MEDITATIE
Een dringende noodiging
Keert weder, gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God. Jeremia 3 vers 22.
Welk wonderlijk woord is het toch, dat de profeet Jesaja uitroept tot bemoediging en vertroosting van het Sion des Heeren: Hij zal ingaan in den vrede, zij zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die in oprechtheid gewandeld heeft. Gods Woord is vol met beloften, doch alleen voor de Kerk des Heeren. Hier dit woord: Zij zullen ingaan. Hier wonen zij uit van den Heere, doch eens zullen zij ingaan in de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. Zij zullen ingaan in vrede.
Welk een onderscheid tusschen hier en ginds. Hier verkeeren ze in het Mesech van ellende en hier wordt het ondervonden dat moeite en verdriet het uitnemendste van een menschenleven is. Hier is vaak tranenbrood hun deel, zoodat zij klagen over verberging van des Heeren aangezicht en dat ze den vrede der ziel missen, doch dan zullen zij rusten op hunne slaapsteden.
De stem des drijvers zullen zij niet meer hooren. Zij zullen rusten van al hunne vermoeienissen, gelijk een slapende rust. Zij, wien dit groot voorrecht te beurt valt, worden beschreven als oprechten van hart. Een iegelijk die in oprechtheid gewandeld heeft.
Welk voorrecht als hier zulk een wandel gevonden wordt. Niet in volmaaktheid. Want hier wordt in het leven slechts een klein beginsel van die gehoorzaamheid verkregen. Hier wordt telkenmale de klaagtoon van Paulus aangeheven: Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Als gij geen vreemdeling zijt aan de dingen van Gods Koninkrijk, dan weet ge aan welke wisselingen Gods Kerk hier op aarde onderhevig is, want dan zijn ze in een toestand dat ze juichen en zingen kunnen, dan is het: hoe zal ik een lied des Heeren zingen in een vreemd land? Neen, het is geen volk dat rechtvaardig is in zichzelve, doch het zijn dezulken die vrijgesproken zijn van schuld en straf, die in Christus het recht op het eeuwige leven ontvangen hebben. Het zijn dezulken, die verstaan wat de dichter zegt:
„Welzalig is de mensch, wien 't mag gebeuren
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren".
Hoe bemoedigend voor allen, die in oprechtheid den Heere dienen. Want al is 't dat de ziel uitroept: het is verloren, wie verwaardigd wordt met het koord om den hals tot Israels Koning de toevlucht te nemen, zal het ondervinden dat op het schavot des Heeren genade bewezen wordt en dat het woord zal bewaarheid worden: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. Hoe wordt dit in vervulling gebracht in het woord, dat wij ontleenen aan den profeet Jeremia. We vinden hierin opgeteekend:
1. Een dringende noodiging;
2. Een rijke belofte;
3. Een treffend antwoord.
Welk een bemoeienissen waren het toch die de Heere met het volk Israël gehouden heeft. Uit Egypte waren ze bevrijd geworden. Een weg door de woestijn waren ze gegaan, die van voetstap tot voetstap getuigde vanwege hun afmakingen en murmureeren, doch aan de andere zijde van de weldadigheid en trouw des Heeren. En straks in Kanaän gekomen zijnde, wat hebben ze anders gedaan als het woord in vervulling gebracht; Mijn volk heeft twee boosheden begaan, Mij, den springader des levenden waters hebben zij verlaten, en zij hebben zichzelven bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water bevatten. Is het dan wonder, dat de Heere Zijn volk dan eindelijk tegentreedt in Zijnen heiligen toorn, want dat volk wordt straks wel in ballingschap weggezonden, maar toch kan de Heere niet nalaten de hand van Zijne genade tot hen uit te steken en hen wederom naar hun land te doen terugkeeren. De gansche leiding nu, die God met Zijn volk Israël gehouden heeft, is een treffende overeenkomst met den weg, dien God nog met Zijn kinderen houdt; want hoever afgeweken, toch komt wederom de dringende noodiging: „Keert weder, gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezen".
Afkeerige kinderen. Welk een verschrikkelijk woord, nietwaar? Het wil zeggen, dat wij van nature een afkeer van den Heere hebben, van Zijn Woord, van Zijn persoon, van Zijn werken, ja kortom van zulk een God, die ons met Zijne weldaden overladen heeft. De mensch heeft zich losgerukt uit de armen des Heeren en heeft zich geworpen in de armen van den wreeden verleider. Hij heeft vrijwillig het pad des levens verlaten en verkoos gewillig 't pad des doods. Hij is van een hemelburger een werelddienaar geworden. Hij maakte zich tot een kind des duivels, toen hij God den scheidsbrief gaf. En toch, niettegenstaande die groote afkeerigheid des menschen, wendt de Heere zich in Zijn nederbuigende goedheid tot den mensch en weerklinkt het: „Keert weder, gij afkeerige kinderen".
En wanneer dat woord in het hart valt en de Heere paart genadekracht aan het woord, dan leert zulk een ziel als zulk een afkeerige zich kennen, dan wordt het: „Heere, Ik ben de grootste afkeerige, die met woorden, gedachten en werken tegen U overtreden heb". En die zelfde eisch wordt omgezet tot een gebed en de ziel vraagt: „Heere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn".
Want weet ge wat dat is, wederkeeren tot den Heere? Dat wederkeeren is in de schuld vallen voor God, het is belijdenis doen van zonden voor Zijn aangezicht, het is een erkenning van de rechtvaardigheid Gods in het oordeel, dat Hij uitspreekt over den wetsovertreder. Het wil zeggen een zich onvoorwaardelijk aan den Heere overgeven.
Die afkeerigheid wordt hier beschreven als een krankheid der ziel, want daar wijst ons dat woord genezen op. Ik zal uwe afkeeringen genezen, zegt de Heere. En de zonde wordt in het woord met een krankheid vergeleken en wel een ongeneeslijke krankheid. Het gansche hoofd is krank, het gansche hart is mat geworden. Lees zelf den 38sten Psalm eens na, waar de plaag der zonde op zulk een ontzettende wijze beschreven wordt. Melaatsch is de mensch van het hoofd tot de voeten, wonden, striemen, etterbuilen, die niet uitgedrukt zijn geworden. Blind is men, hoewel men zich ziende waant, dood door de zonden en de misdaden.
Kon men van te voren zichzelf nog behelpen met allerlei heelmeesters, die zichzelf hadden opgeworpen, trachtte men zich zelf met allerlei middelen nog op de been te houden, wilde men het o zoo gaarne, dat ons werd toegeroepen: vrede, vrede en geen gevaar, wanneer al die kwalen als doodelijke kwalen gekend worden en het gansche hart openbaar wordt als een bronwel, vol van ongerechtigheid en afkeering tegen God, dan wordt de noodkreet der ziel geboren:
Zie mij, Heer', Wien elk moet duchten.
Tot U vluchten. O, mijn God, verlaat mij niet.
Blijf niet wegens mijn gebreken.
Ver geweken;
Toon dat Gij mijn rampen ziet.
Keert weder, gij afkeerige kinderen. Ik zal uwe afkeeringen genezen. Welk een voorrecht dat de Heere spreekt van afkeerige kinderen en niet van berouwhebbende, want als wij tot God vluchten, dan moeten wij dat niet doen op grond van ons be rouw, wij moeten niet pleiten op onze goede voornemens, doch alleen op Gods beloften, dat Hij een waarmaker is van Zijn Woord. En die afkeering, die zich openbaart in een doodelijke, ongeneeslijke krankheid, is een ingaan tegen het Woord en getuigenis des Heeren. Maar de Heere geneest deze door Zijn Geest. Want als wij leerden roepen met den dichter:
Is er dan, o groot' Ontfermer,
Is er voor een arme kermer,
Voor een smeeker nog gehoor;
Is er nog een open oor?
Ja, zegt de Heere, „Ik zal uwe afkeeringen genezen. Ik Zelf, die te spreken heb en het is er en te gebieden en het staat er, bij Mij wordt gevonden de olie der vertroosting voor geslagen wonden; bij Mij wordt gevonden het eenige middel tot genezing, want Ik ben de Heere, uw heelmeester. Hij is steeds dezelfde om den treurige Zions te beschikken dat hun gegeven wordt sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
En dan, welk een treffend antwoord wordt gegeven: „Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God". Wat wil dat zeggen, dat komen tot den Heere? Dat komen tot den Heere, gelijk dat telkens in het Woord beschreven staat, is een der meest gewone beschrijvingen van het geloof. Die tot Hem komt, neemt tot Hem de toevlucht en hij nadert tot den Heere met het woord: Zie, hier zijn wij. Het is de uitroep van iemand, die zich van zijn roeping bewust is geworden. Want de Heere roept wel telkenmale, doch wij verstaan het niet. Maar als Hij het oor komt te openen, dan dringt de roepstem tot ons door en dan luisteren wij, zooals wij nog nooit geluisterd hebben.
Zie, hier zijn wij. Het is of op eenmaal de liefde ontvlamt. Is er dan waarlijk nog behoudenis? Mag ik werkelijk nog op genade hopen? Zult Gij mij niet in Uwen toorn ontmoeten? Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, zegt de ziel. Het is een zich wenden van de ziel tot God, getrokken door koorden der liefde. Het is de Heere Zelf, die den zondaar wakker geschud heeft en de ziel roept daartoe den Heere aan en hij valt voor den Heere neder. Waarlijk, als het er om te doen is om van de schuld en zonden af te komen, dan hebben we ons alleen tot God te wenden. Want als de ziel uitroept: Zie, hier zijn wij, dan gevoelt zulk een: de Heere is niet alleen de machtige, doch ook de gewillige. In Zijn grondelooze ontferming heeft Hij Zelf den weg der verlossing uitgedacht in Zijn eigen Zoon, Die in de volheid des tijds in de wereld gekomen is om Zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen. Het Woord is vleesch geworden.
De Heilige Geest is 't nu, die den mensch overtuigt van zonden, gerechtigheid en oordeel. Deze is het, die den mensch brengt onder het juk der wet. Opdat door de wet de kennis ontsta, de hartelijke kennis waardoor de mensch het uitroept: Wee mij, vanwege mijne zonden. Maar de Heilige Geest gebruikt de Wet als een tuchtmeester tot Christus, zoodat aan den voet van het kruis van Golgotha het schuldig hart zich neerbuigt en uitroept: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U. Want zulk een ziel treedt niet toe in het duister, doch ze grijpt het koord der liefde aan, dat van den hemel tot haar wordt neergelaten. De zekerheid ligt in de eeuwige trouw aan Gods zijde.
Zoo gaat de ziel uit, vertrouwend, steunend en leunend op haren Liefste. Zij juicht met den Apostel: Ik weet, Wien ik geloofd heb en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.
Welk een rijkdom, nietwaar?
Want dat komen tot den Heere houdt alles in zich. Christus neemt de ziel geheel in, trekt die tot Zich. Men overrekent de kosten en wekt zich op om in de kracht des Heeren met zijn gansche hart den Heere te ontmoeten. Het is waar, de ziel is niet altijd zoo gesteld. Hoe vaak is het niet, al is het hart wel wakende, dat het is alsof ze slaapt. Dan komt er donkerheid over de ziel en de klaagtoon wordt vernomen.
Zou God Zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
En al kan zulk een duisternis wel eens lang over de ziel zich uitstrekken, dat hij met den dichter van den 88sten Psalm uitroept: „Zult Gij wond'ren doen aan dooden?", toch, door de genade des Heeren zal het weer worden: maar ik, Heere, roep tot U en mijn gebed komt voor U in den morgenstond.
Want de duisternis, welke de Heere, hoewel nabij, voor 't zielsoog ontdekte, wordt weggenomen en dan nadert de ziel weer tot God met den uitroep: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U. Het is alsof zij zegt: ik ben wel gruwelijk afgeweken, keer op keer, doch Gij blijft Dezelfde.
Wij komen tot U. Het komen tot God gaat gepaard met een hartelijke vreugde in God door Christus, want God vindende, dan vindt ze haar grootsten schat en geniet de rust, die niemand kent, dan die zich geheel op Hem verlaat.
En welk een heerlijke belijdenis laat de ziel daarop volgen: want Gij zijt de Heere, onze God. Onze God, dan sluit de levend gemaakte ziel zich bij al Gods volk aan, wetende dat al dat volk als een bundelke der levenden op de Middelaarsziel gebonden ligt. Want de keuze van Ruth heeft ze door Gods genade leeren verstaan: uw volk is mijn volk, uw God mijn God.
Onze God, die alleen het recht op ons heeft als de Souverein van al het geschapene. Onze God, dien we wel verworpen hebben, maar die, o, wonder der wonderen, nu 't recht over ons handhaaft, doch 't doet in liefde. Daarmee spreekt de ziel uit: Heere, tot wien zouden wij heengaan; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Ik zou omkomen als ik U moest missen. Want als de ziel dan weer ziet op hare afmakingen, dan is zij bevreesd dat ze te veel gesproken heeft. Doch de Heere neemt dit bezwaar weer weg. Het is alsof de Heere haar tegemoet komt en wil zeggen: zoo laag wil Ik bukken, dat Ik Mij Zelf aan u kom weg te schenken. Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn. En de ziel verlaat zich daar mee op den Heere, niet twijfelende of Hij zal met Christus alle dingen schenken voor tijd en eeuwigheid. Niets zal hen scheiden van de liefde van Christus. Want het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Want bergen zullen wijken en heuvelen zullen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken noch het verbond Mijns vredes wankelen, zegt de Heere, uw ontfermer. Die de Heere gegrepen heeft, heeft Hij voor eeuwig gegrepen.
Het volk dat God vreest, heeft een herder der sterken en niet der zwakken. Een Heiland, Die zich over zondaren ontfermt, een Profeet, die een woord ter rechter tijd weet te spreken, een Hoogepriester, die medelijden met de zwakheid heeft, een Koning, die de banier opheft, een God, Die het beloofd heeft het rookend vlaswiekje niet te zullen uitblusschen en het gekrookte riet niet te zullen verbreken.
Gevoelt ge dan wel, welk een vastheid en sterkte er gevonden wordt bij dien God? En al zijn die afkeeringen nog zoo groot, het wordt aan al dat volk, dat God vreest, bewaarheid: De schuld Uws volks hebt Gij uit Uw boek gedaan; Ook ziet ge geen van hunne zonden aan.
Hebt gij door Gods genade daar eenige kennis van, n.l. aan de eene zijde uw afkeerigheid van den Heere, en aan de andere zijde dat zich wenden tot den Heere? Als dit laatste bij u nog niet heeft plaats gehad, dan hebben we nog een woord voor u, die nog in uw ongerechtigheid voortleeft, die blindelings den Satan volgt en u met een uitwendigen Christennaam vergenoegt, doch het wezen der zaak mist.
Verlaat den weg der zonde. Keer weder, dan zal Hij Zijn toorn op u niet doen rusten. Hij vergeeft menigvuldiglijk. Vliedt tot dien Christus, Die in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Waarom zoudt gij sterven? Waarom dien Christus verwerpen, Die van God geschonken is tot een Zaligmaker der wereld, tot een Middelaar Gods en der menschen, tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing.
Ja, welk een woord voor dezulken, die midden in den dood liggen: Keert weder, gij afkeerigen, en Ik zal Uw afkeerigheden genezen.
En komt dan tot een doode ziel het levendmakend licht des Heiligen Geestes, dan begint zijn oog te zien, met verslagenheid, zijn afkeering van den Heere. Want dan meent ge, dat uw zonden te groot en te veel zijn. Zulk een genade voor zulke goddeloozen. Gij klaagt over uw afkeerigheid, vliedt toch tot dien grooten Heelmeester. Och, roep het uit met dat volk, dat aan zichzelf bekend is gemaakt: Ziet, hier zijn wij, wij komen tot U. En Hij Zelf zal in u werken wat voor Hem welbehaaglijk is. Dat de Heere zoo krachtdadig met het doorbrekend licht des Geestes de nevelen doe scheuren, zoodat ge moogt uitroepen: Hierin leef ik, hierin is het leven mijns geestes. En als dat bewaarheid wordt, dan nadert ge hier reeds in aanbidding tot den Heere met den uitroep: „Gij zijt de Heere, onze God". Maar wat zal het straks groot wezen, als ge zult mogen aanlanden in de plaats waar niemand zeggen zal: „Ik ben krank". Dan zal de zonde en de smart voor eeuwig een einde genomen hebben, dan zult gij aanzitten aan de bruiloft des Lams, want dan zal het volkomen vervuld worden: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
Voorthuizen. W.L. MULDER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juni 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's