FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
— DOOR IDSARDI —
62)
En vrouw Deelstra verheugt zich dat ten slotte toch nog iets gezegd wordt, waaruit valt op te merken dat men hier uit hoogere beginselen leven wil dan de wereld, die louter aan stoffelijk voordeel denkt.
Het is echter vrouw Radsma die de stilte verbreekt. Dit onderwerp gaat boven hare bevatting, en buiten hare belangstelling. Wat maalt haar de wereld, als er maar een goed gemaak is, en hare kinderen allen behoorlijk ter plaatse komen.
„Jullie kunt praten zoo je wilt, maar ik stem nooit!" — zegt zij, en bevestigt dit woord met een knieslag.
,,'t Zal er om gaan", fluistert vrouw Feikema juffrouw Bakker in 't oor, en deze glimlacht.
,, Maar hoe laat zou het zijn", — aldus vrouw Hoekstra.
,, Bij achten, is 't antwoord; 't is nog niet zoo laat."
„Wel verbazend, zoo laat al? Neen maar, dan wordt het tijd hoor. Men zou zeggen, waar is die middag gebleven."
„Eerst nog een kop koffie", — zegt vrouw Deelstra gul, maar de meerderheid is er voor om op te breken. „Er is een tijd van komen, er is een tijd van gaan," zegt vrouw Folkerts, die zich in elk geval niet heeft te beklagen, dat zij bij deze gelegenheid te veel gesproken heeft. Maar haar man had ook gezegd: ,,wees voorzichtig, want morgen of overmorgen weet heel Zorgvliet wat bij den bakker verhandeld is."
,,Dan in elk geval nog 'n gebakje", — presenteert de gastvrouw. Nu, dat slaan de meesten niet af. Als het dan toch op moet, en men is hier in het land van belofte, en in het veen ziet men op geen turfje. Vrouw Deelstra moet tegen haar man zeggen dat hij de volgende week Woensdag vooral van ditzelfde soort gebak op „Unia-State" brengt, want vrouw Burenga vindt het verrukkelijk. Vooral dat mokka-gebak.
„'t Is allemaal lekker, " — zegt vrouw Radsma, en haalt de laatste kruimeltjes bij elkaar.
„'t Komt in de bus, " — antwoordt vrouw Deelstra.
O ja, en dan die thee van tante Sien. Ook deze bestellingen neemt de gastvrouw voor hare rekening.
Dan volgt de gewone drukte, die bij het afscheid nemen hoort. 't Duurt wat, voordat al die mantels zijn aangetrokken, en al die keelbanden vastgemaakt. Dan is juffrouw van den meester gauw klaar; maar even een speld dwars door den hoed en het zit.
„Kan 't zoo?" — vraagt vrouw Radsma als zij voor den zooveelsten keer een strik gelegd heeft, maar ook even zooveel maal lostrok, omdat hij niet mooi genoeg was.
„Prachtig hoor!" — zegt de buurvrouw. ,,'k Houd van netjes, moet je denken." Nu nog een fooi uit het knipje voor de meid.
Daarop de bestellingen van vele groetenissen en de trein zet zich in beweging. Als de laatste gast vertrokken en de deur gesloten is, slaakt vrouw Deelstra een zucht van verlichting. Dat is weer voorbij voor een jaar. Nu morgen nog de tweede ploeg, waarbij het echter een beetje korter om den hoek kan gaan, en dan is alles weer achter den rug.
In de kamer zijn de meid en Sien reeds bezig de zaak weer op te ruimen. Zij hebben in elk geval een goeden dag gehad.
Zulke maar meer.
HOOFDSTUK VIII.
EEN VOLKSMEETING.
Het was dan wel waar wat vrouw Burenga op de theevisite bij Deelstra gezegd had betreffende de groote vergadering door kleinen Symen en consorten op touw gezet, 't Moest anders, en 't zou ook anders. Het volk moest laten weten dat het er ook was, en zich niet langer door eenige machthebbers laten ringelooren. 't Kapitalisme had al lang genoeg den baas gespeeld. Als 't er aan toekwam, lag toch immers de macht bij den arbeid? Zoodat wanneer door de vereende kracht der proletariërs gezegd werd: „wij willen niet meer, daar ligt de boel," het uit was, voor goed uit óók en geen mensch die hen dan dwingen kon langer in deze verrotte maatschappij zich neer te leggen onder een juk, waaronder de voor vaderen al lang genoeg gezucht hadden. Vereenigen moest men zich, en dan met vereende kracht optrekken, goed georganiseerd, met flinke discipline, net zooals in het leger, om dan ook als een leger op te trekken en een maatschappij te stichten in welke recht werd gedaan, en waar het gelden zou: vóór allen, dóór allen. Niet langer heer en knecht, rijk en arm, bezitter en proletariër, maar allen dezelfde rechten en plichten, zoodat de een niets meer over den ander had te commandeeren. De aarde met alles wat zij voortbracht hoorde aan de gemeenschap, zoodat elk ook recht had zijn portie hiervan te krijgen.
Dat was ongeveer de taal die dagelijks gelezen werd in de bladen van de partij tot welke Symen behoorde, en waarvoor hij zich geroepen voelde propaganda te maken.
„'k Zou mij maar wat inbinden" — heeft Syke gezegd — „je wroet net zoo lang, totdat je je zelf er hebt uitgewroet, als de maden in het spek en dan zitten wij met de gebakken peren. Als de baas je gedaan geeft, dan zal 't wel spannen dat de partij voor je zorgt, en bovendien is Zorgvliet ook lang niet de plaats voor die nieuwigheden. Je kunt je wel opwinden en drukmaken voor een ander, maar die heeren die al dat moois in de kranten schrijven, zitten er zelf warmpjes in en zijn buiten schot. Maar als jou geen werk hebt, hebben wij geen eten. En ik kan niet meer doen, dan ik doe."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's