De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

„DE WIND BLAAST WAARHEEN HIJ WIL"

16 minuten leestijd

»De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henengaat: alzóó is een iegelijk, die uit den Geest geboren is«. Joh. 3 vers 8.

In aanbidding roept de apostel Paulus uit: O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen (Rom. 11 vers 33). Wat gelukkig zijn die zielen, die met dezen apostel in aanbidding in den Heere en Zijne volmaaktheden eindigen, die het opgeven om des Heeren oordeelen en wegen te doorzoeken en na te speuren, die met Elihu uitroepen: God is groot, en wij begrijpen Hem niet. 
Het is een ongeluk van den mensch, dat hij nog als God wil zijn; dat is in den grond der zaak zich boven God wil stellen en den Heere ter verantwoording wil roepen en den zin des Heeren wil kennen. Genade is het, wanneer wij in het besef van onze onwetendheid uitroepen: „Wie heeft den zin des Heeren gekend?" „Wie heeft den Geest des Heeren bestierd en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen!'"
Wij zijn verduisterd van verstand; ja zoo verduisterd, dat wij het van nature niet eens weten dat wij verduisterd van verstand zijn, anders zouden wij met onze dwaasheid ophouden, ook met deze dwaasheid, om als God te willen zijn. Waar de Geest des Heeren werkt, daar maakt Hij den mensch aan zichzelf bekend en daarmede dan ook aan zijn dwaasheid.
Dan weten wij het niet meer. Daarom vroegen de mannen op het Pinksterfeest: „Wat zullen wij doen mannenbroeders?" Van te voren wisten zij het zoo wat zij doen moesten; maar toen niet meer. Zoo ging het ook den aoistel Paulus op den weg naar Damascus. Van te voren wist hij het ook zoo, wat hij doen moest. Hij meende den Heere welbehagelijk te zijn, door de gemeente Gods te vervolgen. Maar toen de Heere hem ontdekte, wist hij het niet meer en vroeg hij bevende: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?"
De joodsche Raad wist het ook zoo goed, maar toen een uit hen, Nicodemus, bij den Heere kwam, bleek het dat hij er ook niets van wist, zoodat de Heere tot hem zeide: Zijt gij een leeraar Israels en weet gij deze dingen niet? Hij wist niet, dat iemand wedergeboren moest worden om het Koninkrijk Gods te kunnen zien en ingaan. Hij had blijkbaar nooit van wedergeboorte gehoord.
De Heere wijst Nicodemus op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, maar toont hem tevens aan de wondere wijze, waarop de wedergeboorte plaats grijpt, door de wederbarende werking des Heiligen Geestes te vergelijken met den wind en zijne werking, met deze woorden:
»De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henengaat: alzóó is een iegelijk, die uit den Geest geboren is«. Joh. 3 vers 8.
Er zijn er, die meenen, dat het opeens in dien gedenkwaardigen nacht, waarin Nicodemus tot den Heere kwam, begon te waaien, en dat de Heere naar aanleiding van dien wind in de natuur begon te spreken over den wind des Geestes; evenals de Heere naar aanleiding van het natuurlijke brood ging spreken over het geestelijke brood (na de wondenbare spijziging Joh. 6), en naar aanleiding van het water uit de Jacobsbron te Sichem met de Samaritaansche vrouw begon te handelen over het levende water des Geestes (Joh. 4).
Het is zeer goed mogelijk, maar het staat niet vermeld. Wel is het duidelijk, dat in Gods Woord de Geest met den wind vergeleken wordt. In de grondtaal staat een woord, dat zoowel wind als geest beteekent. En in ons tekstwoord staat in het Grieksch voor „wind" en „Geest" hetzelfde woord, n.l. „pneuma". En op den Pinksterdag bij de uitstorting des Heiligen Geestes kwam de Geest onder de teekenen van een geweldigen gedreven wind, die het geheele huis, waar de discipelen zaten, vervulde, terwijl tevens van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, dat zat op een iegelijk van hen.
Wind, water en vuur; deze drie machtige elementen worden in de taal van Gods heilig Woord als beeld van den Heiligen Geest en Zijne werkingen gebruikt.
De Heere spreekt hier tot Nicodemus dan over den Geest als wind, gelijk in Gods Woord zoo dikwijls over den Geest als wind gesproken wordt. Wij herinneren slechts aan de Pinksterteekenen op 't Pinksterfeest, en aan wat wij zouden kunnen noemen de Pinksterbede van de bruidskerk in het Hooglied (4 vers 16): „Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind: doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien", en aan het gebod des Heeren tot den profeet Ezechiël (34 vers 9): „Profeteer tot den Geest, profeteer menschenkind, en zeg tot den Geest: Zóó zegt de Heere HEERE: Gij Geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden".
Wij hebben in de laatste jaren ook in ons land de groote, onwederstandelijke kracht van den wind ondervonden, als hij zich in een cycloon openbaarde. De sterkste gebouwen werden als kaartenhuisjes ingedrukt en dikke boomen als een riethalm afgeknapt. Zoo is de Geest ook onwederstandelijk. Wat onder de beademing des Geestes komt, moet vallen, wordt verbroken!
De wind komt soms zoo onverwacht met groote kracht, dan weer komt hij langzamerhand als het suizen eener zachte koelte. Zoo is ook de werking des Heiligen Geestes zoo verschillend naar Gods vrijmachtig welbehagen. Hij doet al wat Hem behaagt, ook met den wind des Geestes, als Hij dien uit zijne schatkameren uitlaat. De wind heeft zulk een reinigende kracht en in het bijzonder de Noordenwind, die daarom wel eens genoemd is „de bezem der aarde".
Zoo heeft de Geest ook zulk een reinigende kracht.
Zoo is er nog meer overeenkomst tusschen den wind en den Geest. De Heere wijst hier Nicodemus in 't bizonder op drie eigenschappen van den wind, die ook eigenschappen des Geestes zijn, n.l. de Geest is:
I. vrij in Zijn doen;
II. merkbaar in Zijne werkingen;
III. verborgen in Zijn begin en einde.

I. De wind blaast waarhenen hij wil. Daar is geen macht ter wereld om aan den wind richting te geven. Zoo is de Geest des Heeren volkomen vrij en wordt door niets buiten Hem bepaald. Dat zien wij zoo duidelijk ten opzichte van de personen, waarop de Geest blaast. Hij blaast niet op menschen om eenige waardigheid of verdienste, of iets dat in of aan den mensch is. Gelijk de Heere naar Zijn vrijmacht in het rijk der natuur den wind laat waaien waar Hij wil, zoo doet de Heere ook met Zijn Geest in het rijk der genade. „Hij ontfermt zich over welken Hij wil. Want het is niet desgenen die wil, noch desgenen, die loopt; maar des ontfermenden Gods". Hij raakt den eenen aan met den levenwekkenden adem des Geestes en den anderen gaat Hij voorbij.
Zoo is de Geest ook vrij wat betreft den tijd. Wat kan er in de natuur een tijd zijn van windstilte, en op een anderen tijd soms dagen achtereen van storm. De wind des Geestes heeft nooit zoo krachtig gewaaid als toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was. En zoo kunnen er tijden zijn in gemeenten dat er dorheid en doodschheid is, maar ook tijden van opgewekt geestelijk leven; en zoo is het ook ten opzichte van het leven van ieder kind Gods persoonlijk. Wat een verschil kan er zijn tusschen den eenen en den anderen tijd in het leven van een kind Gods. Soms was David door den Geest moedig en blij, dan weer vreesde hij en was moedeloos.
Maar in de derde plaats is de Geest zoo vrij in de keuze van de plaats. Het is er ook mede als met den wind in de natuur. Soms hooren wij, dat ergens op aarde stormen gewoed hebben, terwijl op andere plaatsen geen wind is gevoeld. Hoe zijn in ons land vóór enkele jaren plaatsen door den storm geteisterd en andere, soms dicht bij, geheel gespaard. De Heere doet met den wind als met den regen, zoodat Hij, gelijk Amos (4 vers 7) zegt, over de eene stad of stuk land doet regenen en over de andere niet. En dan is er geen plaats, waar de Heere niet kan komen. Hij blaast op een Manasse in den kerker, op een Obadja in het paleis, op een Elia op den berg, op een Zacheüs in den vijgeboom, op een moordenaar aan het kruis, op een Moorman op den wagen. Twee zullen naast elkander zitten in Gods huis, en de wind des Geestes raakt den een en den anderen niet. Met Paulus waren er meerderen op den weg, maar op Paulus blies de Geest; twee op een bed, de eene aangenomen en de andere niet.
Ondoorzoekelijk is het oordeel, waarmede de Heere den Geest laat waaien, wat betreft de personen, de tijden en de plaatsen; maar ook wat betreft de manier. Wat is er een verscheidenheid in de kracht ten opzichte van verschillende personen; maar ook ten opzichte van dezelfde personen. Nu eens is het „een sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen", en dan weer „het suizen van een zachte koelte". Paulus wordt bevende ter aarde geworpen, de stokbewaarder aan den rand van de wanhoop gebracht, terwijl bij Lydia zachtkens het hart wordt geopend, en Zacheüs door het vriendelijke woord van den Heere wordt gelokt. De een wordt, gelijk onze Vaderen 't wel eens uitdrukten, meer wettisch, en de andere meer Evangelisch geleid.

II. Merkbaar in Zijn werking. Gij hoort Zijn geluid. De wind is onzichtbaar in zijn wezen, maar zichtbaar in zijne werkingen. Men kan den wind zelf niet zien, maar wel zien en hooren en gevoelen dat het waait. En zoo is het ook met den Geest, die is ook wel onzichtbaar in Zijn wezen, maar niet in Zijn werken. Doch hier is groot gevaar van zich zelf en anderen te bedriegen. En dat zou niet zijn, als er niet verschillende geesten waren, zoodat het soms schijnt een waaiïng des Geestes te zijn, hoewel het niet anders is dan een werking des Satans. Daarom zegt de Heere: Beproeft de geesten of zij uit God zijn, en lezen wij ook in Paulus' brief aan de Efeziërs (4 vers 14) van een ,,omgevoerd worden door allerlei wind der leer". Er waaien zoovele winden. Van sommige is het gemakkelijk genoeg te zeggen dat het een verkeerde wind is, een wind niet uit God; maar van andere moeilijker. De Satan verandert zich soms in de gedaante van een Engel des lichts en ook tracht hij wel de blazingen des Heeren na te doen, evenzeer als dat hij zich van de woorden des Heeren bedient orn zielen te misleiden, zoodat zijn geluid soms voor het geluid van den wind des Geestes wordt aangehoord.
Daarom is groote voorzichtigheid geboden. Gelijk het aan sommige werkingen duidelijk is dat het niet een blazing des Heeren is, zoo kan men soms ook duidelijk aan de werkingen zien dat het wél van den Heere is. In het algemeen is de werking des Geestes tegen vleesch en bloed, tegen onze verdorvene natuur in. Er komen groote veranderingen. Wat vroeger een last was, wordt dan een lust en omgekeerd. Er komt overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel, waarover voorheen niet gedacht werd. Er komt onrust, vreeze, bekommernis over de eeuwigheid. Er komt honger en dorst naar de dingen die boven zijn. Er komen gebeden, smeekingen, worstelingen. Gelijk men in de natuur soms gaarne beschermd wil zijn tegen den wind, zoo wil ons verdorven bestaan nooit blootgesteld worden aan de waaiing des Geestes. Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch.
Zoo kan dus in de eerste plaats de ziel zelf hooren het geluid, maar ook anderen kunnen het bemerken of de Geest des Heeren op iemand gevallen is, n.l. aan de taal die zij spreken en de werken die zij doen.
Ieder gaat onder de beademing des Geestes een andere taal spreken. Men kan het soms spoedig hooren aan de taal of iemand een natuurlijk mensch is of niet. Evenals Petrus, maakt hun spraak hen openbaar. O zeker, er zijn er die de tale Kanaans nabootsen; maar dat neemt niet weg, dat die in Zion is geboren de tale Kanaans spreekt. En dat wordt door andere Zionisten gehoord, ja zelfs het kind der wereld, hoewel hij de tale Kanaans niet verstaat, hoort het ook dat er een andere taal door zulkeen gesproken wordt dan voorheen.
Maar vervolgens wordt het geluid ook gehoord (en niet minder duidelijk) uit de werken, die ze doen. En dat geluid door daden is nog zekerder dan door woorden. Daarom wees de Heere den discipelen op de woorden van de Farizeërs om die te doen, maar Hij waarschuwde tegen hunne daden. Waar de wind des Geestes waait, is leer en leven één. Al blijven natuurlijk de struikelingen niet uit, toch moet de genade in het leven in daden openbaar worden. Zij zijn een licht, schijnende op een berg, en het zout der aarde. Al hebben al de kinderen Gods, in Gods Woord beschreven, gezondigd, soms zwaarlijk gezondigd en in velen gestruikeld, toch zijn zij in handel en wandel van de kinderen der wereld onderscheiden.

III. Gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henengaat. Dat wil natuurlijk niet zeggen: gij weet niet of hij uit het Oosten of Westen komt, en of hij naar het Noorden of Zuiden waait. Dat wordt duidelijk genoeg bemerkt. Maar dit wil het zeggen: Gij weet niet waar zijn begin is, waar de wind een aanvang heeft genomen, en waar het einde zal zijn; waar die wind zal gaan liggen. Of de aanvang van den waaienden wind b.v. nog ligt binnen of buiten de grenzen van ons land.
En zoo is het ook met den wind des Geestes. De zielen, die er door bewerkt worden, weten ook aanvankelijk nog niet waar die verandering bij hen vandaan komt. Of zij haar begin heeft in het Koninkrijk Gods dan wel of zij komt uit het rijk des Satans. En zij weten ook niet waar hij henengaat, of het zal uitloopen tot verheerlijking Gods of niet. Zij weten niet terstond of het een zaligmakend werk is dan wel een algemeene of consciëntie-overtuiging. Dat is nog verborgen.
Ook weten zij soms niet wat de oorzaak of het middel geweest is waardoor dat werk is begonnen. Of zij weten niet vanwaar het komt dat zij door die predikatie getroffen zijn, terwijl toch al zooveel malen de bazuin een zeker geluid gegeven had; of waarom zij door dat gedeelte uit Gods Woord tot inkeer gekomen zijn, hetwelk zij toch al zoo dikwijls gelezen hadden; of hoe het komt dat zij door dat sterfgeval veranderd zijn, terwijl zij toch zoo veelen hadden zien sterven. Zij weten niet vanwaar het komt. Zij waren steeds dezelfde en de voorvallen waren ook dezelfde, zooals zij er al zoovele doorgemaakt hadden zonder indruk, en toen, op een zekeren keer, geschiedde het met indruk. Toen was het alsof de Nathans-pijl ,,Gij zijt die man" hen raakte. Hoe dikwijls hooren wij hen zeggen, als zij eenige overtuigingen, bewegingen, beroeringen of beloften hebben gehad: ,,Ik weet niet of het van den Heere of van den duivel is". 
En weten zij zelf soms niet vanwaar het komt en waar het henengaat, anderen weten het ook niet. De wereldling kan het hun niet zeggen, want die begrijpt in het geheel niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, maar ook de kinderen Gods kunnen het hun niet zeggen of het zaligmakend werk Gods is of niet, of het oprecht is of geveinsd, of het natuurlijke bewegingen zijn die uit het gemoed voortkomen of geestelijke, die van den hemel komen, en zoo weten die dan ook niet waar het op uit zal loopen. 
Gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henen gaat, dat wil niet zeggen: gij zult het nooit weten. Neen, ook dan gaat het in het geestelijke gelijk in het natuurlijke dat men het later wel te weten komt, n.l. door nader onderzoek. En wanneer het een zware storm geweest is, waarbij groote dingen gebeurd zijn, dan hooren wij wel eens: daar is hij zachtkens begonnen, daar nam hij in kracht en hevigheid toe, en daar werd hij minder hevig en daar is hij gaan liggen. Welnu, zoo wordt ook later verstaan in en door de uitwerking, of hij uit God is of niet, en of hij tot God gevoerd heeft of niet. Maar dat is zeker, als hij uit God is, dan keert hij tot God weder, en is hij uit het vleesch, dan keert hij tot het vleesch weder.
Onze vaderen waren daarom zoo voorzichtig in het beoordeelen van beroeringen, veranderingen, overtuigingen en in welken vorm en gestalten zich het werk kan openbaren. Daarom zeiden zij: Laat het eerst maar eens overwinteren en overzomeren, en Paulus waarschuwt den jeugdigen Timotheüs, die vanwege zijn jonkheid nog niet zooveel ervaring had: Leg niemand haastiglijk de handen op. (1 Tim. 5: 22). 
De Pinksterdagen zijn weer voorbij. Van velen is het gemakkelijk te zeggen, dat de wind des Geestes bij hen op het feest des Geestes niet gewaaid heeft, maar dat de wind des vleesches bij hen gestormd heeft. Want naar het vleesch stormt het onder hen zoo dikwijls, en meer dan ooit worden zij op Pinksteren als een blad rond gevoerd door den wind en de ijdelheden der wereld.
Anderen zijn misschien een oogenblik gevoelig, bewogen geweest, maar als een nevel is het door den wind weer weggevoerd en dan is het ook niet van den Heere geweest, tenzij diezelfde beweging nog eens of nog eens komt, totdat het een blijvende zaak is geworden; een opwekking uit de valsche gerustheid om niet te rusten, tot dat de ware ruste gevonden is.
Volk des Heeren! door den Geest aangeraakt, o! bedenk wel dat de Heere de vrije souvereine is in alles, en naar mate gij dat meer bedenkt zult gij den Heere meer eeren in Zijn goddelijke Souvereiniteit ook in de blazing des Geestes.
Maar is het dat er bij u zoo lang windstilte geweest is, o, weet dan dat de bede der bruidskerk den Heere welbehagelijk is, als zij roept: Ontwaak Noordenwind en kom gij Zuidenwind en doorwaai mijnen hof, opdat de specerijen uitvloeien.
Bij die rechte bede gaat het niet om eigen eer, opdat zij om de specerijen zouden verheerlijkt worden, maar om Hem, den hemelschen Hovenier, Wiens eigendom de hof is.
Als het zoo bij u gesteld is, dan is dat reeds door het waaien des Geestes in uwe ziel; dan is het de Geest, die dat gebed in uwe ziele heeft uitgestort. En zou de Heere om den Geest leeren bidden en Dien dan niet schenken? O, weet het wel: Indien gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de Vader, die in de hemelen is, den Heiligen Geest geven dengenen die Hem daarom bidden.
Alzóó is een iegelijk en alzóó gaat het met een iegelijk, die uit den Geest geboren is!
E.                                                                                                                                                              d. O.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's