "
Die op eigen gelegenheid gaat redeneeren, gaat dwalen; en wordt een dwaalleeraar, hoe gecultiveerd en beschaafd en ontwikkeld men ook is.
De Heiland leefde bij de Schriften. „Er staat geschreven", sprak Hij, de Schriften aannemend als Gods Woord. Mozes en de profeten en de psalmen — 't was voor Hem Gods Woord. En als de Emmaüsgangers dwalen, dan leidt Hij hen terug tot de Schriften, onderwijst hen in de Schriften, zoodat hun geloof en belijdenis weer „naar de Schriften" wordt, en dan komen zij tot de Christus ervaring in den weg der Schriften.
De Bijbel Gods Woord te achten en bij de Heilige Schrift, als Gods Woord, te leven, ligt dus méér in de lijn van Christus en Zijn Apostelen en de gansche Kerk des Heeren van alle tijden, dan de Schriften los te laten en op eigen compas te gaan varen. Dan laat men „de profetieën" die over de gemeente voorafgegaan zijn", los (1 Tim. 1 vers 8) en dan laat men ook „de goed belijdenis" los, en dan gaat men ook een anderen strijd strijden dan den „goeden strijd des geloofs". Dan komt men tot een ander „Woord dan onder ons verkondigd is en dat blijft tot in eeuwigheid" (1 Petr 1 vers 25). 
De „hoogere wetenschap" heeft het historisch, ethisch en religieus nu al zoo dikwijl moeten afleggen tegen het historische, ethische en religieuse in den Bijbel, dat wij goed zullen doen jongen en ouden meer te gaan bepalen bij de Schriften, opdat we minder „dwalen". (Matth. 22) en we meer menschen krijgen, tot alle goed werk vol maakt, schriftuurlijk, toegerust. (2 Tim. vers 16, 17).
Kerk en Volk zullen er wél bij varen. Gelijk 't tot zoo groote schade is geworden, dat men ons volk — ook in de Kerk — den Bijbel, het Woord des Heeren, ontfutseld heeft.

Waarom zijt gij Hervormd? (2) De Hervormde Kerk in 1852.
Het oordeel, dat men algemeen had en heeft over de Synodale Organisatie van 1816, is niet gunstig te noemen.
„De Kerkelijke Organisatie van 1816 is op onwettige wijze tot stand gekomen. „Er is een orde van zaken in de Ned. Hervormde Kerk tot stand gekomen, die origine et lege onwettig is" — oordeeldt de moderne hoogleeraar J.J. Prins.
„De wijze, waarop de Synode tot stand kwam, was geheel onwettig", zegt Van Heineken in zijn dissertatie: „De Staat en het Kerkbestuur der Ned. Hervormde Kerk sedert het herstel onzer onafhankelijkheid" (Leiden, 1868).
,,De bij Kon. Besluit van 1816 no. 1e 1852 no. 3 bekrachtigde reglementen blijven o.i. niettegenstaande de arresten van den Hoogen Raad van 2 Jan. 1846 en 17 Nov 1848 altijd ongrondwettig", verzekerde de liberale mr. K.M.G. de Meyier in zijn „De Staat in betrekking tot het beheer de goederen van de Ned. Hervormde Kerk".
Geen Gereformeerde kan met méér kracht de geldigheid der Synodale Organisatie betwisten dan de liberale grootmeester Thorbecke deed in „De Gids" in 1846. 
In 1869 schreef dr. Bronsveld in de „Stemmen voor Waarheid en Vrede": „het is goed, dat wij allen het eens hooren, welk een onrecht onze Kerk door de Regeering van 1816 is aangedaan en hoe lafhartig en ontrouw onze hoogste kerkelijke besturen dat hebben gedragen" (blz. 1351).
Mr. S. van Houten zegt : „zoolang het kerkelijk leven belemmerd wordt door een Organisatie, welke, hoewel door den rechter tot dusverre bindend gerekend, in een aangematigd gezag haren oorsprong heeft, enz." Prof. Rengers Hora Siccama, dr. de Jonge van Ellemeet, prof. mr. Van Apeldoorn te Amsterdam, enz., spreken in denzelfden toon.
Zóó sterk is het, dat de Minister van Justitie Nedermeyer van Rosenthal in de zitting van de Tweede Kamer van 17 Dec. 1849 sprak: „Over de wettigheid van den oorsprong van dat reglement (van 1816) zijn, mijns inziens, dikwijls terecht bedenkingen gemaakt. Ik geloof, dat de Classis van Amsterdam, welke in 1816 eerbiedig hare bedenkingen tegen dat Reglement inbracht, de zaak uit 't juiste oogpunt beschouwde". (Handel. 2e Kamer 1849/'50, blz. 161).
Nu komt bij dit alles nog dit.
De smadelijke, onwettige daad van den Koning, gesteund door zijn liberale raadgevers, bedoelde niet alleen een principieele wijziging te brengen in de aloude presbyteriale Kerkregeering, die naar de beginselen van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis (artt. 30 en 31) zoo juist paste bij de Gereformeerde Kerk, maar zij bedoelde allereerst en allermeest door deze onwettige regeling van het Bestuur der Kerk een zoodanige „rust en éénheid te brengen, dat er niet veel meer te bemerken zou zijn van haar Gereformeerd belijden der Waarheid. 
Héél het volk moest rustig in die Kerk samen kunnen wonen, ten koste van de Waarheid. Haar Gereformeerde belijdenis gaf ergernis en was een hinderpaal voor velen en daarom moest er op gewerkt worden, dat niet alleen de Kerkorde veranderde, maar dat ook de belijdenis werd gewijzigd.  Dat heeft de Classis van Amsterdam gevoeld en zij heeft geprotesteerd, maar het mocht niet baten; hoewel zij ,,de zaak uit het juiste oogpunt beschouwde". (Zie boven).
De Commissaris-Generaal troostte 28 Maart 1816 de Classis Amsterdam, in naam van Z.M. den Koning, „dat de geheele verandering slechts het uitwendig Kerkbestuur betreft" en „wat de leer betreft, zijn de verpligtingen van de leden der Synode en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9e artikel van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert, de handhaving van de leer der Hervormde Kerk".
Een Synodale Besturen-Organisatie was opgelegd, maar de leer der Hervormd e Kerk moest blijven. En Z.M. de Koning zou nooit eenige inbreuk op de leer der Kerk maken en ook niet willen, dat er door anderen inbreuk gemaakt zou worden — moest de Commissaris-Generaal nadrukkelijk schrijven aan de protesteerende Classis.
Dat onthouden we! De Kerkvorm werd anders, de Kerk bleef dezelfde.
En toen heeft de Koning, Koning Willem II, zich teruggetrokken. De Overheid gaf aan de Hervormde Kerk in 1852 vrijheid.
En dus werd de Hervormde Kerk in 1852 vrij? Is de Hervormde Kerk sinds 1852 vrij? Was de daad van 1816 nu ongedaan gemaakt en kon de Hervormde Kerk zelve nu zeggen hoe zij zich wenschte in te richten en voort te gaan?
Hier moeten we goed onderscheiden. Want de Koning trok zich terug. De Kerk zou voortaan vrij zijn om haar eigen zaken te doen. Maar de Koning verordineerde dat de onwettige Synodale Besturen-Organisatie zou blijven. En in dat dwangbuis ingekerkerd, moest de Hervormde Kerk dan maar verder doen wat zij zelve verkoos.
Vrij — en niet vrij dus. Vrij gelaten, maar vrij in de gevangenisketenen van de Besturen-Organisatie in 1816 onwettig haar opgelegd! Vrij — om heen en weer te loopen in de cel, waarin zij door de Overheid ingekerkerd was.
Dat dus al het spreken over de Synodale Organisatie van 1816 nu, na de vrijmaking van 1852, geheel overbodig zou zijn, is niet waar. Er moet helaas! wel degelijk nog over het dwangbuis van de Synodale Organisatie, waarin de Hervormde Kerk door de Overheid is ingekerkerd, gesproken worden. Want het feit, dat de Koning, toen hij zich terugtrok, de onder de Synodale Organisatie van 1816 gebonden Kerk niet vrij maakte, maar haar in handen van de Synode achterliet, was oorzaak, dat er principiëel en feitelijk niets veranderde. De Besturen-Organisatie was en bleef de gevangenisbewaarder. Groen heeft 't ze aardig gezegd: in 1816 was de Koning de overste van de gevangenis, de Synode de cipier, de Kerk de gebondene — in 1852 heeft de Koning zich teruggetrokken, maar benoemde den cipier (de Synode) tot directeur van de gevangenis en de Kerk bleef in boeien geklonken.
Niet zelf had zij die Besturen-Organisatie gekozen, maar die was haar wederrechtelijk door de Overheid opgelegd en die bleef haar drukken toen de Koning zich terug trok. 
Prof. Gunning zegt in Geloof en Kerkvorm: „Van de Kerkorde, waar onder gij leeft, meenen velen, dat zij u niet willekeurig is opgelegd, maar in de geschiedenis der Kerk gegrond en in den loop der tijden wettig g eworden is: en dat zij daarom met recht gehoorzaamheid eischt van alle ledematen in 't algemeen en van elken predikant in 't bizonder. 
Dat is een groote dwaling. 
Deze Kerkorde is onze Hervormde KerV op gedrongen door Koning Willem in 1816, in vereeniging met eene door dien Vorst benoemde Commissie. Zij is in strijd met de geschiedenis, het recht en het wezen der Kerk. Bij hare invoering is ernstig protest gehoord, doch het heeft niet gebaat.
Noch het recht der gemeente op ware vertegenwoordiging, noch de onderlinge gelijkheid van alle Evangeliedienaren is er bij in het oog gehouden. Een geheel on-pro testantsche hiërarchie is er door gevestigd.
Kortom, het uitsluitend recht van de eenigen Heere en Koning der Kerk, om alleen Zijn Woord en Geest te doen regeeren in de gemeente, is er door verkort en terzijde gesteld". 
Buitengewoon helder en klaar, daarbij geestelijk-principiëel de dingen belichtend is hier door prof. Gunning gezegd waar het juridisch en waar het practisch om ging en om gaat. „Onrecht" is er gepleegd en „schending van 't Koningschap van Christus", zei prof. Gunning telkens, gelijk hij voortdurend op deze zaak terug kwam, in het belang van Christus' Kerk en het belang van ons volk. Het onrecht moest wijken en Jezus Christus moest Koning zijn in Zijn Kerk! Hij heeft er recht op, om Zijn Woord en Geest te doen regeeren in Zijn Kerk. Niemand mag aan dat recht tornen! 
Op een andere plaats in Geloof en Kerkvorm lezen we nog: „Koning Willem II heeft door zijn welgemeend en edelmoedig afstand doen van het Staats­gezag over de Kerk, die Kerk schijn­baar van den Staatsinvloed vrijgemaakt. Doch schijnbaar slechts, want al wer­den nu de besluiten der Synode niet langer door of namens den Koning bekrachtigd, de geest van den geheelen toestand bleef echter inderdaad dezelfde. Het Synodaal Bestuur bleef zijne stelling behouden, ook nadat het, doordat de Staat zich uitwendig terug trok, zijne reden van bestaan verloren had. Gelijk wanneer een vogel de pijlpunt onder zijn vleugel met zich voert, ook al is de jager verdwenen. Deze geheele massa van Kerkinrichting beweegt zich als eene locomotief aan het einde van haren loop, volgens de wet der traagheid, naar de eenmaal daarin gelegde beweegredenen vóórt, ook al is de hand, die den eersten stoot gaf, niet zichtbaar meer. Zóó bleef en bestaat nog een samenstel van dóór en dóór valsche toestanden".
Duidelijk is dus, dat men de Kerk niet vrij heeft laten beslissen in 1852. Men heeft het onrecht niet weggenomen, om de Kerk weer zelve aan het woord te laten. Men heeft de Kerk, aan handen en voeten gebonden, verder laten strompelen. Op het paard vastgebonden, werd de onrechtvaardig behandelde verder gejaagd, terwijl men schamper riep: Verheug u in uw vrijheid!
En men had de bepalingen in de Reglementen, wederrechtelijk aan de Kerk opgelegd, daarbij zóó in elkaar geschroefd, dat het schier onmogelijk is voor de Kerk, om in de Besturen-Organisatie ingekerkerd, tot een andere regeling te komen. Er zit zoo ontzaglijk veel aan vast, om ook maar de minste principiëele wijziging in het kerkelijk samenleven te verkrijgen!
Dat is de gebondenheid der Hervormde Kerk, ook na 1852, onder de Synodale Besturen-Organisatie, het Staatscreatuur van 1816. Dat heeft de Overheid gedaan, die den geestelijken gang van Christus' Kerk „officieel" zou regelen en in bizonderheden administratief zou regelen!
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's