Gereformeerde Geloofsleer
35. Vraag: Hoe wil de Schrift zelve worden beschouwd?
Antw.: De H. Schrift getuigt aangaande zichzelf, dat zij door de bizondere zorge Gods tot stand gekomen is. Zij verklaart herhaaldelijk en nadrukkeiijk dat zij het Woord Gods is en zij treedt op met Goddelijk gezag. Als zoodanig aanvaarden de Gereformeerden den Bijbel en, bekleed met goddelijke autoriteit, is de Heilige Schrift voor ons de eenige regel voor geloof en leven, waaraan alles telkens weer getoetst moet worden en waarnaar alles moet worden geregeld. Jer. 8 vers 9: „De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie zij hebben des HEEREN Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?" (Ps. 119 vers 105; Gal. 6 vers 16).
36. Vraag: Wat is het getuigenis in deze van onze Ned. Gel. belijdenis?
Antw.: Art. 5 Ned. Gel. belijdenis zegt aangaande de autoriteit der Heilige Schrift: „Wij gelooven zonder eenigen twijfel, al wat in dezelve begrepen is naardien de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden".
37. Vraag: Naar welken regel zijn de Gereformeerden gewoon de Schrift te gebruiken?
Antw.: De Gereformeerden zeggen, dat steeds Schrift met Schrift vergeleken moet worden (de Schrift is haar eigen uitlegster), waarbij de Schrift zich nooit tegenspreekt. De voortgaande openbaring Gods, met de onderscheiding van de Oude en van de Nieuwe Bedeeling, moet hierbij in het oog worden gehouden.
38. Vraag: Welke eigenschappen zijn aan de Heilige Schrift toegekend door de Reformatie in tegenstelling met Roomschen en Wederdoopers?
Antw.: Die eigenschappen zijn vier in getal: 1. het gezag of de autoriteit; 2. de noodzakelijkheid; 3. de duidelijkheid; 4. de genoegzaamheid of volmaaktheid der Heilige Schrift.
39. Vraag: Wat wil het zeggen, dat de Heilige Schrift gezag of autoriteit heeft?
Antw.: De Heilige Schrift dient zichzelf aan als zijnde Gods Woord, wat oorsprong en wat inhoud aangaat. Het presenteert zich niet als wetenschappelijk boek, maar als het Boek der Godsopenbaring voor de Kerk van alle tijden en plaatsen te eeren als wet en regel voor geloof en leven. De Christelijke Kerk is onder het gezag der Schrift geboren en opgegroeid („daar staat geschreven"); en zóóver is het er vandaan, dat de christen allengs boven dit gezag zou uitgroeien, dat hij juist hoe langer hoe meer gaat belijden, dat, met verloochening van eigen wijsheid, God geloofd moet worden op Zijn Woord. Jes. 8 vers 20: „Tot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben" (Joh. 10 vers 34b).
40. Vraag: Waaraan ontleent de Heilige Schrift haar gezag?
Antw.: Niet, zooals Rome ten onrechte leert, aan de Kerk. Want niet de Kerk, maar God Zelf heeft de Schrift met autoriteit bekleed. Zij moet om haars zelfs wil geloofd worden (autopistie). De Schrift bevat dan ook een getuigenis en eene leer aangaande zichzelve, welk getuigenis Christus' Kerk van alle tijden heeft te erkennen. (Art. 3 Ned. Gel. bel.).
41. Vraag: Hoe staat de Vrijzinnige tegenover het gezag der Heilige Schrift?
Antw.: De Vrijzinnige loochent de waarheid, dat de Bijbel in zeer eigenlijken zin en op geheel bizondere wijze Gods Woord is. Hij is van oordeel, dat er in den Bijbel wel dingen staan waar wij ons voordeel mee kunnen doen, maar het goede en beteekenisvolle van de religie komt ons volstrekt niet alleen uit en door de Heilige Schrift toe en het geweten des menschen moet ten slotte het hoogste richtsnoer zijn. Zoo staat de moderne mensch boven de Schrift en komt zonder de Schrift te leven. Men oordeelt zelfs, dat de Bijbel zóó uit den tijd is, dat dit boek een gezonde geestesontwikkeling in den weg staat.
42. Vraag: Hoe staat de Gereformeerde inzake het gezag der Heilige Schrift tegenover Rome, en hoe tegenover den Vrijzinnige?
Antw.: Leert Rome, dat de Kerk de draagster der waarheid is en aan de Schrift haar gezag geeft, waarbij de Kerk met traditie en overlevering aanvullend te werk gaat — en leert de Vrijzinnige, dat het eigen geweten het hoogste richtsnoer is, waarbij de Bijbel op zij geschoven wordt — de Gereformeerde leert, dat het geschreven Woord van God het eind van alle tegenspraak is en dat de Heilige Schriften wijs kunnen maken tot zaligheid een iegelijk die gelooft. (2 Tim. 3 vers 15; Matth. 5 vers 10).
43. Vraag: Wat verstaan wij onder de noodzakelijkheid der H. Schrift?
Antw.: De Reformatie leerde, dat de Heilige Schrift niet alleen nuttig en goed is, maar ook beslist noodzakelijk voor den mensch. Het heeft den Heere des hemels en der aarde behaagd alleen door Zijn Woord ons den weg der zaligheid bekend te maken, zoodat buiten Zijn Woord geen bekendheid is van den weg der genade, die ten leven leidt. Rom. 10 vers 17: „Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods".
44. Vraag: Neemt de noodzakelijkheid der Heilige Schrift toe of af in onze dagen?
Antw.: Naarmate de menschheid grooter wordt en de leugen brutaler zich aanbiedt overal, neemt de noodzakelijkheid van de Heilige Schrift toe. Niet wat de menschen voordragen als waarheid, maar wat God Zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard, zal tot wijsheid en tot vrede kunnen dienen in den weg des geloofs. Marc. 16 vers 15b: „Predikt het Evangelie allen creaturen".
45. Vraag: Wat stellen velen in de plaats van de Heilige Schrift?
Antw.: Velen laten zich leiden door het z.g.n. „lumen internum", d. i. het inwendig licht, en maken de Heilige Schrift tot hun dienstmaagd. De Ethischen nemen „de ervaring" en „het geloof der gemeente" als uitgangspunt en norm. Wat men aan eigen hart geniet, dat is waar, — zegt men. Dat subjectieve, dat spontane bekoort, maar het kan geen bron der waarheid zijn. Dat is en blijft de Heilige Schrift, welke de Heilige Geest wil gebruiken om Gods kinderen te leeren, te waarschuwen, te troosten en te sterken al de dagen des levens.
46. Vraag: Wat verstaan wij onder de duidelijkheid der Heilige Schrift?
Antw.: Het wil niet zeggen, dat tot recht verstand van den Bijbel geen kennis noodig is van allerlei historische of oudheidkundige bizonderheden. Want zonder die kennis laat de Schrift zich in menig opzicht niet recht verstaan. Ook wil het niet zeggen, dat de Heilige Schrift zonder uitlegkundige moeilijkheden is. Want er zijn zelfs vele dingen in, die zwaar zijn om te verstaan, ook al omdat zij nog op vervulling wachten. Maar wat het wèl wil zeggen is dit, dat Gods Woord klaar en helder en duidelijk is wat den weg des heils en wat den wil Gods betreft. Daar laat de Schrift den heilbegeerigen lezer niet in den steek, ook den eenvoudigste niet. Psalm 19 vers 8: „De getuigenis des HEEREN is gewis, den eenvoudige wijsheid gevend". Ps. 119 vers 105: „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad".
47. Vraag: Wat is een gevolg van Rome's loochening van de duidelijkheid van de Heilige Schrift?
Antw.: De Roomsche Kerk loochent de duidelijkheid van de Heilige Schrift en wil daarom niet, dat de leeken den Bijbel lezen, daar dit niet anders dan groote verwarring en velerlei dwaling moet geven. De Priester (de Kerk) is de drager der waarheid en de Kerk geeft zelve in traditie of overlevering een regel voor geloof en leven. De H. Schrift wordt door Rome onderdrukt en leeft niet in de pauselijke Kerk.
48. Vraag: Wat zijn daar de vvuchten van voor het kerkelijk en godsdienstig leven bij Rome?
Antw.: Bij Rome wordt de ware godsdienst verstikt door Mariadienst, heiligenaanbidding, beelden dienst, reliquieënvereering, enz. Alle specifiek Roomsche leerstukken zijn uit de traditie gegroeid, terwijl de Christelijke Kerk al hare leeringen uit de Schrift afleidt.
49. Vraag: Wat leeren de Gereformeerden ingevolge de duidelijkheid van de Heilige Schrift?
Antw.: De Heilige Schrift heeft het vermogen haar eigen uitlegster te zijn, wat Rome ontkent. De Gereformeerde Kerk heeft dan ook altijd het woord van den Heiland overgenomen met toepassing voor jong en oud: „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen". Joh. 5 vers 39. (2 Tim. 3 vers 15: „van kinds af in de Schriften onderwezen"). Daarbij belijdt de Gereformeerde, dat de duistere plaatsen der Schrift worden verklaard door de duidelijke. En dat de grondgedachten der Schrift dienen tot opheldering van de onderscheidene deelen. Schrift moet met Schrift worden vergeleken, waarbij de Schrift moet blijven 't boek der Godsopenbaring tot zaligheid en niet een autoriteit op wetenschappelijk of historisch gebied moet worden gemaakt, dewijl zij zelve zich als zoodanig niet presenteert.
50. Vraag: Wat wil het zeggen, ais wij de Heilige Schrift volledig en genoegzaam noemen?
Antw.: Het wil niet zeggen, dat de Heilige Schrift van alle wetenschappelijke vraagstukken en alle mogelijke geschiedenissen een volledig en genoegzaam relaas geeft, want zóo doet de Schrift zich niet voor en zóo geeft zij zich niet uit. Maar het beteekent wèl, dat wij en alle menschen om God recht te kennen tot Zijn eer en tot zaligheid van zondaren buiten haar niets anders noodig hebben. Gal. 1 vs. 8: „Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt". (Psalm 19 vers 8).
51. Vraag: Hoe spreekt de Ned. Gel. belijdenis in art. 7 over die volkomenheid en genoegzaamheid der H. Schrift?
Antw.: Art. 7 Ned. Gel. bel. zegt: „Wij gelooven dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomen bevat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt".
52. Vraag: Waar loopt in deze tusschen Rome en de Reformatie het geschil over?
Antw.: Het geschil tusschen Rome en de Reformatie loopt hier over, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een ander Woord Gods in onbeschreven vorm daarnaast moet bestaan of niet. Rome zegt: ja; de Reformatie zegt: neen!
53. Vraag: Wat leert het Vaticaansch Concilie hieromtrent?
Antw.: Het Vaticaansch Concilie heeft in 1870 vastgelegd, dat „de Kerk de goddelijke openbaring vindt neergelegd in de Heilige Schrift en de ongeschreven traditie, waarin de geopenbaarde waarheden bewaard blijven. Dit geloofspand is niet aan de willekeurige interpretatie (uitlegging of verklaring) van iederen geloovige toevertrouwd, maar aan het onfeilbaar eergezag der Moederkerk, 't welk feilloos en met gezag den geloovige de schatten der openbaring meedeelt".
54. Vraag: Wanneer is de Kanon der boeken des Ouden Testaments vastgesteld?
Antw.: Sedert de dagen van Ezra en Nehemia, ongeveer 432 vóór Christus, is de lijst der boeken van het O. Testament, 39 in getal, vastgesteld. (2 Macc. 2 vers 13).
55. Vraag: Tegen welke boeken werden eerst wel bezwaren ingebracht?
Antw.: Tegen het boek De Prediker als te twijfelachtig ; tegen Het Hooglied als te realistisch en te weinig godsdienstig; tegen het boek Esther, omdat de naam God er niet in voorkomt. De Kerk heeft ten spijt van deze bezwaren ook deze boeken onder de heilige boeken opgenomen, omdat zij, van God gegeven, strekken tot Zijn eer en wijs kunnen maken tot zaligheid.
56. Vraag: Wanneer is de Kanon der Nieuw-Testamentische boeken vastgesteld?
Antw.: De volledige verzameling der Nieuw-Testamentische geschriften, 27 in getal, is door de algemeene Christelijke Kerk erkend in de tweede helft der 4de eeuw. (363 Concilie van Laodicéa; 393 Concilie te Hippo Regius).
57. Vraag: Zijn er behalve de 66 Kanonieke boeken nog andere geschriften in de Kerk bewaard?
Antw.: Behalve de 66 Kanonieke boeken, die door de Kerk als echt erkend zijn en samen het richtsnoer voor leer en leven, voor belijdenis en wandel uitmaken ('t Grieksche woord Kanon beteekent: maatstaf, richtsnoer, regel), zijn er ook nog de Apocriefe (verborgene) boeken, van welke geschriften wij wel de historische waarde, maar niet het goddelijk gezag erkennen.
58. Vraag: Hoe hebben de Gereformeerde Vaderen zich tegenover die Apocriefe boeken gesteld?
Antw.: Onze Gereformeerde Vaderen hebben ze vertaald en hebben ze achter in den Staten-Bijbel ((1637) laten drukken, toegelicht door een inleidend woord, waarin betoogd wordt dat, hoewel ze niet beschouwd worden als van Goddelijke autoriteit te zijn, ze uit een geschiedkundig oogpunt en voor de kennis van zeden en gewoonten wel gebruikt mogen worden.
59. Vraag: Wat beteekent 't woord apocrief?
Antw.: Apocrief beteekent: niet als echt erkend; geen onvoorwaardelijk geloof verdienend; verdacht. De Apocriefe boeken zijn de boeken, in onze Statenvertaling voorkomend, welke niet door de Kerk als echt erkend zijn. Ze zijn 13 in getal, o.a. het 3de en 4de boek van Ezra; het boek Tobias, de Spreuken van Jezus Sirach, aanhangsel aan het boek Esther en Daniël, het gebed van Manasse, het 1ste, 2de en 3de boek der Maccabeën.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's