Brief aan de Romeinen.
Hoofdstuk 3: 1—8. Welk is dan het voordeel van den Jood, en welke is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd. Want wat is het, al zijn sommigen ongeloovig geweest? Zal hunne ongeloovigheid het geloof van God teniet doen? Dat zij verre. Doch God zij waarachtig maar alle mensch leugenachtig; gelijk als geschreven is; opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden en overwint, wanneer Gij oordeelt. Indien nu onze gerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (ik spreek naar den mensch). Dat zij verre; anderszins hoe zal God de wereld oordeelen? Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld? En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome, welker verdoemenis rechtvaardig is.
Ge kunt 't u toch wel indenken, lezers, dat de woorden van den apostel in Romeinen 2 vers 6—29 den Jood hard in de ooren moeten hebben geklonken. In scherpe woorden heeft de apostel in het vorige hoofdstuk immers uiteengezet, dat ook de Jood, die ongehoorzaam is, zekerlijk verloren gaat, ook al is hij besneden naar de wet van Mozes.
Hoe nu? Staat dan de Jood maar op één lijn met den heiden? Werpt dan de besnijdenis volstrekt geen nuttigheid meer af? Zijn dan alle genadegaven en beloften, aan dit volk van Abraham geschonken, zonder eenige waarde?
De vragen, die hij in dezen geest aan het begin van het derde hoofdstuk zelf heeft gesteld, komt Paulus onmiddellijk te beantwoorden met een: „Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd". Ja, de Jood heeft vele voorrechten boven den heiden. Alleszins! Van die vele voordeelen noemt hij er hier maar een enkele, hoewel men na het „ten eerste" zeker een „vervolgens" zou hebben verwacht. Hij wacht tot in hoofdstuk 9 vers 4 om meerdere voordeelen en nuttigheden op te sommen. Hij kan er hier gerust mee volstaan om slechts dit ééne voordeel te noemen, omdat het eigenlijk alle andere voordeden in zich sluit. Of is dat niet het grootste, dat God zich aan een volk komt te openbaren? Op het aangezicht van al de andere volken lag, vóór Christus' komst in het vleesch, als 't ware een deksel. Ze dienden de stomme afgoden. Uit alle de volkeren had de Heere echter Israël verkoren, opdat het draagster zou zijn van de Godsopenbaring. De Heere maakte Israël bekend met de heiligheid van Zijne wet en met de lieflijke beloften des evangelies, gelijk ze weerklonken uit den mond van Israels profeten. Ja, meer nog! Gods Zoon Zelf was naar ket vleesch een Jood. Juist onder Israël heeft Hij drie jaren rondgewandeld en geleerd. Onschatbaar voorrecht, o nakroost van Jakob, is u ook daarin geschonken, dat de Christus Gods met woorden en werken zich onder u heeft betoond. De Heere heeft u die bijzondere Godsopenbaring toebetrouwd niet alleen, opdat ge die heilig zoudt bewaren, maar opdat ge met die rijke openbaring ook anderen zoudt bekend maken.
Nu zal men echter in het midden brengen, dat Israël de woorden Gods niet heeft geloofd, maar verworpen. „Maar wat zal het daarentegen beteekenen, als sommigen van hen zich ontrouw betoonen". Wat spreekt uit de woorden van Paulus zijn diep medegevoel met Israël. Gerust had hij van „velen" mogen spreken, die den Messias verworpen. Maar neen, Paulus spreekt hier slechts van sommigen. Hij wil niet bitter zijn over Israël, maar getuigen met groote liefde en voorzichtigheid. Maar laten er al „sommigen" zijn afgevallen, het verbond Gods met Israël is daarom nog niet teniet gedaan. Ook uit Israël worden er getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Als de voleinding der eeuwen daar is, dan zal onder de volkeren, die door Christus werden gezaligd, ook Israël worden geteld. Dan zal het blijken, dat niet te vergeefs aan Israël de woorden Gods werden toebetrouwd. De geprezen trouw des Heeren is niet teniet gedaan. Hoe menigmaal heeft de Heere in 't grijze verleden aan Israël zijn trouw betoond. Schending van die trouw in de toekomst is ondenkbaar.
Daarom zegt Paulus: Dat zij verre. Met die woorden wil hij aangeven zijn religieusen afkeer van zulke gedachten. O neen, laat God zich betoonen dat Hij waarachtig is, maar ook, dat de mensch leugenachtig is. Die alle handelingen tusschen God en menschen gadeslaat, komt tot geen andere conclusie. Ja, dan geldt het niet alleen van den Jood, dat hij leugenachtig is, maar van elk mensch, gelijk de Schrift dit uitspreekt in Psalm 116 vers 11: Geen mensch bleef trouw aan God. Maar de Heere alleen zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Daarin zal God verheerlijkt worden.
Om dit te bewijzen, beroept de apostel zich op de Schrift. En wel op Psalm 51 vers 6. De 51ste Psalm is door David gezongen, toen hij als een arme boeteling na de bedreven zonde met Bathseba weer tot God kwam. Door Nathan's woord was onder de beademing des Geestes de echtbreker tot berouw gebracht. Dan zingt hij in het 6de vers: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan, dat kwaad is in Uwe oogen, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten". Zoo staat het letterlijk, lezers, in den Psalm in uw Oude Testament. Ik kan mij indenken, dat de lezers, die de aanhaling van den apostel in het 4de vers van Romeinen 3 met het origineele 6de vers uit den 51sten Psalm zich verwonderen over de verschillen. Had Paulus dan een anderen bijbel? Hoogstwaarschijnlijk citeerde Paulus uit de Septuaginta, d.w.z. naar de zoogenaamde Grieksche vertaling van zeventig geleerde mannen, die den bijbel uit het Hebreeuwsch in het Grieksch hebben vertaald. Ten tijde van deze vertaling had het woord, hetwelk in het Oude Testament door „rein zijn" vertaald is, naar jong Hebreeuwsch en Arameïsch spraakgebruik de beteekenis van „overwinnen in een rechtzaak" gekregen. De zeventigen vertaalden dus: opdat gij gerechtvaardigd wordt in Uwe woorden en overwint, als Gij voor het gericht staat. De vertaling van de zeventigen geeft ons dus de voorstelling, dat er tusschen God en David een rechtzaak aanhangig is, waarin uitspraak moet worden gedaan.
In Psalm 51 vers 6, volgens den Hebreeuwschen tekst, hebben we te doen met God als rechter, die zich rein en rechtvaardig betoont in het bestraffen van de zonden Davids. Toch treft het onderscheid in beide vertalingen de zaak zelf niet. Want ook al volgen we met Paulus de vertaling van de zeventigen, zoo bedenke men, dat er bij die rechtzaak tusschen God en mensch geen rechter boven hen is, die den Heere als den aangeklaagde zou kunnen veroordeelen. Naar de vertaling van de zeventigen vernedert zich de Heere alzoo, dat hij tenslotte als de rechtvaardige en getrouwe te voorschijn trede.
In het woordeken „opdat", ligt 'n wereld van gedachten opgesloten. Aangrijpende gedachten! God heeft het toegelaten, dat David in de zonde met Bathseba viel, opdat Hij zich als rechter volkomen rechtvaardig zou betoonen. Van een werpen van de schuld op God, is geen sprake. De ernst van zijn ootmoedig gebed pleit hier geheel en al tegen. En toch mag tengevolge van het woordeken „opdat" aan de finale beteekenis van het citaat niet getwijfeld worden. Dat de tegenwerpers in het getuigenis van David iets vonden wat ze konden aangrijpen om een valsche beschuldiging te doen, moet ons niet verwonderen.
Als God door 's menschen zonde in Zijn recht wordt verheerlijkt, waarom straft Hij ze dan, als ze Hem verheerlijken. „Indien nu onze gerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (ik spreek naar den mensch)".
Het is alsof Paulus wil zeggen: Zal ik nu, als het er zoo mee staat, zooals ik gezegd heb, genoodzaakt zijn om te zeggen dat God onrechtvaardig is?
Op zulk een vraag moest natuurlijk een ,,dat zij verre" volgen. De apostel vindt het een afschuwelijke gedachte om zooiets aan den Heere toe te schrijven. Hij zegt er dan ook zelf van: „Ik spreek naar den mensch" d.w.z. naar den trant van de vleeschelijke, blinde menschen, die over God spreken zonder God te kennen.
We zien deze schrikkelijke zonde in beginsel zich reeds openbaren in het paradijs. Toen de gevallen mensch door den Heere ter verantwoording werd geroepen, gaf Adam aan Eva de schuld. En Eva zeide, dat de slang haar had verleid. En de slang was Gods maaksel. We zien daar zoo duidelijk, dat het schepsel bezig was om de schuld van de zonde op zijnen Maker te werpen.
Het wortelt in hetzelfde verdorven beginsel, als men in Paulus' dagen het durft uit te spreken, dat God den zondaar expres in de zonde laat vallen, opdat Hij in Zijn rechtvaardigheid uit zou blinken en zoo verheerlijkt worden.
Onze groote reformatoren hebben steeds de gedachte, dat God de auteur van de zonde zou wezen, fel bestreden.
Ook Paulus trekt ten strijde tegen deze vleeschelijke beschuldigers met de vraag: „anderszins, hoe zal God de wereld oordeelen". Met andere woorden, hoe zou God dan de wereld richten, als Hij zoo onrechtvaardig was. Zou dan in de ure van het eindgericht niet ieder mensch tot Hem kunnen zeggen: Gij moogt mij niet straffen, want mijn kwaad heeft U winst afgeworpen. Voor het jongste gericht zou dan geen plaats meer wezen.
Maar het wereldgericht staat vast, gelijk ook blijkt uit het vorig betoog van den apostel. En daarom wil hij zijne waarschuwende stem nog laten hooren tegen de verderfelijke conclusies die men durfde te trekken als zij zeiden: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome". Wat het ergste was, men durfde zelfs zulk een afschuwelijke gevolgtrekking op rekening van Paulus zélf te zetten. Maar met de woorden „welker verdoemenis rechtvaardig", wijst hij deze lastervolle beschuldiging van zich af. Meent niet, lezers, dat er in onze oogen zulke menschen niet meer zouden wezen, die de diepe woorden van den apostel verdraaien tot hun eigen verderf. De leer van de souvereine genade Gods zal alle eeuwen door bestrijders vinden.
Maar ook aanbidders, die met den dichter zullen zingen; „De Heer' is recht in al Zijn weg en werk".
§§§
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's