De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN  MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

10 minuten leestijd

De kleine partijen.
De laatst gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer hebben opnieuw de aandacht gevestigd op het kwaad, dat in de kleine partijen gelegen is. Werd bij de Kamerverkiezingen in 1925 nog een 32-tal lijsten ingediend, dit getal klom ditmaal zelfs tot niet minder dan 36. Zou dit zoo blijven voortgaan, dan worden de verkiezingen een belaching en zal dit kwaad tenslotte aan de waardigheid van het parlement ernstige afbreuk doen. Want het optreden der kleine partijtjes werkt niet opbouwend, maar in hooge mate afbrekend. Men weet wel, wat men niet wil, maar men is niet bekwaam om op eenig punt leiding te geven. Het wordt een veelpraterij, zonder dat er aan wetgevenden arbeid wordt gedacht. De kleine partijtjes belemmeren den goeden gang van zaken in de Kamer.  Daarom zal het zaak zijn, dat het nieuwe Kabinet deze aangelegenheid eens ernstig onder de oogen ziet. Het moet uitgesloten zijn, dat elk 25-tal kiezers het recht heeft om van zijne aanwezigheid op de stemlijst te doen blijken. Daardoor wordt de lijst een voorwerp van bespotting en brengt ze door hare ingewikkeldheid den eenvoudigen kiezer in de war.
Geen enkel land in Europa kent de dwaasheid, die op dit punt in Nederland bestaat. Nu zouden wij het liefst zien, dat bij wijziging der Kieswet tot het oude districtenstelsel, ondanks de vele gebreken, die ook aan dat systeem kleefden, werd teruggekeerd.  Doch dat het daartoe ooit komen zal, lijkt ons vrijwel uitgesloten.
Eenmaal het evenredig kiesrecht aanvaard, gaat het zeer moeilijk om daarvan weer af te komen. 
Maar dan bestaat er toch een beter stelsel van evenredige vertegenwoordiging, als op dit oogenblik voor de Tweede Kamer van kracht is, een stelsel, waarvan gebleken is, dat het in de practijk geen moeilijkheden oplevert. Wij bedoelen de wijze, waarop de benoeming van afgevaardigden voor de Eerste Kamer is geregeld.  Ook voor de aanwijzing van onzen Senaat wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast, doch dit geschiedt op een geheel andere manier, als waarop de verkiezing voor de Tweede Kamer plaats heeft 
Is de regeling voor de verkiezing van leden voor de Tweede Kamer zóó, dat op één stemlijst voor geheel het land wordt gestemd, voor de Eerste Kamer-verkiezing worden de provincies vereenigd tot vier groepen, die ieder een zelfstandig kiesgebied vormen. Geheel anders dus als bij de aanwijzing van de leden voor de Tweede Kamer, in welk geval het geheele land slechts één kiesgebied uitmaakt.
Kan een kleine partij over het geheele land misschien nog het getal stemmen verkrijgen, dat voor den kiesdeeler noodig is, dit is natuurlijk niet meer mogelijk, zoo het groepenstelsel voor de verkiezing van leden van de Eerste Kamer wordt aanvaard. Een groot voordeel van een dergelijk stelel is bovendien nog, dat door het verplicht zijn om meerdere lijsten in te dienen, de zelfstandigheid der verkiezingen grooter wordt De centralisatie gaat dan over in decentralisatie. 
Wanneer nu de vier groepen zoodanig worden samengesteld, wat bij de Eerste Kamer-verkiezing mogelijk blijkt, dat de kiesgebieden ongeveer van gelijke getalsterkte worden, wat de kiezers betreft, dan kan iedere groep 25 leden naar de Tweede Kamer afvaardigen.  Boven elke andere wijziging van de Kieswet, lijkt ons de wijziging, die wij hierboven aangaven, gewenscht en ook mogelijk. 

Zoo zijn onze manieren. 
Onder het opschrift „Mogelijke vrijsteling van Vrouwenvervolging", „Schrijven van den Minister", zegt „De Banier", het orgaan der Staatkundig Gereformeeren, in zijn nummer van 22 Juli:
Wij willen hierbij belanghebbenden nog eens wijzen op het rondschrijven van den Minister van Binnenlandsche Zaken in Juni 928 aan de burgemeesters, waarin deze Minister, en zijn ambtgenoot van Justitie, verklaarden, dat zij zich hebben „gesteld op het standpunt, dat gewetensbezwaren wel degelijk kunnen worden beschouwd als een in het tweede lid van artikel 72 der Kieswet bedoelde geldige reden van verhindering bij de nakoming van den wettellijken opkomstplicht".
De Commissaris der Koningin, die dit aan de burgemeesters bekend maakte, voegde er aan toe:
„Namens genoemden Minister verzoek ik U, indien gij met dit standpunt instemt, daarmede met de uitvoering der Kieswet, voor zooveel deze bij U berust, rekening te willen houden".
Hieruit zien wij dus, dat het den burgemeesters zeer makkelijk is gemaakt. Zij behoeven nu de vrouwen, die niet stemden, niet te vervolgen. De Minister heeft hiermee de zaak afgeschoven op de burgemeesters. Het is een stap in de goede richting.
Tot zoover „De Banier". Nu trof ons bij het lezen twee dingen. In de eerste plaats, dat met geen woord wordt melding gemaakt, dat het de Antirevolutionairen waren, die het schrijven van den Minister wisten uit te lokken. Dit is „De Banier" bekend. Maar stel u voor, dat het blad eerlijk te werk ging en zijn lezers ronduit vertelde, dat de vrouwen, wanneer zij niet vervolgd zullen worden, zij dit te danken hebben aan de activiteit der Antirevolutionairen, wel, het zou ongehoord zijn om van de Antirevolutionairen iets goeds te vertellen.
Het zijn de manieren van de Staatkundig Gereformeerden om alleen maar het slechte in de Antirevolutionaire Partij ten toon te stellen. En in de tweede plaats frappeerde het ons, dat het schrijven van den Minister in het oog der Staatkundig Gereformeerde voormannen een stap in de goede richting was.
Daaruit blijkt dus, dat de Antirevolutionairen, toen zij van den Minister wisten te verkrijgen dat hij zich door middel van de Commissarissen der Koningin tot de burgemeesters, terzake van de vrouwenvervolgingen richtte, een goed werk verrichtten. Daarvan nemen wij dankbaar acte.

Losse Verkeering.
Er schijnen zich nog al moeilijkheden voor te doen bij de vorming van een parlementair Ministerie, steunend op de drie rechtsche partijen. We kunnen begrijpen, dat, met name de Antirevolutionairen, zekerheid willen hebben wat betreft de maatregelen, die zullen moeten worden genomen in de komende periode en aangaande de beginselen, waarnaar gehandeld zal moeten worden. Een man als Colijn, een financier eerste klas met wereldreputatie, die in alles het waarachtig belang van land en volk op het oog heeft, gaat maar niet over ijs van één nacht En wetend, dat de komende periode noodzakelijk een tekort van 31 miljoen gulden zal brengen, ook als er niets nieuws wordt uitgegeven, gaat een staatsman van professie zóó maar niet op los accoord in zee. Natuurlijk niet.
Maar dat schijnt niet de grootste moeilijkheid te zijn. Die zit hoogstwaarschijnlijk, blijkens uitingen in de Pers, bij de Christelijk Historischen van het type Snoeck Henkemans, Krijger, enz. Die willen wel een Parlementair Kabinet, steunend op de drie rechtsche partijen, die willen ook wel meedoen, maar men wil blijkbaar liefst zich niet in alles verbinden". Zooiets van een losse verkeering.
Dat is fataal. Want dan houdt men zich 't recht voor, zooals in 1925, om zoo nu en dan in de Kamer te gaan vrijbuiten; en met kwesties als van 't gezantschap bij den Paus hebben we het gezien, dat bij zulke vrijbuiterij de vijand steeds op den loer ligt en niet zelden aanmoedigt, om dan te zorgen dat het zittend Kabinet tot den val wordt gebracht.
Die op die manier bij zekere gelegeneden als echte „principiëele" menschen willen uitkomen(!!), moeten dat dan maar van te voren zeggen, dan kan daar rekering mee gehouden worden. Ons land en ns volk moet van zulke scharrelaars dan aar de dupe worden.
Tal van kwesties moeten te voren dus onder de oogen worden gezien. Natuurlijk kan men niet „alles" van te voren weten en „alles" van te voren bespreken en vaststellen. Dat weten we óók wel. Maar bij de dingen die aan de orde komen, die zeker aan de orde komen, vrijheid van scharrelen te willen houden, om op een gegeven oogenblik als een vrijbuiter te gaan passagieren, ziet, dat moet veroordeeld en geweigerd worden.
Wij hopen nog altijd, dat de pogingen tot vorming van een parlementair Ministerie, steunend op de drie rechtsche groepen, slagen mogen. Wanneer we zien op 't stooken van de liberale pers, met name van de Nieuwe Rott. Courant, dan wordt ons gevoelen versterkt, dat, wat de oude liberale tante bestookt, verreweg voor land en volk het beste is.
Maar dan geen losse verkeering, maar vast accoord onder de samenwerkende parijen, om als eerlijke mannen samen 't grootsche werk aan te vatten in het belang van land en volk. Praatjes verkoopen en critiek oefenen is ook hier heel goedkoop, maar werk te verichten is moeilijker.
God geve ons kloeke mannen, die straks met vaste hand het roer van Staat mogen richten en sturen, tot zegen voor Vorstenhuis en Vaderland. Dat ook in deze ons gebed mag opgaan tot Hem, Die alles regeert.

AAN HET BESTUUR
van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in de Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
Na afloop van den cursus heb ik de eer aan Uw Bestuur het volgende verslag uit te brengen over den door mij ten bate der studenten verrichten arbeid om hen wetenschappelijk nader bekend te maken met de Gereformeerde levens- en wereldbeschouwing. Op de lijst hebben 52 studenten geteekend en aldus verklaard in deze lessen belang te stellen. Het collegebezoek had over het geheel getrouw plaats, al heeft, evenals altijd, de druk van het examen ook in dit jaar zich doen gevoelen. Vooral de wijze, waarop het tegenwoordige candidaatsexamen is ingericht, is oorzaak, dat, zoodra de tentamina zijn begonnen, sommigen de 4 daarvoor bestemde maanden uitsluitend daaraan besteden. Over het geheel mag echter gezegd, dat een groot aantal dergenen, die geteekend hebben deze colleges hebben gevolgd. In den loop des jaars hebben geen bijzondere storingen zich doen gelden, zoodat zij onafgebroken zijn gegeven. Op het college, dat gedurende twee uren des Maandagsnamiddags gegeven werd, is gehandeld over:
Het verbond der werken en zijne verbreking, om daarna in groote lijnen eene uiteenzetting te geven van het zonde-probleem. In de eerste plaats is daarbij nagegaan het zondebegrip, zooals dit in het Oude en Nieuwe Testament voorkomt en door de verschillende daarvoor gebezigde woorden wordt omschreven. Daarna werd eene beknopte uiteenzetting gegeven van het zondebegrip, zooals dit in het dogmenhistorisch proces in den loop der eeuwen werd begrepen, en hoe het ontstaan der zonde werd beschouwd. Nadruk werd gelegd op de reformatorische periode en op den nieuwen tijd, waarbij in het licht werd gesteld de beteekenis, die de wijsbegeerte van de laatste eeuw voor de waardeering van het zondeprobleem heeft gehad. En tenslotte werd eene beknopte uiteenzetting gegeven over het wezen der zonde en hare verhouding tot de belijdenis der souvereiniteit Gods en van de zonde in verband met des menschen zedelijk wezen. En dit met de bedoeling, om als de opdracht door Uw Bestuur wordt gecontinueerd de Christologie te behandelen in den komenden cursus, zoo God ons het leven spaart.
In de twee andere uren, die des Vrijdagsavonds gegeven zijn, heb ik op het uitdrukkelijk verzoek van een groot aantal der studenten met hen behandeld Die Dogmatik von K. Barth, waarvan het eerste deel is verschenen. Daar het mij bleek, dat dit geschrift in breeden kring belangstelling trok, heb ik gemeend dit verzoek niet te moeten weigeren. Onder groote belangstelling, ook van niet-gereformeerde studenten, heb ik het eerste gedeelte van dat boek met hen gelezen en het aan eene critiek, in het licht van het oude Calvinisme, onderworpen. De heeren studenten hebben daarbij gelegenheid gehad hunne opmerkingen te geven en de bezwaren, die zij bij hunne studiën ondervinden en de twijfelingen, waarmede zij te worstelen hebben, met mij te bespreken. "
Eindelijk kan ik hieraan nog toevoegen, dat ik met een twaalftal studenten een bezoek denk te brengen aan het Museum voor Ethnologie in Artis N.M. te Amsterdam, om hen met het oog op de vermeerdering hunner kennis van de godsdiensten der volken, die object van missie zijn, een en ander te laten zien en aan eene der groote stichtingen van barmhartigheid, die van Gereformeerde zijde inter-kerkelijk worden geëxploiteerd, om hen alzoo met den arbeid der barmhartigheid en de sociaal philanthropische taak der Kerk van Christus in contact te brengen.
Hoogachtend heb ik de eer te zijn
Uw H. VISSCHER.
Huis ter Heide, 4 Juli 1929.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN  MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's