De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

Waarom zijt gij Hervormd? (4)
De kwestie van de belijdenis nader toegelicht.
In 1816 — 7 Januari 1816 wet geworden — is gruwelijk onrecht gepleegd aan de Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk. De Overheid heeft wederrechtelijk de oude wijze van kerkregeering en kerkelijk samenleven, omschreven in de Dordtsche Kerkorde, principieel en radicaal veranderd, zonder de Kerk er ook maar in 't minst in te kennen. En toen is daar in „het bestuur der Kerk" een hiërarchisch beginsel gebracht, waardoor het ambt ontadeld en ontwricht is en de kerkelijke vergaderingen zijn weggenomen, terwijl alles in handen is gelegd van hoogere en lagere bestuurslichamen (Classicaal Bestuur, Provinciaal Kerkbestuur en Synode). 
Maar men bedoelde tegelijk de belijdenis der Kerk, vervat in hare formulieren (zie o.a. Voorbericht Gezangenbundel, gedateerd 6 September 1805) te vervlakken en van karakter te veranderen, opdat de Nederlandsche Hervormde Kerk zou worden een Vereeniging van Elck wat wils, een godsienstige Vereeniging tot nut van 't algemeen, waar ieder, van wat overtuiging ook, kon samenwonen met het Protestantsche volk van Nederland.
Daartegen is protest op protest gehoord. 7 Maart 1816 begon 't al met de Classis Amsterdam; ook Leiden en Woerden. In Axel protesteerde de Kerkeraad unaniem. Ds. N. Schotsman (1754—1822) stelde in 1817 duidelijk in 't licht ,,de kunstgrepen, waarvan het hedendaagsche ongeloof zich bedient om den godsdienst door den Bijbel en den Bijbel door den godsdienst te bestrijden", een antwoord op 'n venijnig geschrift van mr. H.W. Hoving te Groningen, die de symbolische geschriften onzer Kerk „allerellendigste formulieren" noemde en dringend en vleiend den Koning had verzocht „deze Dordtsche kluisters te verbreken".
Da Costa schreef in 1823 zijn ,,Bezwaren tegen den geest der eeuw". In 1827 verscheen er te Amsterdam een naamloos geschrift onder den titel: Adres aan mijn Hervormde geloofsgenooten, waarin met nadruk gewezen werd op de afwijkingen der leer — van welk geschrift de Haagsche predikant Dirk Molenaar de opsteller bleek te zijn.
En sinds heeft men niet gezwegen vóór de Afscheiding (1834) noch na de Afscheiding. Men heeft geprotesteerd vóór de Doleantie en na de Doleantie. Men protesteert nóg van alle kanten. Men kan veilig zeggen, dat het van 1816 tot op heden één groot protest geweest is en nóg is tegen de Synodale besturen-organisatie en tegen de verkrachting van de belijdenis van den Christus der Schriften. Namen als van ds. Schotsman, Molenaar, Brummelkamp, Moorrees, Callenbach, van Velzen, Bahler, de Hoest, Eijkman, Detmar, Doedes, Gronemeijer, Kuyper, Hoedemaker, Gunning, Chantepie de la Saussaye Sr. enz. enz., zijn in deze overbekend, om daarnaast ook te noemen een naam als van mr. Groen van Prinsterer.
In 1841 werd een adres van 8790 gemeenteleden door de Synode onder smaad- en schimpwoorden aan het adres van ,,de Gereformeerden" op zij gelegd en zonder vorm van proces naar de prullenmand verwezen. 
Men had de macht en men hield de macht n de Synode en in de bestuurslichamen — wederrechtelijk door de Overheid alzoo klaargemaakt!
Maar nu is het opmerkelijk hoe men, niet zelden o! zoo lief, keer op keer uit den treure verklaard en bevestigd en herhaald heeft: de Nederlandsche Hervormde Kerk heeft een belijdenis; de Nederlandsche Hervormde Kerk is een belijdende Kerk; in de Nederlandsche Hervormde Kerk moet instemming met de leer betoond worden en handhaving van de belijdenis gevonden; in de Nederlandsche Hervormde Kerk is niets, niets in deze veranderd; de Nederlandsche Hervormde Kerk, ook waar de wijze van Kerkregeering is gewijzigd (Kerkvorm), is in wezen de voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk. 
Dat hebben de vijanden van de belijdenis der Kerk uit den treure gezegd, bevestigd en herhaald. En dat is met de stukken te bewijzen, waaraan we ons óók hebben te houden.
Allen die met de belijdenis der Hervormde Kerk niet instemmen en toch in de Hervormde Kerk willen blijven, om in die Kerk alle macht in handen te hebben en daardoor over alles macht te hebben of te verkrijgen — zijn dan ook in een oneerlijken weg, waarvoor dan ook niemand tenslotte eerbied kan hebben en waaraan ook nooit een zegen kan verbonden zijn.
Dat men van een gansch andere belijdenis is als de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk is fiat! Maar laat men dan ook de Hervormde Kerk verlaten en laat men gaan inwonen bij Remonstranten of Vrije Gemeente of waar ook. Dat is eerlijk. Maar om te blijven waar men niet hoort en daar te handelen zooals 't niet bestaamt, is niet toelaatbaar.
Nu hebben wij te bewijzen, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk van 1816 en van 1852 en van 1929 een eigen, zelfde belijdenis heeft; een belijdende Kerk wil zijn; van leervrijheid niet wil weten; leertucht en geen gewetenstucht voorschrijft, enz. enz.
Al dadelijk bewees oud-Art. 9 van het Algemeen Synodaal Reglement, dat de Ned. Hervormde Kerk een eigen leer en belijdenis had en dat die belijdenis — niet een andere belijdenis, maar haar eigen belijdenis — moest worden gehandhaafd. Met „ronde woorden" werd in Art. 9 van allen die in eenig bestuurslichaam zitting hadden gevorderd handhaving van de leer der Hervormde Kerk. (Brief van Z.Ex. den Commissaris Generaal, die, in naam des Konings, schreef aan de Classis Amsterdam 28 Maart 1816). In de proponentsformule van 1816 stond „ de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomen Formulieren van Eenigheid der Nededandsche Hervormde Kerk is vervat."
De Overheid verklaarde dus in 1816 en de Kerk verklaarde het ook in 1816: de Ned. Hervormde Kerk en de Formulieren van Eenigheid hooren bij elkaar! De proponent moet dan ook — zie art. 29 van het Regl. op het Examen (1816)—na zijn examen verklaren, met een eed nog wel, overeen te stemmen met „de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene Formulieren van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk vervat; 't welk „plegtig" moest worden „afgelegd en onderteekend". Bij zijn beroep (zie art. 35 van het Regl. op het Examen 1816) moest hij dan nog eens „bij handteekening verklaren bij zijn vorige onderteekende verklaring en belofte opregtelijk te persisteeren".
De Nederlandsche Hervormde Kerk, de Formulieren van Eenigheid en Gods Heilig Woord, hoorden dus in 1816 bij elkaar!
De Verklaring voor de godsdienstonderwijzers (zie art. 22 van het Regl. op het godsdienstonderwijs 1816) luidde evenals die voor de proponenten. Zij moesten de leer enz. „hartelijk omhelzen" en beloven dezelve bij hun onderwijs „getrouwelijk" te zullen leeren.
De Nederlandsche Hervormde Kerk, de Formulieren van Eenigheid en Gods Heilig Woord, hoorden bij elkaar onder den nieuwen Kerkvorm van 1816! De Synodale Resolutie omtrent de kerkelijke approbatie van geschriften van den 23sten July 1816 en het Reglement op de Kerkvisitatie goedgekeurd bij Kon. Besluit van 30 July 1816 bewijzen hetzelfde: de Nederlandsche Hervormde Kerk, de Formulieren van Eenigheid en Gods Heilig Woord hooren bij elkaar!
In het Reglement op het godsdienstonderwijs, stond in axt 43, dat „de Ledematen", bij hun bevestiging in 't openbaar moesten antwoorden op de vraag: „of zij van harte gelooven de leer, die zij hebben beleden" en „of zij ook voorgenomen hebben bij deze leer, door Gods genade, te blijven enz.
De Nederlandsche Hervormde Kerk had dus een „leer", vroeg belijdenis en instemming met die „leer" en stelde als voorwaarde aan die ,,leer" getrouw te blijven, welke „leer" in het kader van „de Formulieren van Eenigheid en Gods Heilig Woord" telkens staat en daar moet blijven staan.
Bij de Kerkvisitatie was het niet anders. Het persoonlijk onderzoek van de visitatoren moest o.a. gaan over ,,de onberispelijkheid in leer en wandel", zoowel bij de predikanten, als bij de ouderlingen en diakenen..
De Ned. Hervormde Kerk en de Formulieren van Eenigheid en Gods Heilig Woord hoorden bij elkaar. Bij handteekening moest het zelfs bevestigd worden — zegt prof. Royaards dan ook, ter geruststelling aan de twijfelaars. 
Die dus zeggen, dat in 1816 in de Ned. Hervormde Kerk „de leer afgeschaft is", zegt een groote domheid.
't Is zelfs vermakelijk, hoe dikwijls van hooger hand, door de Overheid en door de Synode, verzekerd is, dat er geen vuiltje aan de lucht was! De Synode wilde juist zijn „een wijs, voorzichtig, getrouw en aan de ware Hervormde leer verkleefd Kerkbestuur". En dat het na 1852 (9 Sept. 1851 was een ontwerp van een gewijzigd Algem. Regl. voor de Ned. Herv. Kerk aangenomen, 't welk Jan. 18.52 wet was geworden en in werking was getreden) niet anders is geworden blijkt slag op slag.
De Ned. Herv. Kerk heeft een „leer", heeft een „belijdenis", en die leer en die belijdenis is vervat in de Formulieren van Eenigheid en is naar Gods Heilig Woord en moet beleden, moet ook gehandhaafd en bewaard worden.
Hoort maar wat b.v. de Synode van 1853, bij monde van prof. W. Muurling, in haar rapport zegt:
,,Wij bedroeven ons er over, dat velen in den waan blijven verkeeren en de klagt doen hooren, dat de handhaving van de leer der Hervormde Kerk eensdeels door de Kerkbesturen schandelijk verwaarloosd is, anderdeels, dat die leer door vrijheid van prediking — leervrijheid, gelijk adressanten het noemen — in onze Kerk ondermijnd wordt. Die waan rust op onkunde. Heeft de Synode dien eersten en heiligen pligt, om deze leer te handhaven, geschonden, gelijk men haar verwijt? Integendeel, zij heeft hem ten allen tijde ijverig en trouw zoeken te vervullen".
Heeft men nog meer bewijs nu noodig, na zoo'n Synodale verklaring? De Ned. Herv. Kerk is ook na 1852 een belijdende Kerk en zij zal haar belijdenis handhaven, 't kost wat 't kost. Geen vrijheid van prediking. Geen leervrijheid. De eerste en de heilige plicht van allen is: de leer der Kerk te handhaven De Synode is er wat wijs mee!
Maar laten we er nu maar niet langer over praten, 't waren allemaal „opzettelijke dubbelzinnigheden" die men gebruikte.
Wat wij in deze volmondig nazeggen, waar dr. C.E. Hooykaas, modern predikant, 't ons voorgezegd heeft, toen hij hierover schreef in het Algemeen Handelsiblad van Dinsdag 13 Januari 1914.
„Opzettelijke dubbelzinnigheid"..........
Schaamt gij u niet weg, moderne heeren, die zoo ongeëvenaard geknoeid hebben in deze?
„Onwaarachtig geschipper" noemt dr. Hooykaas dit alles verder. Ja hij zegt, dat er een eeuw achter ons ligt van „verachtelijke practijken van opzettelijke dubbelzinnigheid."
Eigenlijk kan 't toch niet krasser gezegd worden. En dan door een modern predikant.
En ja, 't is ook afschuwelijk, verachtelijk!

De Classicale Vergadering.
Woensdag 26 Juni a.s. worden overal de Classicale Vergaderingen onzer Hervormde Kerk gehouden; en zooals wij verleden week reeds te kennen gaven, het is ons aller plicht — predikanten en afgevaardigde ouderlingen — om op die vergadering van de Classis tegenwoordig te zijn. Wij, die tot de Hervormde Kerk behooren, moeten met die Kerk meeleven en wij mogen ons allerminst aan de Classicale Vergadering onttrekken. Ten spijt zelfs van zwaarwichtige praatjes zeggen wij, dat het een ernstig plichtsverzuim is, wanneer men, soms zelfs geregeld, weg blijft. Dominé's moeten dat niet doen en ouderlingen ook niet. Men moet elkander opwekken om z'n plicht in deze te doen. Dan mogen we ook verwachten, dat de Heere ook in deze ons zegenen zal.
Op de Classicale Vergadering van a.s. Woensdag 26 Juni komen een achttal reglementswijzigingen aan de orde, waarover de consideratie der Classicale Vergadering gevraagd zal worden. Het is voor 't meerendeel „kleingoed".
Wijziging I bedoelt het secundaat van den scriba van het Classicaal Bestuur beter te regelen en staat in verband met art. 6, al. 5 van het Algemeen Reglement, waar staat: „Een lid van het Bestuur mag tevens secundus zijn van den Scriba". Dat is iets bizonders, omdat de secundus gewoonlijk buiten het Bestuur gezocht wordt, om als lid op te treden als het primus-lid aftreedt. De secundus-scriba kan dus gedacht worden binnen den kring van het bestuur. Stel nu dat ds. A., die scriba is, als scriba bedankt. Dan treedt ds. B., die zijn secundus is en lid van het Classicaal Bestuur, als scriba op. Best. Maar als ds. A. scriba-af zijnde, gewoon lid van het Bestuur blijft — wat natuurlijk mogelijk is — dan treedt ds. B. als scriba op, maar dan staat in art. 6 al. 5 Algemeen Reglement: „Wordt hij (seundus ds. B.) daartoe geroepen (om ds. A. als scriba te vervangen) dan treedt zijn secundus op als gewoon lid".
En nu komt het koddige, dat er geen gewoon lid voor het Classicaal Bestuur noodig is en dus door deze bepaling een lid te veel komt!
Nu zegt de Synode: schrap in art. 6 al. 5 Algem. Reglement de woorden: „Wordt hij daartoe geroepen, dan treedt zijn secunus op als gewoon lid" — en de zaak is in orde. Wij zijn 't met de schrapping van die woorden volkomen eens. Ze deugen nergens toe, dan alleen om verwarring en moeilijkheden te geven. Aannemen dus.
Wel is gezegd, dat er dan toch nog moeilijkheden kunnen komen als de scriba niet alleen als scriba, maar ook als lid van het Classicaal Bestuur aftreedt, omdat dan de secundus-scriba optreedt als functioneerend scriba en zijn secundus geen primus wordt, omdat bedoelde secundus-scriba lid van 't Bestuur is en blijft — zoodat dan het Classicaal Bestuur een lid te weinig zou krijgen. Maar dat is niet juist geredeneerd. Want ds. A., die scriba was, en als lid van het Bestuur heengaat, wordt als scriba opgevolgd door zijn secundus, die lid van het Classicaal Bestuur is, maar als heengaand-primus-lid van het Classicaal Bestuur wordt hij opgevolgd door zijn secundus buiten het Bestuur.
Wijziging II bedoelt den leeftijd voor den diaken vast te stellen op 23 jaar, omdat de burgerlijke wet de meerderjarigheid van 23 op 21 jaar verlegd heeft en dat vindt de Kerk terecht — te jong voor diaken. Daarom adviseeren wij Wijziging II aan te nemen.
Wijziging III betreft een kwestie, die de Synode reeds een paar jaren heeft bezig gehouden en waar we nog maar niet uit kunnen komen. Het betreft de moeilijkheden, die er rijzen indien de nieuwe Kerkeraadsleden niet tijdig genoeg zijn benoemd (door bedanken of door kwesties) om de aftreding der oude Kerkeraadsleden te kunnen doen gepaard gaan met de bevestiging der nieuw-benoemden.
De vraag is toch: wat er moet geschieden indien op den dag, waarop de oude Kerkeraadsleden zijn afgetreden, de nieuwe hunne functie nog niet kunnen aanvaarden (b.v. door een aanklacht door gemeenteleden ingediend, enz.). Nu heeft men met Art 11 al. 1 van het Reglement op de Kerkeraden in de hand tot nu toe gezegd: de oude Kerkeraadsleden blijven dan in functie. Door allerlei kwesties op te werpen kon men de bevestiging van de nieuwe Kerkeraadsleden uitstellen, soms wel een jaar, en de oude Kerkeraadsleden (die misschien in partijstrijd „er uitgegooid" zijn) kunnen dan nog een jaar blijven zitten en regeeren, enz. Nu wil men door schrapping van de woorden „zij gaat gepaard met de bevestiging der nieuw-benoemden", duidelijk maken, dat die moeten aftreden, niet kunnen blijven zitten. Dat klinkt eenvoudig en is duidelijk. Maar zooals we boven reeds zeiden: wat moet er gebeuren als er geen oude en als er geen nieuwe Kerkeraadsleden zijn? Moet het Classicaal Bestuur dan doen wat des Kerkeraads is? Ons komt het voor, dat we met schrapping van de woorden er niet zijn. Deze zaak zal breeder en beter moeten worden onder de oogen gezien. Hoewel wij grif toestemmen dat het fataal is, dat Kerkeraadsleden die aftreden moeten, door gefingeerde bezwaren in te brengen tegen nieuw-gekozenen, daardoor kunnen aanblijven en intusschen nog allerlei — soms heele gewichtige en ingrijpende — besluiten kunnen nemen en handelingen verrichten. Dat moet voorkomen worden! Verstandige en eerlijke menschen moeten dat trouwens begrijpen en voelen.
Wijziging IV betreft de liggers van het predikantstractement Art. 3 al. 1 Reglement op de Vacaturen wil het recht van de weduwen en minderjarige nagelaten kinderen tijdens het gratiejaar beter waarborg geven. Best. Dan wordt voorgesteld, dat de Ring ƒ 1400.— zal krijgen van de vacante gemeente; heeft de vacante gemeente een tractement (rijkstractement en pastoralia) hooger dan ƒ 1400.—, dan zal de helft aan de gemeente blijven en de helft aan den Ring komen. Wordt het meerdere van ƒ 1400.— door de gemeente zelve betaald, dan blijft het aan de gemeente. Dat aan den Ring ƒ 1400.— vergoeding wordt uitbetaald, vinden wij billijk. De wijzigingen van Voorstel IV (de technische kwesties laten wij maar onbesproken), komen ons billijk en goed voor. Aannemen dus. Hoewel wij van oordeel zijn, dat de kwesties van ligger (van de pastoralia) en van ,,opgaaf van de inkomsten, welke aan den beroepen predikant worden gewaarborgd" (wat men gewoonlijk de ligger van het predikantstractement noemt, maar geen ligger is) nogal ingewikkeld zijn en misschien nog wel aanleiding kunnen geven tot het stellen van een vraag of het maken van een bedenking. Doch wij meenen, dat aannemen hier kan worden geadviseerd.
Wijziging V wil een nieuw instituut invoegen in de kerkelijke rechtspraak en wel in art 53 Reglement van Kerkelijk Opzicht en Tucht. 't Wil rehabilitatie of eerherstel mogelijk maken aan iemand, die uit zijn ambt ontzet is, wanneer zich omstandigheden voordoen, die voor eerherstel aanleiding geven. Wij hebben geen bezwaar vóór te stemmen, hoewel wij de noodzakelijkheid er van niet voelen. Want de termijn van vijf jaar voor iemand die uit zijn ambt ntzet is, is niet overdadig lang. Maar nu het voorgesteld is, willen wij niet den onbarmhartige spelen. Wij zullen vóór stemmen.
Wijziging VI bedoelt verbetering te brengen in het Reglement op de Kerkvisitatie. Vóór.
Wijziging VII raakt het pensioenfonds en geeft een aanvulling die een verbetering is. Vóór.
Wijziging VIII raakt het reglement op de Algemeene Weduwen-en Weezenbeurs en kan ook worden aanvaard. Vóór.
Zooals men ziet, zijn het dit jaar geen voorstellen die de Kerk in beroering zullen brengen. Kleingoed. Misschien zoo maar 't best. Dat er van de Classicale Vergaderingen nog een zegen mag uitgaan voor heel de Kerk. Dat kan bij Schriftlezing, gebed en samenspreking. De Heere richte onze Hervormde Kerk weer op en stelle haar op het aloude fundament Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Hillegersberg.
De Ned. Hervormde gemeente te Hillegersberg staat op het oogenblik in 't midden van veler belangstelling. Het is een groeiende gemeente, een dorps- en stadsgemeente tegelijk, en nu doet zich het feit voor, dat er maar één predikant staat in die groote gemeente, terwijl er nu een 2de predikantsplaats gesticht is, waarvoor het beroepingswerk spoedig zal worden ter hand genomen.
In Hillegersberg is Kerkeraad. Geen Kies­college is er. Groote belangstelling nu bij velen: Wat zal de Kerkeraad doen? Wien zal hij beroepen? Een Confessioneel predikant naast den Confessioneelen dominé? Misschien een Gereformeerde Bonder? Wellicht een Ethische? Ook is er een afdeeling van de Vrijz. Hervormden met eigen voorganger, ds. Bloemhoff. Wat zal de Kerkeraad doen?
Vooral in Terbregge — waar ook een kerkgebouw staat — kerkelijk met Hillegersberg vereenigd, is groote belangstelling voor den Gereformeerden Bond. 't Gerucht gaat, dat de Kerkeraad een Confessioneel predikant zal beroepen.
Dan is groote ontevredenheid te wachten bij de Gereformeerde Bonders, bij de Ethischen, bij de Vrijz. Hervormden. 't Gerucht gaat ook, dat men een Gereormeerde Bonder zal beroepen. En straks, voor de 3de predikantsplaats, die er noodig komen moet, een Ethische. Dat zou de mooiste oplossing zijn. En daarom hopen wij van harte, dat de kerkeraad, mee naar advies van den plaatelijken predikant, daartoe zal kunnen be­sluiten. Scheuring is er al genoeg. Waar het eenigszins mogelijk is beware men de samenwerking rondom den Christus der Schriften, in Wien de blijde boodschap der verlossing tot ons komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's