MEDITATIE
Als ziende den Onzienlijke.
„Want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke". Hebreen 11 vers 27b.
Het is wel vanzelfsprekend, dat in Hebreen 11 bij de rij van geloofshelden Mozes niet ontbreekt. Zoo één, dan zouden wij hem aanstonds naar voren brengen, wanneer ons gevraagd werd naar machtigen in het Koninkrijk Gods. Maar, aangezien wij toch immer gaarne een woord beluisteren, waaruit de hoop voor ons gaat lichten, is dan de keuze van Mozes, ter behandeling, wel de meest gelukkige? Immers, een man met zoo groot een geloof, zoo wonderlijk door God beschermd van der jeugd afaan, die zoo bijzonder de nabijheid Gods mocht smaken, laten wij wellicht liever onbesproken, wanneer het gaat over het bezit van de gave der genade.
Ziende op hem, zal ieder zeggen: „de helft er van is mij nog niet aangezegd". Staan wij er zoo echter wel goed tegenover? Immers ook van Mozes geldt: „Wat heeft hij, dat hij niet heeft ontvangen?" Op zichzelf lag ook in hem niets verdienstelijks en het: „waarom dit kindeke door zoo echt te verstane moederliefde bewaard voor Farao's duivelsche plannen", ligt toch mede verklaard in het voornemen Gods dat van eeuwigheid is. Bovendien beoordeelt God Zijne kinderen niet naar hetgeen zij zijn, maar naar hetgeen zij zijn zullen. Vandaar Zijne ontfermingen voor het zwakke in de genade.
„Hij zal Zijne kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen, en in Zijnen schoot dragen; de zoogenden zal Hij zachtkens leiden".
Begin en einde is bij Gods kinderen nimmer gelijk. Het begin is .......... geroepen uit de duisternis. Het einde .......... tot de erve der heiligen in het licht. Zou dan Mozes ook niet die levensduisternis gekend hebben?
Maar .......... en we hooren uwe bezwaren reeds. Ge denkt aan zijn moedige daden aan Farao's hof, zijn opkomen voor de rechten van Israël, Gods volk; zijn niet kunnen dulden van onrecht dat aan één van hen geschiedde. Vrucht der genade? of vrucht van opvoeding, van hetgeen hij vernomen had uit moeders mond, die met hem zeker duiduizendmaal heeft gesproken over Israels kracht, maar ook over Israels dienstbaarheid? Wij meenen van beide. ,,Door het geloof heeft hij geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden, verkiezende liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben", alhoewel de klare, zekere bewustwording van dat geloof eerst zijn eigendom is geworden na eenen diepen weg van Goddelijke beproeving. Zeker, het was geloofsdrang, toen hij voor Israël opkwam, doch de gevolgen daar van waren nog niet door hem overzien. Zoo kan er in een oogenblik, bij een kind des Heeren, dat voor zichzelf nog niet bewust staat in de zekerheid van Christus' genadewerk, wel eens heerlijk getuigd worden, maar let dan nu op Mozes, die na dit alles vlucht naar het land Midian, en daar vertoeft veertig jaren, jaren van rust. Het gaat hem wél. Hij huwt, krijgt een zoon. De smarten van Israël beluistert hij niet meer, maar zou daarmede niet gepaard gegaan zijn eene geestelijke verkilling, waardoor de eenmaal krachtige Mozes, als de Heere hem roept om weer naar Egypte te gaan, om te dragen het juk dat zacht, en de last, die licht is, voor de verlossing van Israël, allerlei uitvluchten zoekt om maar niet te behoeven?
Eerst zij zullen mij niet gelooven. Dan ik ben geen man, wèl ter tale. Tenslotte: Och, Heere, zend toch een ander. Waar is nu zijn geloof? Nu voor zijn oog ontsluierd wordt een toekomst van zelfverloochening, van kruisdragen, van alles verlies? Hoe begrijpelijk intusschen! Neen, wij aanvaarden het levenslot niet blijmoedig uit 's Heeren hand, evenmin, als het aanbod der genade. Daar staat te veel op het spel. Ons eigen ik, heel onze natuur. Als het daarom gaat, dan trilt het in onze ziel: „ik wil niet". Veel eerder dan: „ik kan niet". Want wie dat zegt in der waarheid, heeft zeker veel geestelijke ondervinding.
Met zulk een schepsel heeft God nu te doen. Hij zal het te sterk moeten worden, anders zal het zich, ondanks dure roeping en onafwendbare verantwoordelijkheid, niet bekeeren.
Nu is het geestelijke leven van Gods Kerk niet éénvormig, zoodat de een meer wettisch, de ander meer evangelisch geleid wordt. De één zal door Gods ontdekkend licht meer oog ontvangen voor het misnoegen Gods over zijn onuitwischbare schuld, dat hier in vreeze en beven brengt tot de Mozes' belijdenis:
„Door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven,
Uw gramschap doet ons hart van doodschrik beven.
O God, als Gij in majesteit verheven,
Het onrecht, dat w' in 't openbaar bedreven
En 't kwaad, door ons in 't heimelijk verricht,
In 't licht stelt voor Uw glansrijk aangezicht;
terwijl een ander, onder de prediking, die er uitgaat van Gods Woord, verslagen wordt onder den schrikkelijk zwaren lijdensweg van den Borg, na het prijsgeven van zooveel heerlijkheid. Was dat noodig, dan moet de zonde toch wel een ontzettend iets zijn in 't oog des Heeren, dat zulk een prijs daarvoor moest betaald. Dit verscheurt hem het gemoed en stelt hem voor God schuldig. In zooverre is echter het geestelijk leven van de Gemeente die zalig wordt, weer gelijkvormig, dat bij de eerste ontdekking, hoe ook geleid, zij allen een mishagen aan zichzelf krijgen. Dit in onderscheiding met zoovelen, die wel eene zekere verlichting in hun verstand bezitten, echter niet van zaligmakenden, maar van algemeenen aard, die wel veel doet zeggen, maar niet wegneemt de onheilige liefde, waarmede een mensch zijn eigen ik liefheeft boven alles. Wie echter door het ware Geesteslicht voor God beeft, hij zal ook eene andere gesteldheid bij zichzelf opmerken dan te voren, n.l. die van groote teederheid tegenover 's Heeren dienst, 's Heeren Woord, 's Heeren werken, en ten opzichte van de zonde zal zijn hart niet tevreden kunnen zijn. Dan kent hij dat „ingaan in de binnenkamer", dat roepen tot God, al is het midden onder de dagelijksche werkzaamheden, om licht, wijsheid, vrede.
Heeft misschien in dit tijdstip zijns levens Mozes den 90sten Psalm vervaardigd met z'n „Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen"? Hoe of het ook zij, 't is deze weg, die voert tot het zien van den Onzienlijke, of zooals Job het uitdrukt: „Met het gehoor des oors heb ik u gehoord, maar nu ziet U mijn oog". Hetzelfde wat er van Mozes staat „want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke"; hij hield vol, alsof 't hem was dat hij den Onzienlijke zag. Dat is een zien in het geloof. Immers van het Eeuwig Wezen geldt voor 't natuurlijke oog: „Die een ontoegankelijk licht bewoont, Denwelke geen mensch gezien heeft noch zien kan". Wij zien met onze oogen, maar we weten ook dat in de oogen de harten elkander kunnen ontmoeten. Dat nu moet verstaan worden onder het zien van den Onzienlijke. Dit kan niet anders dan door den Middelaar Gods en der menschen, Jezus Christus.
„Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard". Om dit bevindelijk te leeren, leidt God in de geestelijke diepten des levens in, maar openbaart anderzijds hoe schrikkelijk Hij de zonde acht in het lijden en sterven van Zijnen lieven Zoon. Denkt eens in — zoo spreekt dan de Heilige Geest — dat al uwe zonden, die het hart zoo verharden tegen den Heere, dien Beminlijken hebben gedood en Hem Zijn bloed gekost. O, dan wordt in Christus' bloed het hart verteederd. Mijn lezer(es), kent gij die ure, waarin uwe ziel al de grootheid mocht zien, die er ooit voor een mensch kan weggelegd zijn, dat ge neerzonkt op eene andere gerechtigheid dan de uwe. Dat ge uitriept:
„Ik zag U bloeden aan het hout.
Ik heb Gods liefde in U aanschouwd.
Daar smolt het ijs mijns harten".
Want het zeggen van „Jezus Christus, den Heere, te zijn", gaat toch niet buiten den mensch om. Al was het nu nog onder den dienst der schaduwen, dit is toch ook het wezen des geloofs van Mozes geweest, waardoor in de aanbiddelijke wetenschap over zooveel bemoeienissen Gods, — waar hij waardig was voor eeuwig Zijne opzoekende ontfermingen te missen — voor hem de tijdelijkheid in al hare geledingen betrekkelijk wegviel.
„Door het geloof heeft hij Egypte verlaten (dit ziet op den uittocht), „niet vreezende den toorn des konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke"; of in de taal des Nieuwen Testaments: „Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zou geopenbaard worden".
Hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. Dank zij Christus' levendmakende Geest.
Zoo is het bij gansch Zijne gemeente. Toen zij nog dood was, meende zij te leven. Zij leefde, zij zag, zij zocht. Maar niet den Onzienlijke, alleen dat, wat hare ziel tot verderf was, totdat de eigengerechtigheid in haar geknakt w.erd door de gerechtigheid van Christus.
En nu is er eene begeerte Hem te leven. Maar ach, hoe is dit in feite? De zonde, in een vorm die zich bij het bekeerde leven aanpast, is daar immers nog. De zonde baart den dood, dus zal de zonde niet eerder dan bij den dood ophouden.
En als dan, na ontvangene genade, die zonde weer zoo aanlokkelijk voorkomt en wordt bijgevallen, dan onttrekt zich de Onzienlijke. Bij de ontdekking daarvan heerscht er soms groote vreeze. Immers dan kan soms de twijfel rijzen of hetgeen men meende te zien van den Onzienlijke, niet was het werk van den god dezer eeuw. Waren het te voren soms zijn vertroostingen, zijn verzekeringen? De werkzaamheden des Heeren aan het zondaarshart moeten immers hieraan gekend: „Den Heere, uwen God, zult gij navolgen en Hem vreezen, en Zijne geboden zult gij houden, en Zijner stemme gehoorzaam zijn, en Hem dienen en Hem aanhangen".
En ziet — daarvan merkt ge zoo weinig, of niets. Dan kan het wezen, dat zulk eene ziel gelijk is aan een schip, dat door stormen geteisterd, in zinkenden toestand is.
De zaken van het eeuwig welzijn der ziel worden nu overlegd. Die kunnen — o wonder — toch niet aflaten het hart te vervullen. Dit komt, omdat wanneer de Onzienlijke niet wordt gezien, Hij Zelf wel ziet. „God schouwt van den hemel en ziet alle menschenkinderen", in 't bijzonder Zijne kinderen, die zoo hebben te strijden tegen duivel, wereld en eigen hart.
Dat is een vertroostend, weldadig zien, waardoor het geloof weer levendig wordt, soms na veel zoeken. Welk een troost dan dat woord: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer".
Dan is er weer vreugde voor het aangezicht des Heeren, een zien van den Sterken Held, die de banier draagt boven een zoo spoedig wankelend volk. „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten".
En nu smeeke hij maar om veel van den Geest ondersteund te worden om Hem te zien.
Mijne lezers, bedenkt toch hoe ongelukkig uw toestand is zonder Hem, bovenal dan, wanneer het tijdelijke u ontzinkt, wanneer gij geopenbaard wordt voor den rechterstoel van Christus — zonder Christus.
Hoe vreeselijk, het bloed des Nieuwen Testaments onrein te achten! Och, dat gij in dezen uwen dag bekendet wat tot uwen vrede dient, opdat waar eens het zichtbare zich onttrekt aan uw brekend oog, het nochtans verlustiging moge vinden in den Onzienlijke en gij moogt wegzinken in de onmetelijke diepte van Christus zoenverdienste, om vrede met God te hebben. Stelt u niet te spoedig gerust. Het lieflijke spel der harpenaren daarboven in beginsel meenen te hooren door het ontvangen van eenige indrukken, is niet voldoende. Ook daar moet een harp ons wachten, waarop eens de vingers zullen tokkelen het tot in alle eeuwigheid oude en nieuwe, lied:
„Gij toch, Gij zij: hun roem, de kracht van hunne kracht,
Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen.
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".
Mocht maar in oprechtheid uw gebed zich voor den Heere uitstorten: „Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen onze ellende en onze onderdrukking vergeten? Sta op, ons ter hulp en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. In Uw licht zien wij het licht.
Soest. J.CH.W. KRUISHOOP
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's