STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Nog eens: de Ontwapening.
Zooals men weet, is de eenzijdige, nationale ontwapening de leus, waarvoor de Vrijzinnig Democraten en de Sociaal Democraten de stemmen der kiezers hopen te verkrijgen. De voorstanders van ontwapening wijzen op de gruwelen van den oorlog, op de gifgassen en op de springstoffen; zij vestigen de aandacht op de vernietiging van de eigendommen der burgers; zij zeggen, dat de oorlog een ramp is.
Alles volkomen waar!!!
Doch zij blijven met al hunne redeneeringen in gebreke om aan te toonen, dat, wanneer Nederland zich zal ontwapenen, het ook buiten den oorlog zal blijven. Op die verzekering komt het aan. Brengt ontwapening veiligheid? Juist het tegenovergestelde. Want bij ontwapening wordt het gevaar grooter om in den oorlog te worden betrokken. De grenzen des lands staan dan open om Nederland tot operatieterrein te maken voor de vijandelijke legers.
De oud-leider der Sociaal Democratische Arbeiderspartij, mr. Troelstra, schrijft in zijn standaardwerk: „De wereldoorlog en de revolutie" — wij wezen daarop reeds vroeger — „dat het onverdedigd zijn van Nederland de vijandelijke legers dwingt Nederland als oorlogsterrein te gebruiken".
Duidelijker dan mr. Troelstra het hier uitspreekt, kan het niet gezegd worden: Ontwapening voert Nederland in den oorlog. Een verwijzing naar Denemarken, waar tot ontwapening zou worden besloten, gaat natuurlijk niet op, wijl dat land buiten het centrum van Europa is gelegen, terwijl Nederland in het midden van dit werelddeel ligt, omringd door Duitschland, Engeland, België en Frankrijk. De positie van ons land is dus een gansch andere als die van het Scandinavische Rijk.
Geen enkel Sociaal Democraat in een van de genoemde vier landen denkt dan ook aan eenzijdige, nationale ontwapening. Nederland dankt het naast God aan de voortvarendheid van het Kabinet-Heemskerk, dat onze weermacht reorganiseerde en aan zijn leger en zijn vloot, dat het in het jaar 1914 voor den wereldoorlog bewaard bleef.
Het zou een misdaad zijn, wanneer Nederland tot de eenzijdige, nationale ontwapening overging. Deed ons land dit, dan zou het bij het uitbreken van een nieuwen oorlog eerst de ellende in haren vollen omvang ondervinden, dan zou dood en verderf onder ons volk worden gebracht, de eigendommen der burgers worden vernietigd en Nederland tot één groot kerkhof worden gemaakt. Ontwapening is een leus, waarmede aan den waan van den dag wordt geofferd. Zij is een leus, die door onverantwoordelijke menschen gemakkelijk kan worden gepropageerd. Zij, die echter hunne verantwoordelijkheid voor God en voor ons volk gevoelen, doen aan dit spel niet mede. Wat te Curacao gebeurde, moet ten deze voor een ieder een baken in zee zijn.
Het beginsel voorop.
't Kan er bij den verkiezingsstrijd soms vreemd naar toe gaan. Onlangs schreven de predikanten ds. Bartlema, ds. Van den Berg en ds. Jongebreur een artikel in „De Antirevolutionaire Stem", het officieel verkiezingsblad van het Provinciaal Comité van Antirevolutionaire Kiesvereenigingen in de Provincie Utrecht, onder het opschrift: „Hervormd en daarom Antirevolutionair". Wij zouden zoo zeggen, een alleszins juist opschrift, want de Hervormden staan toch altijd nog op den bodem van de belijdenisschriften der vaderen, en het zijn die belijdenisschriften, die correspondeeren op de beginselen, waaruit de Antirevolutionaire Partij leeft, d.i. de Calvinistische levensrichting. Daarom moet elk Hervormde, die de eeuwige beginselen, in Gods Woord geopenbaard, belijdt, zich scharen onder het Antirevolutionaire vaandel.
Maar zoo denken de Christelijk Historischen er blijkbaar niet over, althans „De Nederlander" deelt in zijn nummer van 15 juni mede, dat de Christelijk Historische Unie zich aan 't bovengenoemde opschrift, door de drie predikanten gebruikt, heeft geërgerd.
Van die ergernis geeft het blad echter geen blijk, wanneer een voorman der Unie, de heer Krijger, notabene administrateur van het Christelijk Historisch blad en lid van de Tweede Kamer, avond aan avond in de openbare vergaderingen de enormiteit verkondigt: „In feite rust de Christelijk Historische Partij op de Hervormde Kerk, zooals de Antirevolutionaire Partij rust op de Gereformeerde Kerk".
Dit vinden de Christelijk Historischen zeker goed?
Onze lezers voelen onmiddellijk het onderscheid tusschen wat ds. Bartlema c.s. op het oog hebben en wat de heer Krijger opmerkt. Bij den laatste is het een dooreenmengen van den Staat met de Kerk, terwijl de drie predikanten het beginsel poneeren. Natuurlijk is wat de heer Krijger beweert, volkomen onjuist. Zulk een bewering moge voor de kiezersvangst profijtelijk zijn, doch zij werkt verwarrend op de keuze, welke op 3 juli moet worden gedaan. Want het gaat bij de stembus niet over de Kerk, maar over de vraag: naar welke beginselen op het Staatkundig erf moet worden geleefd.
Dr. de Visser, de Christelijk Historische Staatsman, acht samengaan tusschen Antirevolutionairen en Christelijk Historischen mogelijk, zoo de eersten zich maar niet op het Calvinistische pad bewegen. Daarin, in het al of niet belijden van het Calvinistisch levensbeginsel in de Staatkunde, ligt het onderscheid tusschen de beide Staatkundige groepen.
Met de Kerk heeft dit niets te maken. Zoo en niet anders bedoelen het de drie Gereformeerde predikanten.
En dit onderscheid treedt duidelijk naar voren, als men overweegt dat de Christelijk Historischen tegenstanders zijn van de wederinvoering van de doodstraf, voorstanders zijn van den stemdwang, en op het stuk van de Zondagsviering, de positie der vrouw en dergelijke, een andere meening hebben dan de Antirevolutionairen. Uit dien hoofde kunnen wij volkomen onderschrijven het opschrift, dat de drie predikanten voor hun artikel kozen: „Hervormd en daarom Antirevolutionair".
De Calvinistische lijn verlaten.
Van verschillende zijden verzoekt men ons het bekende citaat uit Calvijn's werken, waarin de Geneefsche Hervormer zich uitspreekt over de beginselen der Roomschen in tegenstelling van die der Libertijnen, nog eens in „De Waarheidsvriend" te laten afdrukken. De lezers van ons blad, die het verzoek deden, waren van oordeel dat het nuttig kan zijn, duidelijk te doen uitkomen, dat Staatkundig Gereformeerden, die liever een Kabinet zien optreden van mannen, die voor het staatkundige leven de eeuwige beginselen, die in Gods Woord zijn geopenbaard, verwerpen, dan een rechtsch Ministerie, dat voor de christelijke levensrichting opkomt, van de Calvinistische lijn zijn afgeweken. Immers Calvijn zou ongetwijfeld, voor de keuze gesteld van saamwerking met Roomschen of met Libertijnen, aan de eersten de voorkeur hebben gegeven.
Dit blijkt duidelijk uit het gevraagde cilaat, dat luidt:
»Het zou wat fraais zijn, dat ik den Paus en zijn genooten en dienaren naar vermogen aanviel (wat ik wel moet doen, omdat ik de Kerk niet kan sterken, zonder het zwaard te kruisen met wie haar ondermijnen) en dat ik inmiddels hen door de vingers zag, die nog veel verderfelijker vijanden Gods zijn, en Zijn Waarheid nog zooveel krasser aanranden. Neen, dan laat de Paus tenminste nog eenige gestalte der religie staan; hij vernietigt het geloof aan een eeuwig leven niet: hij leert, dat God te vreezen zij; hij stelt op eenige wijze het onderscheid vast tusschen goed en kwaad; hij erkent Christus waarachtig God en mensch te zijn; en eert ten deele de autoriteit van Gods Woord. Maar die anderen stellen zich aan, als wilden ze den hemel naar de aarde neertrekken; alle godsvrucht vernietigen; alle hoogere aandrift in den mensch uitblusschen; en de consciëntie in slaap wiegen; tot er ten leste geen verschil hoegenaamd meer over bleef tusschen mensch en dier«.
Aan deze woorden van Calvijn hebben wij niets meer toe te voegen.
Een protest.
Het behoort tot de bekende tactiek van sommige voormannen in de Chr. Historisctie Unie om vlak voor de verkiezingen de Hervormden te waarschuwen om toch in geen enkel geval Antirevolutionair te stemmen, omdat deze partij voor de belangen van de Hervormde Kerk een gevaar oplevert. Wij hadden gehoopt, dat ditmaal een dergelijke onwaardige bestrijding van de Antirevolutionaire Partij zou achterwege blijven. Doch daarin zijn wij teleurgesteld. Het orgaan van de Unie, dat voor Gelderland, Overijssel en Utrecht, „Koningin en Vaderland", heeft het anders beschikt.
Met het vrome praatje, dat men ongaarne de Kerk in de politiek betrekt, wijdt een zekere heer P.H. Cremer, een voor ons onbekende grootheid uit Groningen, niet minder dan twee kolommen in dat blad aan het onderwerp: „De Nederlandsche Hervormde Kerk en de komende verkiezingen"
Natuurlijk worden in dat artikel de Chr. Historischen als de ware vrienden van de Hervormde Kerk tentoongesteld en hoogelijk geprezen. In hoeverre deze mannen tot den bloei der Hervormde Kerk willen medewerken door het handhaven der belijdenis en het opgaan onder een Gereformeerde preditóng, daarop wordt niet ingegaan, want zoo iets zou de kiezersvangst maar kunnen bemoeilijken. Genoeg is het, te weten, dat de Chr. Historischen voor de belangen der Hervormde Kerk opkomen. Dat de Antirevolutionairen dit niet doen, poogt de heer Cremer in zijn artikel, ter meerdere glorie van de Chr. Historischen, duidelijk te maken.
Maar, om wat hij schrijft waar te maken, moet hij zich van de infame leugen bedienen, dat het in de bedoeling van art. 20 van het A.R. Program van Beginselen zou liggen, dat bij de financiëele afrekening tusschen den Staat en de Kerk het Rijk zou ophouden met een deel der tractementen van de Hervormde predikanten uit te betalen". Deze zienswijze was eertijds wel de leider der Chr. Historischen, mr. de Savornin Lohman toegedaan. Maar het is een pertinente onwaarheid, dat de Antirevolutionairen op dit standpunt staan. Dit weten de Christelijk Historischen zélf ook wel zeer goed. Zij weten, dat in de toelichting op het Program van Actie der A.R. Partij voor de stembus van 1922 duidelijk geschreven stond:
Er zijn blijkens de ervaring onder onze politieke tegenstanders somtijds personen, wier bedrevenheid in de kunst van lezen te wenschen overlaat; die er somwijlen zelfs in slagen om uit het geschreven woord het tegenovergestelde te halen (zie artikel van den heer Cremer) van wat er werkelijk in staat. Daarom schijnt een nadere aanduiding van wat wij beoogen met het eerste punt van deze paragraaf (inhoud van art. 20 van het A.R. Program) allicht niet overbodig.
Laten we eerst zeggen, wat er niet mee beoogd wordt. Er mag niet in worden gezien een aanslag op bestaande rechten. (Laat de heer Cremer hiervan acte nemen). Juist op dit terrein is nauwgezetheid ten opzichte van erkenning van verkregen rechten eisch van allereerste orde en de A.R. Partij heeft altijd de losmaking van den financiëelen band tusschen de Kerken en den Staat gewild met volledige erkenning van historisch verkregen rechten.
Hier wordt iets anders gezegd, dan wat de heer Cremer den Hervormden kiezers wil diets maken, dat het in de bedoeling der Antirevolutionairen zou liggen: „dat het Rijk zou ophouden met een deel der tractementen van de Hervormde predikanten uit te betalen".
Dit is gewoonweg laster.
Wij hebben met ons protest tegen het schrijven van den heer Cremer even gewacht, opdat de drie Kamerleden, medewerkers van „Koningin en Vaderland", de heer Snoeck Henkemans, mej. mr. Frida Katz en de heer Weitkamp, gelegenheid tot tegenspraak zouden hebben. Dat deze tegenspraak uitbleef, betreuren wij in niet geringe mate.
Een politieke zet.
Wat ds. Kersten alom den volke bekend maakt als een „geloofsdaad", noemt prof. dr. H. Visscher in een gepubliceerden brief aan „De Banier", het lijfblad van de mannen der Staatkundig Gereformeerde Partij, „volstrekt niet een geloofsdaad", maar „een fijne, zeer geslepen, politieke zet, die getuigt van een fijnen politieken neus".
Scherper en duidelijker kan het niet gezegd worden.
Het karakter van een „geloofsdaad" is niet om er mee te koop te loopen en er zich op te beroemen. „Reeds het feit, geachte Redactie van „De Banier", dat gij nu nog, zeker niet zonder politieke bijbedoeling, uw best doet die politieke handeling aan eenvoudige menschen voor te stellen als een schoone uiting en openbaring van geloof, wijst duidelijk uit, dat die daad met het ware geloofsleven uiterst weinig te maken heeft". Een geloofsdaad houdt zich verre van „handigheden en slimmigheidjes".
De kwestie van het gezantschap bij den pauselijken stoel was reeds eerder eenige malen aan de orde geweest. De heer Snoeck Henkemans — aldus prof. Visscher — zeide 9 Dec. 1924, dat de Chr. Historische fractie geen voorstel nu zou doen tot afschaffing, omdat de Kamer eenige maanden vroeger een daartoe strekkend voorstel verworpen had. Waarom heeft ds. Kersten toen 't voorstel niet gedaan? Dan was 't een geloofsdaad geweest. Maar hij deed het niet, omdat hij de stemmen geteld had en wist, dat hij het verliezen zou. Dat geloof kwam, zoodra hij op zijn vingers kon uittellen, dat de Kamer in de wonderlijkste combinatie van rechts en links rijp was een dergelijk voorstel te aanvaarden. Ds. Kersten ging rond in de Kamer en ging eens „ruiken" aan die zijde der Kamer, waarvan die stemmen komen moesten. „En zoodra hij zich vergewist had van de daar heerschende mentaliteit, haastte hij zich zijn voorstel in te dienen. Vroeger liet hij dit aan anderen over, maar ditmaal was het zijn tijd".
Aldus prof. Visscher. En hij vraagt: „Welnu, was dit een geloofsdaad of politieke geslepenheid?" Prof. Visscher besluit zijn „Open Brief" met deze behartigenswaardige verstandige woorden: „Natuurlijk heeft de A.R. Partij ook niet alles goed gedaan en zal niemand er mij van verdenken, dat ik met al wat zij deed, heb ingestemd, en met al wat in haar naam gezegd wordt, instem. Maar ik ben dan ook van oordeel, dat wij in de politieke actie te doen hebben met werk van menschen, dat dus gebrekkig en met zonde bevlekt is. Op grond van Gods Woord geloof ik, dat het beter is elkander te zoeken dan de verdeeldheid hoe langer hoe grooter te maken. Maar in geen geval kan ik er mij mede vereenigen daden van zuiver politieke berekening, uit reclamezucht, voor te stellen als daden des geloofs".
Een duistere achtergrond.
Aan de drukkerij van ons blad werd door middel van den boekhandel J. Amesz Jr., 1e Pijnackerstraat 55, Rotterdam, een verkiezings-advertentie ter aanbeveling van de candidatuur ds. G.H. Kersten aangeboden. De advertentie had een wonderlijken, schunnigen, gefantaseerden inhoud om den A.R. candidaat af te breken en was onderteekend door „eenige leden der Ned. Herv. Kerk", zonder namen te noemen. Wij willen hier even verklaren, dat wij met dergelijke practijken, met een zoo duisteren achtergrond, niets te maken willen hebben. Te meer niet, waar wij van dien zelfden ds. Kersten-kant telkens ook ongeteekende brieven krijgen, vol wartaal en vol behendig dooreengevlochten waarheden en leugens. Wat heeft die partij in deze verkiezingscampagne een droevig duisteren achtergrond. Men lastert maar raak, met name ten opzichte van de A.R. Partij. De scherpste pijlen zijn niet scherp genoeg. En intusschen speelt men zelf de mooie mijnheer.
Overal vertelt ds. Kersten van zijn „geloofsdaad" inzake het gezantschap van den paus en spreekt er over als „een wonder van den hemel" en „een daad van den Heere, den Almachtige". Maar prof. Visscher heeft in een open brief aan de redactie van „De Banier" dit gure zaakje zóó uiteengerafeld, dat er geen woord meer over behoeft gezegd te worden.
Met den politieken slimmeling Marchant en den sociaal democraat Albarda is dit zaakje mooi geleverd en den volgenden dag ging mr. Marchant naar den heer Nolens en presenteerde hem een nieuwen gezant bij den Paus; hij wilde er zelfs wel twee geven! Intusschen was het "Ministerie-Colijn weggejaagd.
En daar leenen zich dan mannen voor, die den vromen Piet uithangen en zelf nog niet 't minst gepresteerd hebben.
Mannen als Idenburg en Colijn, die èn in Indië èn in Nederland zich voorbeeldig hebben geopenbaard als christen-Staatslieden eerste klas, om uit liefde tot God en Zijn Woord alles te doen wat in hun vermogen was om daarin Indië en Nederland te dienen, worden met de grootste minachting en onder de sterkste veroordeelingen nu aan het eenvoudige volk voorgesteld als christenen van den kouden grond en als staatslieden van het slechtste allooi; wat dan door mannen geschiedt, die niets anders doen dan blaffen als een hond tegen de maan.
Alles, alles wat door de A.R. Partij gedaan is om de christelijke grondslagen van ons volksleven te beschermen en te bewaren, wordt genegeerd, doodgezwegen, of, erger nog, met gedrochtelijke redeneeringen den volke voorgesteld als minderwaardig. En zóó gaat men voort ons christenvolk zand in de oogen te strooien en verdeeldheid te zaaien.
Wat heeft een man als ds. Zandt met name nu al die jaren uitgevoerd? Niets, letterlijk niets. En wat nu rondgezonden wordt aan de kiezers, met ophef vermeldend dat hij gesproken heeft over de Zondagsheiliging, is een zwak, armelijk naapen van hetgeen door onze A.R. Kamerleden en door onze A.R. organisaties jaren en jaren is betoogd en nagejaagd.
Maar wat de A.R. gedaan hebben wordt verzwegen en het wordt den volke voorgesteld, dat de Staatkundig Gereformeerde Partij met één hand-omdraaien alles zou willen en kunnen recht zetten!
Natuurlijk kunnen zij, zoolang ze geen verantwoordelijkheid dragen en niet tot de regeering geroepen zijn, met groote woorden schermen, maar dat is geen kunst. En ze zijn niet zóó onnoozel, dat zij zeer wel weten, dat ook zij, wanneer zij tot de regeering geroepen werden, met anderen zouden moeten samenwerken.
Dat weten ze. Maar dat zeggen ze niet. Zonder samenwerking met anderen kunnen wij niet, kunnen ook zij niet.
En hun samenwerking in den nacht van 10—11 Nov. 1925 met liberalisten en socialisten om een man als Colijn te doen vallen — een man van wereldreputatie, van wereldberoemdheid èn een stoere christen-Staatsman — blijft voor ons een baken in zee.
Mannen die zóó handelen en het dan den volke vromelijk voorstellen dat dit een „geloofsdaad" geweest is (vol van berekening) en een „wonder van den hemel" (heelemaal door den mensch klaargemaakt) zijn voor de regeering van ons volk totaal ongeschikt en bij het christenvolk van Nederland, dat van het politieke leven eenig verstand heeft, niet begeerd.
Met één lucifer kan een klein kind een grooten hooiberg in brand zetten. Met één steen kan een straatjongen een tram uit de rails wippen. Maar van zulke groote heldendaden kan ons volk niet leven! Wij moeten mannen hebben, die de werkelijkheid van het leven kennen en doorzien, om dan als stoere christen-Staatsmannen ons Volk en Vorstenhuis in trouwe te dienen. Daarom hopen wij van harte, dat door dat ongemotiveerde ageeren van de Staatkundig Gereformeerde Partij aan ons Volk en Vaderland geen droeve rampen op het terrein van het staatkundig leven bereid zullen worden.
Wij stemmen dan ook, 't vaandel trouw, Woensdag 3 Juli de Antirevolutionaire Lijst No. 5, om naast en met mannen als Colijn, Heemskerk, de Wilde, enz., óók onze Hervormde candidaten Beumer, Duymaer van Twist, prof. Visscher en dr. Severijn in de Kamer te krijgen. Mee door den uitslag van deze verkiezing zal bepaald worden hoe straks de samenstelling van het Ministerie zal zijn; en dat is weer van de grootste beteekenis voor de richting, waarin het bestuur en de regeering van ons land en volk zal worden geleid. Groote dingen staan op 't spel. De allergrootste dingen zijn in 't geding voor héél ons volk, voor héél ons Vaderland. Daarom past het ons niet om ons door kleine dingen uit de richting te laten slaan! Man en vrouw bedenke dat. Om ook deze dingen te dragen op de vleugelen des gebeds en met gebed te werken het werk, dat God nu ook mee aan ons te doen geeft!
Hervormd en Antirevolutionair
Dat hoort bij elkaar. Die goed Hervormd is, is ook Antirevolutionair. Wij herinneren even aan het woord van ds. J.J. Knap, Ned. Herv. pred. te Groningen. Die schreef enkele jaren terug:
»Men zal u meermalen zeggen, dat een lid der Hervormde Kerk niet bij de Antirevolutionairen behoort. Weerleg, vermaan, onderricht! Wat mij aangaat, ik ben met vele partijgenooten Hervormd. Maar dit wil ik toch openlijk uitspreken: ik zegen het oogenblik, dat ik mij publiekelijk onder het Antirevolutionaire vaandel geschaard heb; omdat juist deze groep zoo kloek opkomt voor de heerschappij der heilige ordinantiën in het menschelijk leven en daarmede voor de eer onzes Gods«.
Ontzettend.
Rusland laat ons zien, waar het tenslotte heengaat. Het huwelijk is daar afgeschaft. Man en vrouw wonen, zoo lang of zoo kort zij willen, samen. Om het bewijs van den burgerlijken stand, gelijk het in een geordend volksleven gewoonte is, wordt gelachen. Met kerkelijke huwelijksinzegening wordt gespot.
En de kinderen die geboren worden, moeten van „vader" en „moeder" losgemaakt worden, want dat kind heeft niet om z'n geboorte gevraagd en geen man of vrouw hebben recht zich „ouders" te noemen van dat kind; dat kind heeft recht op „de vrijheid" en zal van Staatswege worden opgevoed en onderwezen; naar Staatsmodel, dat geldt voor allen! Dat is in het belang der menschheid, dat het huwelijk opgedoekt wordt.
Daar zit het beginsel achter: „geen God en geen meester".
Gelijk achter alles wat men daar propageert. Men wil ontwapening, om de hand vrij te krijgen tot onderdrukking van alle natiën; om vrij den revolutionairen oorlog te kunnen voeren en de volkeren te vergiftigen.
Wat men bedoelt, is uitgekomen op een vergadering in Moskou, waar een congres van „godsdienstloozen" is gehouden. Uit Rusland, Engeland, Duitschland, Oostenrijk, Zweden, enz., waren afgevaardigden. Een der communistische sprekers zeide, dat niet alleen het zwaard, maar ook het Kruis uit de geheele wereld moet worden verbannen! Ontzettend!
Dat zit achter de „vredesbeweging" der communisten: het Kruis moet weg. God is dood. Godsdienst is opium voor het volk. Dood aan Christus, die de grootste bedrieger genoemd wordt! We zullen eindelijk haten .......... zingt men.
Waar 't om gaat.
De A.R. Partij wil de ontkerstening der natie tegengaan;
het gezag in Indië en in Nederland handhaven;
het huwelijksrecht ongeschonden laten; het gezinsleven beveiligen; de sociale gerechtigheid oefenen; onze nationale zelfstandigheid bewaren; de volkswelvaart bevorderen.
De A.R. Partij doet geen beloften, die onmogelijk vervuld kunnen worden;
heft geen leuzen aan, die onwaarachtig zijn;
geestelijke en stoffelijke belangen wil zij bevorderen;
geen Staatspensioen, als aalmoes, wil zij den werkman geven;
verzorging in den weg der gerechtigheid bevordert zij;
strikte zuinigheid verlangt zij; vermindering van belastingdruk staat zij voor;
gelijk recht op het terrein van het onderwijs;
internationale rechtspraak en geen eenzijdige ontwapening;
en in alles: „tegen de Revolutie het Evangelie";
,,steunend op den Bijbel, verdedigend de vrijheid".
Eendracht maakt macht.
O Neêrland! soo ghy maer en bout
Op God den Heer altijdt,
Uw pylen vast gebonden hout
End' 't saem eendrachtig syt.
So kan U Duijvel, Hel noch Doot
Niet krencken noch vertreên.
Al waar oock Spanjen noch soo groot,
Jae 's waerelts machten één.
Zij zullen het niet hebben.
Ons oude Nederland;
Het bleef bij alle ellenden,
Gods en der Vaad'ren pand.
Zij zullen het niet hebben,
De goden van den tijd,
Niet om hun erf te wezen
Heeft God het ons bevrijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's