De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (26)
,,Twee leeuwen op den weg!" riepen Vreesachtig en Wantrouwen — en haastig keerden zij om op den weg en vluchtten.
De H. Schrift zegt: „strijdt den goeden strijd des geloofs" of ook: „werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beving". De luiaard vlucht (Spr. 22 vers 13), maar Christen zegt: „Terugkeeren beteekent den dood. Voortgaan, al is het ook door een dal der schaduwen des doods, zal mij naar de glorie van het eeuwige leven voeren. Hoe het ook ga, ik moet verder, altijd verder!" Dat verder gaan is echter niet zoo gemakkelijk. Als de leeuw verslagen is, leggen de bijen er honig en de ziel wordt verkwikt, maar eer dat de leeuw verslagen is! Christen wil voort. Naar de Stad Verderf wil hij tot geen prijs terug. „Ik moet verder, ik moet verder, altijd verder", zegt hij.
Toen hij dit gezegd had, stapte hij moedig voorwaarts, maar de gedachte aan deze ontmoeting bracht Christen aan het denken en al peinzende greep hij in zijn mantel naar de rol, die hem zoo dikwijls vertroost had, maar hoe hij ook tastte, hij kon haar niet vinden. Een onuitsprekelijke droefheid vervulde nu zijn hart. Verloren? Het goddelijk geschenk verloren, dat hem tot zooveel troost geweest was op zijn weg door de woestijn? Verloren zijn reispas, zijn bewijs, waarop de hemelpoort voor zijn aarzelende voeten zou worden open gedaan? Diep bedroefd, ging hij aan den kant van den weg zitten, toen hij zich plotseling herinnerde, dat hij in de hut geslapen had. Hij viel op de knieën neer, smeekte God om vergeving voor zijn dwaasheid en keerde terug om zijn rol te zoeken.
Wie zal beschrijven, wat er op dien terugweg in 't beschaamde hart van Christen omging? Hij zuchtte en weende. Telkens brak hij uit in een droevig zelfverwijt. „Ach, dat ik zoo dwaas kon zijn! Dat ik de plaats, die mij tot rust gegeven werd, zóó kon misbruiken om er te slapen! Genade, o Heere! Genade! Vergeef mij!"
Aan alle kanten zochten zijn oogen. Nu eens hier, dan weer daar, maar hoe hij ook speurde, hij ontdekte niets.
Daar naderde hij al weer de hut, waar hij geslapen had, maar het zien van dit plekje deed hem beven. Al de zwaarte van zijn zonde voelde hij weer op zijn ziel wegen. „Ellendig mensch", riep hij uit, „dat ik zóó, op den vollen dag, door duizend gevaren omringd, heb kunnen slapen! dat ik zóó het vleesch heb gekoesterd, misbruikende tot gemak van het vleesch de rust, welke de Heere des heuvels alleen beschikt heeft tot verkwikking van de geestelijke pelgrims! Ik heb den zegen Gods omgezet in een vloek! Ik heb Gods genade verkeerd in een oordeel. Ik heb gedaan als het volk Israël in de woestijn: terwijl ik vroolijk naar het beloofde land mocht wandelen, moet ik nu op mijn afgelegde schreden terugkeeren. Hoe dicht had ik nu al bij de hemelpoort kunnen zijn! De avond valt zie, het wordt nacht. Waarom was ik zoo zwak? Waarom heeft mijn geest niet gewaakt en gebeden?"
Zoo sprekende en peinzende, kwam hij weer bij het Prieel, waar hij vermoeid en weenende neerviel. Maar toen hij bukte en rondkeek, zag hij — o vreugde en schaamte! — zijn rol op den grond liggen. Vlug raapte hij haar op; hij drukte haar aan zijn boezem en wie zal de vreugde beschrijven die op dat oogenblik zijn hart vervulde. Die rol was immers het onderpand van 't eeuwig, zalig leven, dat hem wachtte, het Koninklijk bewijs, waarop de hemelpoort voor zijn voeten zou opengaan.
Hij verborg de rol in zijn kleed, dicht tegen zijn boezem aan, met dankzegging aan God, die zijn oogen gericht had op de plaats, waar zij lag en hij begaf zich weer met blijdschap en tranen op reis.
Zoo ging hij verder. Maar hoe hard hij ook liep, hij kon de schade niet meer inhalen. De zon daalde reeds aan de kimme en 't was nacht toen hij den bergtop weer bereikte. Dit bracht hem de ellende van zijn slaap weer in gedachten en deed hem dien aldus betreuren: „O zondige, schuldige slaap! Door u moet ik het zonlicht missen! Door u ligt duisternis als een strik over mijn pad en hoor ik in de verte het huilen van verscheurende dieren".
Toen dacht Christen aan het verhaal van de wilde leeuwen, waarvan Vreesachtig en Wantrouwen hem verteld hadden en hij zuchtte: „in den nacht gaan ze uit om hun prooi te zoeken. Ik zal ze zeker op mijn weg ontmoeten en hoe zal ik dan aan hun greep ontkomen?"
Zóó ging Christen verder, terwijl zijn hart angstig klopte. Waarschijnlijk zou de moed hem hebben begeven, als hij niet op dat oogenblik, door de donkere boomen, het vriendelijk licht van een huis had zien schijnen. Schoorvoetend ging hij op 't licht af en toen hij voor het huis stond, zag hij, dat in den gevel geschreven stond het huis Lieflijk. Daar spoedde Christen zich heen, om in dit huis den nacht door te brengen. Echter zag hij nu die leeuwen, twee groote leeuwen, waarvan Vreesachtig en Wantrouwen gesproken hadden. Ze lagen op eenigen afstand van de portierswoning en hij vreesde zeer.
Wèl lagen de leeuwen geketend, maar Christen kon niet zien, dat zij gebonden waren en hij werd bang en beraamde plannen om te vluchten. Maar de portier, wiens naam Waakzaam was, zag hem aanstalten maken om terug te keeren en riep: „is uw kracht werkelijk zóó klein? Vrees niet! Deze leeuwen zijn geketend. Zij liggen op den weg om het geloof te beproeven waar het werkelijk aanwezig is en om het te ontmaskeren, waar het slechts wordt voorgewend. Houd het midden van dezen weg, dan hebt gij niets te vreezen".
Zoo ging Christen al bevende en vreezende verder; maar hij hield zich aan den raad van den portier, zoodat hij het vervaarlijk gebrul van de leeuwen naast zich wel hoorde, maar hun klauwen raakten hem niet aan.
Toen Christen het gevaar te boven was gekomen, klapte hij in de handen van dankbare vreugde. Hij ging de portierswoning binnen en vroeg: „Mijnheer, aan wien behoort dit schoone huis en zou ik hier den nacht mogen doorbrengen?"
De portier antwoordde: „De Heer van den heuvel liet dit huis bouwen voor de veiligheid en het gemak van de reizigers. Maar waar komt gij vandaan en hoe is uw naam?"
Christen antwoordde: „ik kom van de Stad Verderf en ben op weg naar den berg Sion; maar de zon is ondergegaan en nu zou ik graag hier den nacht willen doorbrengen".
,,Hoe is uw naam?" vroeg de portier.
„Ik heet tegenwoordig „Christen", maar vroeger heette ik „Genadeloos". In ben uit het geslacht van Jafeth, aan wien God beloofd heeft hem in de tent van Sem te doen wonen". (Gen. 9 vers 27).
„Maar hoe komt het, dat gij hier zoo laat zijt aangekomen? De avond is reeds gedaald".
Toen moest Christen van zijn ervaringen op den weg vertellen en zijn zonde en nalatigheid opbiechten en hij zei dan ook eerlijk en oprecht: „ik zou wel vroeger gekomen zijn, maar ik heb helaas! uren lang liggen slapen in de hut, halverwege den heuvel. En dat niet alleen, maar slapende heb ik mijn rol verloren. Toen moest ik terug op den weg, naar de plek van het onheil en daar heb ik gelukkig de rol weer gevonden. En zóó sta ik nu voor u in den laten avond.
De portier liet hem nu binnen en daar heeft Christen heel wat doorgemaakt, in nadere ontdekkingen aan zijn zondig en dwaalziek hart, maar ook in nadere bevestiging van Gods beloften in Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's