MEDITATIE
De Wijnstok en de Ranken
Ik ben de wijnstok, en gij zijt de ranken. Joh. 15 vers 5.
Een glas zonder voet kan zeer zeker in menig opzicht een beeld zijn van Gods Kerk en kind. Ge kunt toch zulk een glas alleen vullen op voorwaarde, dat gij het in de hand neemt en het blijft slechts vol, zoolang ge het in de hand houdt. Laat ge het los, dan wordt de heele inhoud uitgestort. Het is niet anders met den geloovige. Alleen aangegrepen en vastgehouden door den Heere, ontvangt hij uit de volheid, welke er is in Christus Jezus, genade voor genade. Hij bezit die gaven slechts in de gemeenschap met Christus door den band des geloofs, welke zich opent tot een kloppende levensader.
Het is wel een verootmoedigende gedachte, dat wij krachteloos vleesch voor 't aangezicht des Heeren zijn. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet. Deze gedachte is wel geschikt om onze hoogheid te breken; want het is vernederend voor ons, dat wij uit onszelf geen macht hebben om de gaven Gods te ontvangen of te bezitten.
„Zonder Mij kunt gij niets doen". Deze woorden wijzen er op, dat we zelf geen macht hebben een enkelen traan des berouws in onze oogen te persen. Geen macht om de toevlucht te nemen tot de alreinigende kracht van het bloed van Gods lieven Zoon. Geen macht om de hand te leggen op het altaar van de zoen- en kruisverdiensten van Jezus Christus. Geen macht om Gode vrucht te dragen en te wandelen in de goede werken, welke in Christus voorbereid zijn. Geen macht om den Booze te weerstaan, om te reinigen van de smetten des vleesches en te streven naar heiligmaking.
In waarheid — evenmin als een glas zonder voet — kan de geloovige op eigen beenen staan of opbloeien op eigen wortel. Hij kan geen van Christus onafhankelijk leven leiden. Zoo ergens, dan komt dit zeker uit ook in onzen weektekst: „Ik ben de wijnstok, en gij zijt de ranken".
De Heere heeft den wijnstok geschapen om beeld te zijn van de afhankelijkheid der geloovigen van Christus. De wijnstok, zooals wij dien kennen, is het eigenlijke niet. Het eigenlijke is nimmer de tijdelijke verschijningsvorm, maar het eeuwige, dat zich daarin openbaart. Met het oog op deze waarheid zegt de Heiland dan ook: „Ik ben de ware wijnstok". Het wezenlijke, dat blijft, wordt alleen in Hem gevonden.
De wijnstok is arm aan hout, waarmee ge bovendien niets doen kunt. De mandenmaker kan van de broze takken zelfs geen korf vlechten. Voor de schaafbank van den timmerman deugt het volstrekt niet.
„Menschenkind" — zoo vraagt de Heere in Ezechiël 15 — „wat is het hout van den wijnstok meer dan alle hout of de wijnrank meer dan dat onder het hout eens wouds is? Wordt daarvan hout genomen om een stuk werks te maken? Neemt men daarvan een pin om eenig vat daaraan te hangen? Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde. Het vuur verteert beide zijn einden en zijn middelste wordt verbrand. Zou het deugen tot een stuk werks?"
Het hout van den wijnstok is slechts een broze pijp zonder vaste kern.
Onder de boomen des wouds geplaatst, is er aan den wijnstok geen gedaante of heerlijkheid. Geheel overeenkomstig het optreden van den Heiland, dat weinig had om het natuurlijke oog te boeien. Een machteloos Kindeke, in doeken gewonden en gelegd in een kribbe! Straks een veroordeelde tot den dood des kruises! Maar die onooglijke wijnstok draagt de sappigste vruchten en de overvloeiende levensvolheid van het kostbare druivenbloed wordt zinnebeeld van het dierbare bloed van Jezus Christus. In Hem, aan Wien ook geen gedaante of heerlijkheid was, dat wij Hem zouden begeerd hebben, is een persende levensvolheid, waaruit millioenen hunne levenskracht ontvangen.
De Vader is van dézen wijnstok de Landman. Neen, de wijnstok schiet niet in het wilde, vanzelf, op uit den bodem. Die heeft om vruchten te dragen den landman noodig, die hem plant en verzorgt. Christus Jezus, de ware Wijnstok, is niet uit den schoot der menschheid zonder bijzondere machtsopenbaring van de zijde des Heeren voortgekomen. De Vader is de Landman, God heeft Zijn eeniggeboren Zoon gezonden uit den hoogen hemel naar deze lage aarde. Het is een planting Zijner handen en Hij is het ook, die Zijn Wijnstok verzorgt, vooral, omdat die Wijnstok ranken voortbrengt, die deze verzorging zoo zeer behoeven.
Ik ben de wijnstok en gij zijt de ranken. Een verootmoedigend woord voor allen, die ééne planting geworden zijn met Christus door het levend geloof. Een rank toch is op zichzelf een dor ding. Er zijn er, die zich afwenden van de prediking, dat wij uit onszelf nimmer vrucht voortbrengen, aan de ranken, maar al deze dingen, zelfs de vormelijke godsvrucht, dragen 't merk van de knutselende menschenhand.
Een wijnstok wordt geplant, niet om de schaduw welke hij biedt, noch om het hout, dat hij voortbrengt, enkel en alleen om de vrucht, welke hij draagt. En om vruchten te dragen zijn die holle pijpen, die dorre ranken, uitnemend geschikt, op voorwaarde, dat zij nauw met den wijnstok zelven verbonden zijn en blijven.
De wijnstok stuwt zijn levenssappen op door de ranken en doet deze zwellen en uitbotten in bloesem en vrucht. Daar hangen de purperen trossen tusschen de dekkende bladeren! De wijnstok heeft van zijn volheid uitgestort in de ledigheid der ranken.
De zorgende hand van den landman aan de ranken kan echter geen oogenblik gemist. Die ranken zijn nog steeds geneigd om de sappen, welke zij van den wijnstok betrekken, om te zetten in wilde loten en in ijle krullen. Het snoeimes van den wijngaardenier speelt hier doorhenen, zonder eenige verschooning. Die geen vreemdeling is in een druivenkas, weet het wel, hoe de bodem dan nat kan zijn van de sappen, die door die verwondingen bij dat snoeiingswerk wegvloeien. De vakman noemt dit het weenen van den wijnstok, als dat schijnbaar zoo wreede werk van 't snoeien wordt verricht. Zulk een weenenstijd kennen ook Gods kinderen, maar, wanneer de tijd des oogstes is aangebroken, wordt het verschil gezien tusschen den wilden wingerd, welke ongesnoeid wel veel blad draagt, doch geen vrucht, met den verzorgden wijnstok, welken de bange weenenstijd door het snoeimes niet is bespaard. Het was goed voor dezen laatsten verdrukt te zijn geweest. Door dat werk der verootmoediging zijn de vruchten gerijpt en groot gemaakt. Dat geleid worden op het huiverend pad der smart, dat vereenzaamde leven, die hartgrondige ontdekking, dat gedampt worden als in een mortier, die berooving als van Job, die verlating als van den psalmist, dat gaan in het zwart en met een doodssteek in de beenderen, die diepe wegen der zelfvernedering en zoo heel veel meer, zijn de gevolgen van de diepe insnijdingen van het snoeimes der heilige Wet in het leven. Dan hebben Gods kinderen tranen tot spijze, soms dag en nacht. Dan wordt wel gedacht: „Al deze dingen zijn tegen mij". En juist, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. In dien weg dragen ze vrucht, veel vrucht.
Opvallend bij den wijnstok is niet alleen de saprijke, groote en zware tros aan de dunne rank, die hem draagt; maar niet minder de grootte van het dekkend blad. De wijnstok pronkt niet met zijn vruchten, maar hij verbergt ze achter het gebladerte. Pronken met geleende veeren, trotsch worden op gegeven goed, — we zijn er niet te goed voor. Genade leert het echter inplaats van te pronken met de vruchten, welke er rijpen in het leven, om ze te bedekken. De uitgebreide en beschuttende bladeren, waarachter de zware trossen wegschuilen bij den wijnstok, zijn het beeld van den ootmoed.
Alleen op voorwaarde van in Christus te zijn en met Hem nauw verbonden te blijven, zullen de verwonderde oogen die vruchten aanschouwen, waardoor de Landman wordt verheerlijkt, die dat alles bereidt. Het dekkend blad spreidt zich echter over de vruchten heen. Maar Hij, die in het verborgen ziet, merkt ze wel op, zelfs de vier of vijf, verborgen in het dichtst van het gebladerte. Hij weet, waar zij wonen.
Paulus noemt enkele van die vruchten, wanneer hij spreekt van de vruchten des Geestes in Christus. Ze heeten o.m. liefde, goedheid, geloof, goedertierenheid, blijdschap, zachtmoedigheid, gebed, lankmoedigheid, vrede, die reine lust om den Heere te dienen en Hem toe te behooren, die hoogachting voor het eeuwige Wezen, dat welbehagen in het werk van Immanuël en zoo heel veel meer, dat alleen uitbot en rijpt in de nauwe vereeniging met Christus. Het dekkend blad ontbreekt echter niet. Hij vermaant daartoe ook in Zijn Woord, als Hij zegt: „Weest met ootmoedigheid bekleed".
De vruchten rijpen echter aan de ranken, niet om daar te blijven, doch opdat anderen er van genieten. De ranken houden de trossen niet vast voor zichzelf. Integendeel, zij steken als het ware de armen uit om ze toe te reiken, opdat zelfs alle volkeren zouden eten van de vrucht. Laat ook hierin de wijnstok met zijn ranken een beeld worden voor velen om, daardoor geleerd, aan arme, verloren zondaren, die deze heerlijke en noodzakelijke dingen niet vinden in zichzelf, de toevlucht te nemen tot Hem, die de ware Wijnstok is, opdat de band der nauwe zielsvereeniging met Christus steeds nauwer worde toegehaald. Alleen, die in Hem blijft en gereinigd wordt, draagt veel vrucht.
's-Gr. W.B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's