De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

7 minuten leestijd

Postgiro 138421.
De Penningmeester zit thans niet op de plaats, waar hij gewoonlijk zijn financieel verslag opstelt. Hij is een paar dagen gelogeerd in een stad, die voor onzen Bond een historische beteekenis heeft. Het is Delft, de oude Prinsenstad, waar hij 't genoegen had gistermorgen in de Nieuwe Kerk het Woord te bedienen. Toen ik daar op dien kansel stond, waarheen ik geleid was langs de graven van zoovele vorsten van het Oranjehuis, werden mijn gedachten vermenigvuldigd. Ik herinnerde mij nog zoo levendig, hoe ik vóór meer dan 20 jaren wijlen mijn vriend Beekenkamp hier zijn intree had hooren doen over den tekst: „het is buiten mij, God zal Farao's welstand aanzeggen". Ik herinnerde mij nog zoo levendig hoe ik vanaf dienzelfden kansel wijlen mijn vriend Fliehe meermalen in de Kerkvoogden- óf in de Kerkeraadsbank had zien zitten. Ik herinnerde mij nog zoo levendig hoe ik in die zelfde kerk op een 2den Pinksterdag wijlen mijn vriend Boonstra eens een jongelings-preek — tegenwoordig zouden we zeggen een jeugdpreek — had hooren houden over de discipelen te Efeze, die niet wisten of er een Heilige Geest was. Ik herinnerde mij nog zoo levendig hoe ik in die zelfde kerk ook onzen Voorzitter wel eens gehoord had, ik meen haast over den 23en, 't kan ook zijn over den 7en Zondag, in ieder geval over een onderwerp betreffende een der cardinale stukken van de leer der zaligheid. En zoo herinnerde ik mij ook nog dat ik in deze zelfde stad eens een brief kreeg van onzen Voorzitter, toen hij nog in Ameide stond, waarin hij mij schreef: ,,Wat denk je er van als we eens aan de vergadering voorstelden om Fliehe Penningmeester te maken?" Toen ik dat aan onzen vriend Fliehe, die juist bij ds. Beekenkamp op bezoek was toen die brief kwam, vertelde, lachte hij mij hartelijk uit en sprak: dat kan je begrijpen, daar komt nooit iets van. En ziet daar, Fliehe is Penningmeester geworden, is ongeveer 19 jaar Penningmeester geweest. En nu is Fliehe weg, Boonstra weg, Beekenkamp weg; hun stoffelijk overschot rust in Arnhem, Elburg of Leiden, hun zielen juichen, naar we gelooven mogen, voor den troon Gods en het Lam. Onze Voorzitter is er nog en ik ben er ook nog en Delft is er ook nog en de Nieuwe Kerk staat er ook nog. Intusschen zijn ook wij zooveel ouder geworden en hier in Delft zijn de toestanden ook weer zoo heel anders als toen Fliehe er was, als toen Beekenkamp er stond en toen Boonstra er preekte. De vraag, of het er beter of slechter op werd, zal ik nu maar laten rusten. Het zou niet kiesch van mij zijn en zelfs de grens der wellevendheid overschrijden, als ik ging praten over een plaats, waar ik ten huize van oude vrienden zulk een vriendelijk onderdak vond. Ik heb alleen maar even willen zeggen dat ik eenerzijds bepaald werd bij de vergankelijkheid van 't schepsel, maar dat ik toch ook anderzijds herinnerd werd aan de onvergankelijkheid van Hem, die gister en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is. Ik dacht zoo: wat zijn de menschen toch klein en wat is God toch groot. Gelukkig, als de kleine mensch ook maar klein denkt van zichzelf en als hij het kleine maar klein mag laten. Maar ook gelukkig dat die kleine mensch nooit te groot kan denken van de grootheid van Gods rijke genade, die Hij in Christus, den Zoon Zijner eeuwige zondaarsliefde, geopenbaard en verheerlijkt heeft.
Ja, die Delftsche Nieuwe Kerk — om daar nog even op terug te komen — is een monumentaal gebouw, niet het minst om het grafmonument van Prins Willem van Oranje, den Vader des Vaderlands. Als ge dat schoone gedenkteeken gadeslaat, komt u onwillekeurig voor den geest de groote opofferende liefde die deze geloofsheld ons volk toedroeg. Die liefde heeft niet in woorden, maar in daden bestaan. Hij heeft haar ten slotte met zijn leven bezegeld, en behalve dat is het een bekend feit, dat hij ook en groot deel zijner bezittingen veil had voor de vrijmaking van ons toen zoo verdrukte volk. En te dien opzichte heeft hij ons zeker een voorbeeld nagelaten, dat alleszins navolging verdient. Ach, de menschen kunen tegenwoordig vaak zoo gemakkelijk praten over den grooten afval van ons diepgezonken volk. Maar als het er op aankomt om te trachten dat volk uit zijn ellende te verlossen en vooral als er dan een aanval op hun beurs wordt gedaan, dan zijn zij meestal niet thuis, dan blijken hun woorden wel vele, maar hun daden o zoo weinig te zijn. Gelukkig dat men er dan in onzen Bond nog anders over denkt en dat er telkens onder onze Bondsleden weer verschijnselen zijn die er op wijzen dat er nog iets van dien ouden geest van Prins Willem in hen over is. En nu gevoelt ge wel waar de penningmeester die Delftsche Nieuwe-Kerkbeurt voor wil gebruiken, nietwaar? Ja, alweer om wat los te maken. Daartoe heeft hij u het voorbeeld van Willem den Zwijger dan ook voorgehouden, opdat uw geweten aan 't spreken zou gaan en gij met het voorbeeld van dezen eminenten en doorluchten Oranjevorst voor oogen, u zelf eens zoudt afvragen of er nog een kleinigheid voor onze Fondsen op over kon schieten. Ach toe, een kleinigheid maar! Ik vraag dus niet het grootste deel van uw vermogen en veel minder uw leven. Ik zou alleen maar willen dat gij tusschen God en uw geweten de vraag eens beantwoordet: Wat doe ik nu om mijn volk weer terug te brengen tot dien God, met Wien de Vader des Vaderlands zulk een vast verbond had gemaakt? Misschien dat ik, vooral in deze dagen, wel weer veel over „de breuke" praat en er veel over klaag, maar wat heb ik nu gedaan en wat doe ik nu om die breuk te herstellen. Kijk, als deze vraag velen eens in de binnenkamer bracht, dan denk ik dat mijn laatje er niet slecht bij zou varen en dat de volgende week vast een vette zou zijn. Deze week dus zeker maar weer mager geweest, hoor ik u al zeggen. Nu, het had wel slechter gekund. Als ik eens denk wat ik Zaterdag, toen ik van huis ging, al had, dan ben ik er best mee tevreden. Ik begin met
B a r n e v e l d, waar ze wel wat laat, maar toch nog goed aan de Paaschklok hebben getrokken. Ik dacht, toen er in deze gemeente bij de intrede van ds. Batelaan geen collecte was gehouden, dat men het vast met Paschen zou doen. Maar nu blijken er redenen geweest te zijn van plaatselijken aard, die dat verhinderd hadden. Doch vergeten hadden zij 't heelemaal niet, hoor! Zaterdagmorgen toch, net voor ik afreisde, kwam er een postwissel van ds. Batelaan, zijnde het bedrag van de collecte die men op Zondag 9 Juni daar voor het Studiefonds gehouden had. En wat denkt ge: Een bedrag, waar de vette letters voor uit de kast moeten komen.
HONDERD VIJFTIEN GULDEN EN VIER EN VIJFTIG CENT (ƒ 115.54).

Vindt ge ook niet, dat de Barnevelders zich heelemaal niet behoeven te schamen voor het Paascheitje, dat ze mij misschien wat laat gezonden hebben? Ik geloof dan ook dat de „Barnevelders" een zekere vermaardheid bezitten. En die eer hebben zij ook dit maal willen handhaven. Maar verder .......... ja verder, als die Barneveldsche kip eens niet gelegd had, dan zou het deze week maar schraaltjes zijn geweest. Verder toch ontving ik uit
S c h i e d a m, van mej. J. de Groot een bedrag van ƒ 2.25 dat zij met een vriendin van haar bijeengespaard had voor het Studiefonds.
V o o r b u r g, van den heer J.E. Akkringa ƒ 1.— voor het Studiefonds, die men daar bij een beurt van ds. J. de Bruin van Rotterdam had gecollecteerd.
G e n e m u i d e n, van de Vereeniging voor In- en Uitw. Zending een bedrag van ƒ 25.50.
V e e n e n d a a l, een dankoffer van ƒ 2.50 voor ondervonden zegeningen dat men hier Zondag 9 Juni in de collecte gevonden had. Er was ook een rijksdaalder voor den G.Z.B. bij, dien ik naar Den Haag zal zenden. 
Maar hiermee ben ik dan ook al aan 't einde en kan dus eindigen met een woord van hartelijken dank voor een eindbedrag van
f 146.79
en met een vriendelijken groet uit de Prinsenstad.
Delft. De Penningmeester,
Ds. M. JONGEBREUR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's