FINANCIËN
Postgiro 138421.
En heeft de Penningmeester Donderdag veel last van de zakkenrollers gehad?
Ja, ik begrijp, dat is de eerste vraag, die ik ditmaal moet beantwoorden. Nu, laat ik zeggen, dat ik bij het heengaan dacht: dat zal niet meevallen vandaag èn voor de Zending niet èn voor mij óók niet. Dat kon wel eens wezen dat mijn zakken bij het terugkeeren net zoo leeg of eigenlijk nog meer leeg waren, dan nu. De eene regenbui toch na de andere kletterde bij het uitrijden tegen m'n auto aan. Ik was werkelijk nieuwsgierig of er nog wel menschen wezen zouden.
Maar wat viel dat mee! Toen ik op het Zendingsterrein kwam, zag ik het al gauw. Zeker, er waren er minder dan anders. Maar de grootste helft van de gewone bezoekers bleek de plasregens getrotseerd te hebben. Bij spreekplaats 2 viel het al dadelijk niet tegen, maar vooral bij spreekplaats 1 zaten de menschen in dichte drommen geschaard. Jonge menschen, maar ook oude, voor wie de levensavond reeds gedaald was. We hadden zelfs nog het genoegen een predikantsweduwe te ontmoeten, die in haar 80ste levensjaar is, en die den heelen dag nog op het terrein was geweest. Haar man was vroeger lang bestuurslid geweest van den Gereformeerden Zendingsbond en heeft ook verscheidene jaren in het Bestuur van onzen Bond zitting gehad. Hij was dus een van onze voormannen, die het verstond dat die twee Bonden geen tegenvoeters van elkaar zijn, maar dat zij door de meest nauwe geestelijke familiebanden aan elkander verbonden zijn. En die geestelijke familieband, ik denk eensdeels aan de Zending, maar ook anderdeels nog aan haar ontslapen man, had ook Mevrouw Boonstra nog naar dezen Zendingsdag getrokken en op haar hoogen leeftijd heeft zij tot het laatst toe zelfs den laatsten spreker gevolgd. Trouw terzijde gestaan door haar mede in onze kringen zoo bekende nicht, mej. B., heeft zij zich dapper gedragen en is zij vele jongeren ten voorbeeld geweest.
En zoo hebben we niet alleen haar, maar ook vele andere oude bekenden uit vroeger en later tijd ontmoet, en behalve dat hebben we natuurlijk ook uit den mond van verschillende sprekers vele uitnemende woorden gehoord. We hopen van harte, dat de Heere ze aan veler hart heiligen zal en dat het voor de Zending een vrucht zal afwerpen, die als de Libanon ruischen zal. Ik vermoed, dat degenen, die er waren, het financieel ook wel goed gemaakt zullen hebben voor hen, die er niet waren, en dat dus uit dat oogpunt de schade voor den Zendingsbond niet zoo heel groot zal zijn. En bovendien daar geschiedt niets bijgeval. De regen, die soms bij stroomen neerviel en die ons nu juist op den dag niet zoo van pas kwam, kwam ons toe van de Vaderlijke hand van Hem, die alléén weet wat zoowel in natuur als in genade goed, noodig en nuttig voor ons is.
Maar met dat alles, zegt ge, hebt ge nu nog geen antwoord op die vraag naar de zakkenrollers gegeven, en daar zoudt ge nog al liefst mee beginnen. Ja, da's waar ook. Neem me niet kwalijk, maar daar ziet ge nu dat ik wel eens een beetje breedsprakig ben. In dat opzicht benijd ik sommigen van mijn collega's wel eens. Daar zijn er die het vaak zoo kort en toch zoo juist en zoo waar en zoo krachtig kunnen zeggen, en dan zeg ik wel eens tegen mezelf: neem daar nu een voorbeeld aan en gebruik nu voortaan ook niet zooveel woorden meer. Maar ja , die lessen die je jezelf geeft, vergeet je soms weer zoo gauw en vandaar dat ik ook nu weer van mijn „chapiter" ben afgeraakt. Maar om nu dan op de zaak te komen: Eerst dacht ik: 't is mis. Ze lieten me stil loopen en er scheen niemand die naar mijn zakken keek, laat staan die er wat in deed. Ik keek al eens of ik mijn vriend uit Noord-Holland niet zag, die mij het vorig jaar al zoo gauw bij m'n kraag had gehad. Maar neen, heeIemaal zelfs, niet gezien. Hij is toch niet ziek? Nu, dan stuurt hij den mosterd nog wel na. Dus toen de menschen niet naar mij keken, begon ik naar hèn te kijken. En eindelijk hoor, daar kwam een vriend uit jawel Huizen op mij af. Het bleek de Penningmeester van den Zondagsschoolcursus te zijn. Namens dien cursus stelde hij mij ƒ 13.10 ter hand. Ik dacht: nu er maar één schaap over de brug is, komen er wel meer. En dat was ook zoo. In den loop van den middag zijn er velen geweest die wel niet m'n zak, maar dan toch m'n hand gevuld hebben. Vooral toen ik bij den uitgang zoo'n beetje was gaan staan op een plaats, waar ze mij wel moesten zien, toen kwamen er meerderen op mij af die zeiden dat zij den heelen dag al naar me gezocht hadden en dat zij blij waren dat ze me zagen. Maar de meesten wilden heelemaal niet weten dat zij zooveel van me hielden. Sommigen wilden ternauwernood zeggen, wie ze waren. Ik zal ze dus allemaal maar N.N. doopen. En ziehier dan de buit.
C h a r l o i s van N.N. ƒ 1.—.
Te r A a, van N.N. ƒ 5.—.
A r n h e m, van N.N. ƒ 10.—.
B o d e g r a v e n, van N.N. ƒ 1.—.
L e i d e n, van N.N. ƒ 2.—.
R ij s s e n, van N.N. ƒ 2.—, en bovendien nog van twee gratis lezers van De Waarheidsvriend, A. J. S. en J. W. B., ook ƒ 2, —.
U t r e c h t, van N.N. ƒ 0.50.
V e e n e n d a a l, van N.N. ƒ 1.—.
Wilt ge wel gelooven, dat ik haast tijd te kort kwam om alles op te schrijven en weg te bergen ? Ook was er nog een dominé N.N. uit Z., die mij ook nog ƒ 2.50 in de hand drukte. Dan gaf uit
H o o g e v e e n ds. Meijers nog ƒ 1.—, dien hij ook al van een N.N. in zijn brievenbus had gevonden, terwijl tenslotte mej. M. B., behalve een jaar abonnementsgeld voor „De Waarheidsvriend", mij nog haar contributie betaalde, die zij van ƒ 1.— op ƒ 2.50 had gebracht. En zoo leek het een oogenblik wel op een stortbui, niet ongelijk aan de regenbuien die dien dag telkens weer het dorstig aardrijk verkwikt hadden. Toen ik 't dan ook onderweg eens natelde, bleken de gaven die ik had ontvangen niet minder dan ƒ 43.60 te zijn. Ik dacht: nou dat is niet tegengevallen. Daar wil ik morgen wel weer een nat pak voor hebben. Neen, de Zendingsdag, dien ik eerst vergat, heeft mij niet vergeten.
Maar wacht eens Daar komt net de Post. Even kijken. Neen, een ,,groene" is er niet bij. Dat spijt mij; maar wèl twee „witte". Van den eene kan ik het poststempel niet ontcijferen. Ik weet dus niet, vanwaar die komt. En van binnen krijg ik ook geen licht, want het is alweer een N. N., die schrijft dat hij (of zij) dit jaar niet in Rijnsburg is geweest, maar hij (of zij) vindt dat ik daar niet aan te kort mag komen en daarom vond ik ingesloten ƒ 5.—, waarvan ƒ 4.— voor het Studiefonds en ƒ 1.— voor het Leerstoelfonds. Die jongste van me vinden zij toch schijnbaar altijd aanvalliger dan de oudste. Daar hebt gij dus ,,den mosterd" al. Maar ik weet niet, waar zij gehaald is. Maar nu die andere witte. Die komt uit.
O n s t w e d d e, en blijkt afgezonden door W. Meer mag ik ook alweer niet vertellen. Maar de inhoud is, dat aan mijn adres gezonden is een dankoffer van ƒ 1.— voor het Studiefonds wegens het bedanken van ds. Wolthers voor het beroep naar Oudewater. Dat is dus alweer ƒ 6.— vanmorgen. Zeker, 't is mooi, maar toch begin ik te begrijpen dat je om één groote te krijgen, heel wat kleintjes noodig hebt. En met al mijn kleintjes zie ik geen kans deze week aan de streep te komen. Of ik dan anders niets heb? Ja, nog wel wat. Zie zelf maar eens:
P u t t e n, afgezonden door ds. Van Amstel ƒ2.—, gevonden in de collecte als dankoffer voor een bijzondere gebedsverhooring.
A m s t e r d a m, afgezonden door N. N. een gift van ƒ 5.— voor de beide Fondsen.
Z e g v e l d, van vriend Bardelmeijer den Juli-inhoud van zijn busje, ƒ 2.52.
G o r i n c h e m, van den Penningmeester onzer afdeeling, A. van Anrooij, ƒ 1.— contributie van een nieuw lid.
V e e n e n d a a 1, mij ter hand gesteld namens een lezer van „De Waarheidsvriend" ƒ 2.50. Maar nu ben ik ook uitgepraat. En nu kom ik met al mijn „kleintjes" aan een bedrag van ƒ 62.62. Misschien echter, dat er nog wat in mijn catechisatiebus zit. Ja, waarlijk, daar kan nog wel ƒ20.— uit. Dus sluit ik met een eindcijfer van ƒ82.62.
Aan allen mijn dank. En nu zet ik er even een punt achter, hoor! Gij moet n.l. weten, dat ik de volgende week en over 14 daag D.V. met vacantie ben. Mijn vrouw houdt niet op of zij moet weer naar Duitschland. En nou ja, als het dan nog net even lijden kan, wat moet je dan doen? Dus de volgende week gaan we bij welzijn met nog een paar vrienden op stap. We hopen natuurlijk weer op een behouden wederkomst. Ons leven is overal en altijd in Gods hand. En daarom zullen we maar eindigen met een Adieu en tot ziens.
Veenendaal.
De Penningmeester, Ds. M. JONGEBREUR.
P.S. Al ben ik zélf niet thuis, daarom kunt ge mij toch gerust wat zenden, hoor! Het Postkantoor hier wordt heusch niet gesloten en alles wordt bezorgd aan het meest vertrouwde adres.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's