De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Vrees niet, geloof alleenlijk!

8 minuten leestijd

„En hij (Abraham) geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid". Genesis 15 vers 6.

Wat was het een rijk bemoedigend woord voor Jaïrus, den overste der synagoge, die voor zijn eenig dochtertje van omtrent 12 jaren, dat op sterven lag, tot den Heere gegaan en om harentwille aan Jezus' voeten nedergevallen was, Hem biddende. De zaak, waarvoor hij kwam, was zoo dringend. En nu was daar zoo'n belemmerend oponthoud. De Heere omringd van zulk een groote schare. De Heere met anderen bezig. Zie, daar komt er al één van zijn huis om hem te melden; „Uw kind is gestorven; zijt den Meester niet moeilijk". Doch zie, dan spreekt de Levensvorst: „Vrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden".
Kostelijk, bemoedigend woord, te midden van beproeving en nood, ja, van nood en dood: „Vrees niet, geloof alleenlijk".
Zalig, die gelooven, ook als zij niets zien en het donker is aan alle kanten om hen henen, want al is ook de beproeving des geloofs moeilijk, toch is zij veel kostelijker dan des gouds, hetwelk vergaat en door vuur beproefd wordt, en de bekroning des geloofs zal er op volgen, want het geloof zal de eerepalm wegdragen. De bekroning des geloofs zal niet achterwege blijven. „Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid", zegt de Heere.
Abraham, de aartsvader, de vader der geloovigen, die ons in de Heilige Schrift, in Hebreen 11 als een geloofsheld wordt beschreven en wiens geloof ons tot een voorbeeld gesteld wordt, daar hij, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest is om uit te gaan uit zijn vaderland, uit Ur der Chaldeiën, naar de plaats welke God hem wijzen zou, en is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zoude .......... Abraham zat neder in zorgen en vreeze. 
Zoo juist had hij met Kedor-Laomer, die zijn neef Lot medegevoerd had, gestreden, en in de kracht zijns Gods was hij als overwinnaar uit het strijdperk te voorschijn getreden. Doch zooals dit meermalen gezien wordt in het leven van Gods kinderen, na zulke hoogtijden, waarin zij als een Elia op den berg Karmel onbeschroomd en onverschrokken stonden, volgt soms eene inzinking. Na den ijver in den geloofsstrijd, treedt soms in de verslapping en de moedeloosheid.
Teruggekeerd uit den strijd, treffen we den aartsvader aan in zijne tent zittend in diepe neerslachtigheid. Doch, evenals een Luther ook zeide: „Tot degenen, die niet vreezen, zegt God: Vreest gij, die niet vreest, maar tot degenen, die vreezen, spreekt de Heere altoos: „Vreest niet".
Zoo geschiedde het Woord des Heeren tot Abraham in een gezicht, zeggende: „Vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot".
Hiermede zeide God tot hem: „Wat het schild is voor den strijder, dat wil Ik voor u zijn".
Is dat niet heerlijk? Temidden van zijn vreezen en zorgen kwam de Heere zoo teeder tot hem om hem te bemoedigen en hem als 't ware toe te fluisteren: Ik sta u voor alles in. Doch de Heere doet nog meer. Abraham kan zijn zorgen en moeiten en twijfelingen, die van binnen in hem opkwamen, maar niet op éénmaal van zich afzetten, niet loslaten, hij heeft nog niet 't volle genot van het woord, hetwelk God tot hem sprak. De gaven, die God hem wilde schenken, ziet hij voorbij, want Abraham had één ding, wat hij steeds maar voor oogen had, wat Mj zoo gaarne wilde hebben, en dan spreekt hij de klacht van zijn hart uit in het woord: „Heere, Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga?" Abraham zag al maar op hetgeen hij miste, en dat was een zoon, een erfgenaam. Gods belofte was er wel, maar waar bleef nu de vervulling? Hij zag er niets van! Dat maakte hem zoo moedeloos. Vandaar, dat hij zegt: Heere, Heere, wat zult Gij mij geven, ach, ik word oud, mijne jaren vermenigvuldigen, het wentelend rad van den tijd gaat al maar voort, en ik heb geen kinderen. Gij hebt het mij wel beloofd, maar waar is nu de vervulling? Want als 't zoo blijft, ga ik straks nog zonder kinderen heen en wordt mijn knecht nog mijn erfgenaam.
O, als we deze uitingen, deze gemoedsoverleggingen van den vader der geloovigen hooren, als hij wat daar binnen in hem omgaat, openlijk voor den Heere uitspreekt, dan zien we 't weer zoo, dat er toch ook geen van Gods kinderen is, geen oprecht waar geloovige, die nimmer getwijfeld heeft. Abraham toont zich hier te zijn een mensch, wiens geloof aan slingeringen onderhevig is. Nu eens meer in het duister, ja, gelijk het is met de maan, die soms onzichtbaar is, soms gedeeltelijk, en dan weder ten volle gezien wordt. We moeten echter wel bedenken, dat naar het uitwendige het er allen schijn van had alsof hij kinderloos zou sterven. Abraham, reeds zoo hoog bejaard, en Sara oud; scheen het er niet op te zullen uitloopen dat hun gezin zou uitsterven en de erfenis op een vreemde zou overgaan?
Doch wat doet de Heere nu? Wordt de Heere vertoornd om die woorden en gaat Hij nu met Abraham daarover twisten? Neen, de Heere vertoornt zich niet, maar laat het toe dat Zijn kind al zijn zorgen, waarmede het gekweld wordt en de zwarigheden, waaronder het gebukt gaat, aan Zijn boezem uitstort. En dan moeten wij ook niet uit het oog verliezen dat de zaak, die Abraham zoo loodzwaar op 't hart lag, maar niet eenvoudig was dat hij kinderloos was, neen, de eigenlijke zaak was veel dieper, omdat de vervulling van alle beloften, ja, alle hoop op zegening en het heil der wereld, hing af van zijn zaad, in Wien alle volkeren der aarde gezegend zouden worden. Aan 's Heeren boezem sprak Abraham zijn vreezen uit, dat Eliëzer nog eens zijn erfgenaam zou worden, en de Heere vertoornt zich niet, maar breekt dat alles af en zegt: „Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam wezen". En om nu Abrahams gemoed te treffen, leidde Hij hem naar buiten in de natuur (want o, hoeveel is er niet dat ons kan treffen in die schoone natuur, die ons spreekt van 's Heeren groote werken, die al te saam majesteit zijn), en de Heere zeide: „Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; zoo zal uw zaad zijn".
Een prachtige Oostersche sterrenhemel welfde zich boven zijn hoofd. En die aanblik was voor Abraham niet overbodig. Want immers, al was zijn huis nog ledig, en had hij geen nakomelingen, als hij nu eens opzag naar de starren, naar dat talloos heir zou God, die zooveel sterren tezamen riep en had voortgebracht om daarmede den hemel van buiten te versieren, óok niet machtig zijn om zijn huis met nakomelingen te vervullen?
Abraham's gemoed werd getroffen. Hij gevoelde zich beschaamd. Wie was hij, dat hij de woorden des Almachtigen in twijfel zoude trekken? In ootmoed sloeg hij de oogen neder, en waar was nu de twijfel? Zij was weg! In aanbidding zonk hij neder en hij geloofde in den Heere, al zag hij de vervulling nog niet. Hij geloofde, hij vertrouwde op 't woord van 's Heeren mond: „Zóó zal uw zaad zijn".
En de Heere heeft de belofte vervuld. Evenals Hij de sterren te voorschijn heeft geroepen te midden der nachtelijke duisternis, zoo heeft Zijn almacht ook de belofte vervuld. Izak is geboren, en Jacob, en de twaalf patriarchen, en David en Salomo. Ontelbaar in menigte en heerlijk in glans is het geestelijk zaad Abrahams! Maar nooit schooner ster is er opgegaan in Abraham's huis, nooit heerlijker ging de belofte in vervulling dan toen in de volheid des tijds Jezus in Bethlehem geboren werd, bij welke gelegenheid de Engelen in Efratha's velden hun „Eere zij God" hebben gezongen.
Abraham geloofde in den Heere; en de Heere rekende het hem tot gerechtigheid. Door het geloof was hij rechtvaardig voor God, door de gerechtigheid van Christus, die hem werd toegerekend. Door Hem, die gestorven is voor onze zonden, en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
Hoe dierbaar is Jezus dien, die gelooft! Van Hem heeft Jehovah reeds voor Zijne geboorte laten getuigen bij monde van den profeet Jesaja (hoofdstuk 12 vers 12): „Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mensch dan fijn goud van Ofir".
Zalig, die in Hem gelooven. Dat zaligmakende geloof alleen is volkomen genoeg!
Niet door goede of vrome werken, neen, dat is de weg niet, maar alleen door het geloof, gelijk het Abraham, den vader der geloovigen, tot gerechtigheid is gerekend. „Want" — zoo zegt de apostel Paulus — Romeinen 4 vs. 2 —: „Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God".
Lezer, zoek het ware geloof, hetwelk een heerlijke en kostelijke hemelgave is, van God te verkrijgen, en zoek dan niet naar allerlei andere dingen, die in den grond der zaak er toch buiten staan en buiten vallen, maar houdt u vast aan het Woord des Heeren, in leven en in sterven, dat niet kan falen, opdat het ook van u moge gelden: „En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid".

Hoogeveen.                                                             J.G.R. Langhout

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's