De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

6 minuten leestijd

John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (31)

Apollyon liet niet af om met Christen te redetwisten. Hij beschuldigde den Koning, dien Christen gekozen had tot zijn Meester, dat deze Zijn onderdanen in nood en dood niet bijstond, om hen in de grootste ellende te laten omkomen, terwijl hij altijd gereed stond zijn getrouwen te helpen en blijdschap te geven; „zoo wil ik ook uw redder en uithelper zijn" zei Apollyon.
„Neen" antwoordde Christen „want als mijn Meester soms vertraagt of nalaat Zijn kinderen uit hun angsten te verlossen, dan is het alleen om hen te louteren en te zien of hun geloof niet slechts onoverwinbaar maar onoverwinnelijk is. Het droevig einde van sommigen, waarop gij zinspeelt, is voor hen niets anders geweest, dan de overgang in een hoogere heerlijkheid. Zij achtten een tijdelijke verlossing uit moeiten en verdriet van weinig gewicht, maar zien reikhalzend uit naar een eeuwige verlossing, die hun deel zal zijn, als straks de Koning komt in Zijn hemelsche heerlijkheid."
Toen begon Apollyon van een anderen kant den aanval op Christen. Hij zei:
„Gij zijt uw Heer en Meester al meer dan eens ontrouw geweest, hoe durft gij dan nog op heerlijkheid en op toekomstig loon hopen?" „Waarin ben ik ontrouw geweest?" vroeg Christen.
„Waarin? Vraagt gij nog? Hebt gij dan niet aan 't begin van uw pelgrimstocht aanstonds den moed verloren? Zijt gij niet bijna bezweken en omgekomen in den poel Wankelmoedigheid? Zijt gij niet langs zelf gekozen wegen gegaan in de hoop zóó uw pak te verliezen, inplaats van te hopen op uw Koning en Zijn verlossing? Hebt gij niet geslapen in de hut en de rol, het bewijs van uw uitverkiezing, verloren? Toen de leeuwen brulden aan uw zijde, kwam het toen niet in u op, om te vluchten? En toen gij hebt zitten vertellen van uw reis in het huis Lieflijkheid, was toen uw hart niet vol van eigen roem en zucht naar ijdele eer?"
„Zeker" antwoordde Christen „alles is waar wat gij zegt, en 't is nog érger dan gij wel weet. Maar de Koning dien ik liefheb, wil mij dit alles vergeven. En bovendien, deze zonden heb ik leeren kennen in uw land; daar heb ik ze met de moedermelk ingedronken. Ik heb er genoeg onder gezucht en geleden, maar nu heeft mijn Heer en Koning mij alles genadig vergeven." Toen brak Apollyon los in een vreeselijke woede. Hij grijnslachte en riep: „Ik ben de vijand van uw Koning en ik haat hem. Ik haat Zijn wetten en verfoei Zijn volk en ik ben uitgegaan om tegen u te strijden."
„Bedenk wat gij doet" antwoordde Christen „want ik ben op den weg des Konings en wie mij aanraakt, raakt Hem aan, daarom wacht u!"
Toen sloeg Apollyon zijn zwarte vlerken uit over heel de breedte van den weg en riep: „ik ken geen vrees! Bereid u om te sterven! Ik zweer u bij mijn helschen troon, dat gij geen voetstap verder meer zult zetten op dezen weg! Hier zult gij uw ontrouw met het leven boeten!" Hij nam een vurige pijl in zijn klauwen en slingerde dien Christen naar de borst. Maar deze had zijn schild opgeheven en ving den pijl op vóór hij hem kon treffen.
Toen begreep Christen, dat het oogenblik gekomen was om te handelen. Hij trok 't zwaard uit de scheede, maar hoe moedig hij ook streed, hoe dapper hij ook het schild ophief tegen Apollyons aanvallen, de vijand bracht hem aan hoofd, handen en voeten ernstige wonden toe. De pijn deed Christen even wijken, maar weldra herstelde hij zich en vocht weer voort als een jonge leeuw. Zoo duurde de strijd een halven dag voort, totdat Christen, uitgeput en door bloedverlies verzwakt, den moed begon te verliezen.
Apollyon zag het en juichte. Nu hij de kans schoon vond, viel hij met al de zwaarte van zijn beestenlichaam op Christen aan. Hij wierp hem met zooveel kracht op den grond, dat het zwaard Christen uit de hand vloog. „Ha" zoo juichte het helsche monster „nu heb ik u in mijn macht !" En de daad bij het woord voegende, drukte hij hem achterover tegen den grond, zoodat Christen wanhoopte. Maar de Heere had anders in Zijn raad besloten. Juist toen Apollyon zijn vijand den genadeslag wilde toebrengen, wist Christen zijn hand los te wringen; hij greep 't verloren, zwaard weer vast en riep juichend: „verblijd u niet over mij, mijn vijand; wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan" (Micha 7:8). Daarop bracht hij Apollyon zoo'n geweldige wond met zijn zwaard toe, dat de reus wankelde en als een doode neerviel.
Toen deed Christen nóg een uitval. Zijn hijgende mond juichte: „in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad" (Rom. 7:37). Toen sloeg Apollyon zijn vlerken uit, maar nu was het om zich bloedend op te richten en strompelend en struikelend weg te vluchten. Christen zag hem nooit meer terug. Niemand kan zich de smartelijke kreten en het machteloos gebrul, dat Apollyon in dien strijd liet hooren, voorstellen. Maar evenmin kan iemand zich een denkbeeld maken van het strijden en worstelen van Christen. Eerst was er enkel angst en ontzetting op zijn gelaat te lezen, maar toen hij Apollyon met zijn tweesnijdend zwaard had getroffen, veranderde alles. Er kwam een hemelsche glimlach op zijn gelaat spelen en zijn oogen straalden van louter dankbaarheid.
Aan het einde van den strijd, sprak Christen: „Ik zal den Heere loven, die mij uit den muil der leeuwen verlost heeft, die mij heeft bijgestaan tegen Apollyon!"
Daarop zag ik, dat een hand uit den hemel naar Christen werd uitgestrekt en dat hem eenige bladeren van den boom des Levens werden gegeven. Hij nam ze aan, legde ze op zijn wonden en werd aanstonds genezen.
Daarna rustte hij uit van den strijd en at en dronk. Toen trok hij verder met het ontbloote zwaard in zijn hand, „want" — zoo dacht hij — „misschien kom ik in dit vreeselijk land nog meer vijanden tegen". Maar hij hoefde niet te vreezen: in de vallei van den Ootmoed trof hem geen nieuwe aanval meer van Apollyon en zijn bende. 
Beëlzebul, het hoofd der helsche slaven,
Zond uit zijn rot, een booze op mij aan;
't Was, of hij vloog, zoo ijlings kwam hij draven
Met 't doel om mij ter aarde neer te slaan.

Hij scheen een draak, voorzien van alle zijden.
Van ijs'lijk en noodlottig helsch geweer;
Ik, ongewoon aan hard en bitter strijden,
Viel daar door zijn woede plotseling neer.

Maar Michael, aan Wien 'k mij heb verbonden
Mij een tweesnijdend zwaard in handen gaf.
Waarmee ik hem zeer diep en dood'lijk wondde
Dies liet hij haast van mij te kwellen af.

Ja, eeuwig zij Uw groote Naam geprezen
Immanuël, mijn Heiland en mijn Heer!
Die mij hierbij Uw hulpe hebt bewezen;
Maak mij steeds waardig tot Uw dienst en eer!
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's