KERKELIJKE RONDSCHOUW
Het Reorganisatieplan (3)
Vóór wij verder gaan met over den inhoud van het Reorganisatieplan te spreken, zij het ons vergund hier van een enkele „persstem" melding te maken.
Het liberale dagblad, de N. Rott. Crt., dat zoo gaarne voor Staat en Maatschappij, voor Kerk en School de oer-liberale beginselen aanprijst als het non plus ultra (beter-is-er-niet) gaf in het nummer van Zondag 4 Augustus een artikel, waarin werd betoogd: „De reorganisatie-gedachte en haar motiveering is gaandeweg al zoo oud en er komt nooit ook maar eenige afwisseling in de wijze van pleitvoeren. Men weet het nu wel. Men gelooft het nu wel".
Het reorganisatie-voorstel had dan ook volgens de N. Rott. Crt. best dadelijk in behandeling kunnen genomen worden; ,,op den keper beschouwd, is de zaak vrij eenvoudig. En nieuw is zij allerminst". „Wij kunnen ons voorstellen, dat dr. C.J. Niemeijer, die een voortvarend man is, het nieuwe Algemeen Reglement, dat de z.g.n. Reorganisatie-Commissie bij de Algemeene Synode heeft ingediend, maar onmiddellijk in behandeling zou willen nemen". En „als één man hebben de vrijzinnigen vóór onmiddellijke behandeling gestemd".
De N. Rott. Crt. vindt het dus blijkbaar niet veel zaaks, wat nu ingediend is. Men had het wel dadelijk onder handen kunnen nemen en om hals kunnen brengen. En de verlegenheid van de orthodoxe leden der Synode had de N.Rott.Crt. wel eens gaarne willen zien. Wat zouden ze met een mond vol tanden hebben gezeten tegenover iemand als dr. Niemeyer, die een „voortvarend" man is — — — Als je maar van 't houtje bent — — — !
Maar wacht maar — — — „Want dat dit reglement zal worden verworpen, staat vast. Reeds in eerste instantie staan 8 vrijzinnige tegenstemmers tegen 11 orthodoxe. En hoeveel van dit elftal zal in dezen zin „orthodox" blijken, dat het, de reorganisatie-gedachte aanvaardt? Er behoeven slechts twee afvalligen zich bij de ,,modernen" te scharen, of het voorstel is van de baan".
Met name worden dan ds. Van Paassen, van Haarlem, en dr. Weyland, de president, genoemd. Die zullen wel „omvallen", hoopt de N. Rott. Crt. (Twee mannen, die indertijd op verzoek van de Synode mee het voorstel van de Groote Synode hebben in elkaar gezet).
Doch ,,gesteld, dat er onder het orthodoxe elftal tien voorstanders zich openbaren" (dat er dus maar één afvallige zou zijn) „en dat ook in tweede instantie de Synode des volgenden jaars" (eerst dus de Synode in Januari 1930, en dan de nieuwe Synode in Juli 1930) ,,het georganiseerde reglement met meerderheid van stemmen aanneemt, dan blijft toch reeds bij voorbaat de mogelijkheid uitgesloten, dat tweederden der leden van de Provinciale Kerkbesturen er hun goedkeuring aan zullen hechten."
Met groot leedvermaak ziet de N. Rott. Cour. dus aankomen, dat er toch niets van komt. Zij snauwt maar raak, om de herstellings-conferentie te doen mislukken. De Kerk moet maar in 't moeras blijven. De modernen zien het schip liever zinken, dan dat tot redding geholpen wordt. Met de domme kracht van de aan de Kerk wederrechtelijk opgelegde Synodale Besturen-Organisatie — geenszins met de meerderheid van de belangstellende leden der Hervormde Kerk — zal alles worden verhinderd, wat tot herstel der Kerk zal worden beproefd — — —.
Schamper wordt dan nog met minachtende, dwaze redeneering, de bedoeling van het Voorstel belachelijk gemaakt. Die onnoozele orthodoxen ook — — —.
,,Er verandert in de practijk niet eens bijster veel, volgens dit reorganisatiereglement", zegt het liberaal Rotterdamsch dagblad. (Zou zij 't ook meenen, wat ze zegt, de N.Rott.Crt.? ) „De verandering zit meer in de nomenclatuur dan in de feiten. Maar in de benamingen openbaart zich dan ook het zoo vurig bepleite beginsel". (O, zoo).
„De reorganisatoren hebben zich steeds verzet tegen het ,,bestuurs" karakter der Kerk. Maar hun ontwerp wordt nog „bestuurlijker" dan de thans vigeerende organisatie". En dan komt de liberale enormiteit: „zij spreken zelfs van „regeering". Zij nemen in hun benaming de wereldlijke monarchie tot voorbeeld. De „regeering der Kerk op grond van het Koningschap van Christus", is hun uitgangspunt".
Hier zullen we 't nu maar bij laten, van het voorstel deugt dus geen haar. „Het Koningschap van Christus", — 't is om te tachen! En „de regeering der Kerk" — 't is om te gillen. Verstandige orthodoxen zullen goed doen met de modernen straks mee te gaan ter begrafenis! De orthodoxe Slippendragers zijn al met name genoemd en de N. Rott. Crt. zal voor een bewijs van tevredenheid zorgen, met dankbetuiging voor de bewezen diensten!
Een tweede „Persstem" laten we nog even volgen. Gelukkig is die van een anderen toon.
In „De Wekker", het Orgaan der Christelijke Gereform. Kerk in Nederland, schrijft ds. H. Janssen, van Den Haag, chef-Veldprediker, een beschouwing over het Reorganisatie-plan als verschijningsfeit. Hij zegt:
„Zooals bekend is, houdt het reorganisatie-vraagstuk nu al een 25 jaar de gemoederen binnen de Hervormde Kerk in spanning. Niet, dat de spanning zoo groot is, maar wanneer het weer zoover is, dat het een of andere reorganisatie-voorstel op de Synodale tafel ligt, ontwaakt er plotseling van alle zijden belangstelling. Nu is er in die verloopen jaren al enkele malen een reorganisatie-plan bij de Synode ingediend en door de Synode in behandeling genomen, maar tot nu toe was het resultaat altijd negatief, d.w.z. voor principiëele wijzigingen in de organisatie van de Kerk was geen meerderheid in de Kerk te vinden. Zoodat alles bij het oude bleef.
Toch kwam daardoor de reorganisatiebeweging niet tot stilstand. Integendeel, hoe vaak ook teleurgesteld, telkens togen de voorstanders weer met nieuwen moed aan den arbeid, totdat het hun eindelijk gelukt is, dat de Kerk zich in beginsel voor reorganisatie uitsprak en de Synode eene Commissie benoemde om plannen voor reorganisatie te ontwerpen. De Commissie heeft onder leiding van den Haagschen predikant Te Winkel een reorganisatie-ontwerp gemaakt en dit bij deze Synode ter behandeling ingediend. 't Is een zeer belangrijk stuk, waarop wij D.V. binnenkort nader de aandacht hopen te vestigen, om reden de Synode het in deze zitting niet meer behandelde. Toen men aan de behandeling toe was, voelde men blijkbaar opeens de geweldige moeilijkheid waarvoor men stond, en daarom heeft men besloten dit ontwerp in een buitengewone Synodale Vergadering te behandelen, die op den 7den Januari 1930 zal worden gehouden. Wij vinden dit zeer verstandig, om reden, dat het ontwerp vooraf in de kerkelijke pers kan worden besproken en de Synode, vóór zij bijeenkomt; dus een weinig op de hoogte is, hoedanig het door de verschillende richtingen en fracties in de Kerk is ontvangen. Want de 7de januari kan een zeer gewichtige dag worden in de geschiedenis der Hervormde Kerk, een dag met een verstrekkende beteekenis voor het kerkelijk leven in ons vaderland, een dag, die ons grootelijks zou kunnen verblijden of diep teleurstellen.
Laat ons van harte hopen, dat het een dag van groote blijdschap moge worden voor allen, die Zion liefhebben".
Vooral de laatste woorden, waardoor „allen die Zion liefhebben" betrokken worden in het kerkelijk probleem, met name bij wat nu in het midden van de Hervormde Kerk geschiedt, verblijden ons buitengewoon. Ja. — de dingen, die in het midden van de Hervormde Kerk gebeuren, zijn van groote beteekenis; allen, die Zion liefhebben, mogen wel hun volle aandacht er aan geven en er mag wel een gedurig gebed opgaan tot den Heere in het belang van Christus' Kerk in dezen lande.
De nood is groot!
Dc belofte der Predikanten
ook van de
Vrijzinnig Herv. Predikanten.
„Kerk en Volk", Orgaan van de Vrijzinnig Hervormden, doet telkens — nu weer bij monde van ds. Van der Poel, tijdelijk hoofdredacteur — alsof een Ned. Hervormd predikant vrij zou zijn om van „het Evangelie van Jezus Christus" te maken wat men wil. Men zegt dan in die kringen: „wij behoeven niet aan Paulus of Petrus of Johannes te vragen, wat het Evangelie van Jezus Christus is, wij zullen dat zelf bepalen in het midden van de Hervormde Kerk; wij mogen het daar zetten in onze vrijzinnige, modernistische gedachte en wij mogen het brengen naar ónze, vrijzinnige, opvatting. Wij zijn in niets gebonden en „het Evangelie van Jezus Christus, in vrijzinnigen geest gebracht, komt eerst zóó tot z'n recht".
Nu is 't wel erg jammer, dat de Reglementen van de Ned. Hervormde Kerk absoluut geen recht geven aan de Vrijzinnigen om van „het Evangelie van Jezus Christus" te maken wat zij zelf willen; wegnemende het kruis van Golgotha in Schriftuurlijken zin, nader omschreven en verklaard in onze Hervormde belijdenisschriften en onze Hervormde liturgie.
Allereerst staat er in de proponentsformule, dat ieder predikant zich verbindt en belooft „het Evangelie van Jezus Christus" te zullen prediken. Niet de boodschap van Krishnamoerti, niet de tijding der Vrijmetselaars, niet de woorden van Mohammed of de leeringen van Theosophen, enz.; neen, in de Ned. Hervormde Kerk moet gepredikt worden „het Evangelie van Jezus Christus",
Niet zonder beteekenis in deze is, dat gedurende een paar jaar ('t begon in 1883) in de proponentsformule niet stond „het Evangelie van Jezus Christus". In 1883 moest men onderschrijven: „ dat men tot de Evangeliebediening toegelaten zijnde, daarin overeenkomstig z'n roeping met ijver en trouw zou werkzaam zijn". Dat was een bedenkelijke vrijheid. Van geen belijdenis noch leer der Kerk was er sprake, zelfs niet van geest en hoofdzaak van die belijdenis; alleen ,,overeenkomstig z'n roeping werkzaam zijn in de Evangeliebediening". Maar geen vijf jaar hield die formule het uit. De Kerk protesteerde en de Synode gaf een nieuwe-proponentsformule. En sinds 1888 staat er weer:
„ — — — in het diep besef van onze roeping — — — om overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen — — "
't Evangelie van Jezus Christus — niet de boodschap van dezen of genen godsdienstleeraar, maar de blijde boodschap des heils, waarvan Jezus Christus de prediker en de inhoud is — en dan overeenkomstig de eigen beginselen van de eigen belijdenis en leer der Ned. Hervormde Kerk.
Alle predikanten, ook de Vrijzinnigen, hebben dus deze belofte onderteekend: „het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande".
We zijn dus niet in de Roomsche, noch in de Luthersche of Remonstrantsche Kerk. We zijn dus niet bij de Vrije Gemeente noch bij de Vrijmetselaars — maar in de Ned. Hervormde Kerk, om overeenkomstig de beginselen en het karakter dier Kerk het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen.
In deze zijn wij dus allen gebonden aan de beginselen van onze Hervormde Kerk.
Bovendien ligt daar voor ieder van de predikanten, rechtzinnig of modern, de Beroepsbrief, waarin staat:
— — — „ door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles zal doen, wat een Herder en Leeraar, overeenkomstig Gods Heilig Woord, volgens de verordeningen der Nederlandsche Hervormde Kerk betaamt; inzonderheid door het verkondigen van het Evangelie en het bedienen van den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal, enz."
Overeenkomstig Gods Heilig Woord zal dus moeten zijn: leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, inzonderheid prediking en Sacramentsbediening. En daar aan zijn natuurlijk óók de Vrijzinnige dominees gebonden volgens den Beroepsbrief, evengoed als de rechtzinnigen.
Het Evangelie van Jezus Christus te prediken overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande — dat is dus de roeping en de plicht van vrijzinnige predikanten volgens de proponentsformule. En bij de proponentsbelofte hoort dan de beroepsbrief, om bij en met elkaar óók den vrijzinnige voor te schrijven: dat zij Gods Woord zullen vragen, hoe zij het Evangelie van Jezus Christus zullen prediken, en dat zij rekening zullen houden met de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande. Niet in de Roomsche Kerk, niet in de Luthersche, noch in de Remonstrantsche Kerk zijn ze; noch in de Vrije Gemeente, noch in de Loge noch bij Theosophen of Spiritisten, maar in het midden van de Ned. Hervormde Kerk, met Gods Heilig Woord en met de belijdenis der Kerk, waarvan beginsel en karakter niet geloochend mag worden noch geweld aangedaan mag worden.
Nu weten we wel, dat hier allerlei uitvluchten gezocht worden.
Maar dan denken we altijd aan hetgeen dr. Hooykaas in het Algem. Handelsblad van Dinsdag 13 Januari 1914 (vóór de Groote Vergadering in Den Haag) schreef. Daar zegt hij, dat voor de Hervormde Kerk, waarvan men zeker niet kan zeggen, dat zij zonder confessie is, „een eeuw van sukkelen met dubbelzinnigheden" achter den rug ligt, en hij zei zelfs, dat de Ned. Hervormde Kerk „leeft in een opzettelijke dubbelzinnigheid", er bijvoegend: „dit is een onwaardig en onwaarachtig geschipper"; den wensch uitsprekende dat zij een nieuwe eeuw mocht durven ingaan, ,,afschuddende de verachtelijke practijken van opzettelijke dubbelzinnigheid".
Laat men daaraan gedachtig zijn, ook in deze kwestie.
De vrijzinnige dominé's hebben beloofd „het Evangelie van Jezus Christus" overeenkomstig de beginselen en het karakter der Ned. Hervormde Kerk te zullen prediken (proponentsformule) en: leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, en alles wat een Herder en Leeraar te doen heeft, inzonderheid in de prediking en de Sacramentsbediening, overeenkomstig Gods Heilig Woord te zullen doen. En ziet, dan begint het scharrelen en het sjacheren met opzettelijke dubbelzinnigheden — zooals de vrijzinnige dr. Hooykaas dat zoo teekenend uitdrukt, niet schromend hier dan te spreken van „verachtelijke practijken".
Dan gaat men — tegen beter weten in — scharrelen met die woorden „geest en hoofdzaak" — (die in den Beroepsbrief b.v. heelemaal niet voorkomen; daar staat o.m. overeenkomstig Gods Heilig Woord).
„Geest en hoofdzaak" is de uitvlucht. Maar ten onrechte (hoewel de machthebbers der eeuw listiglijk met die woorden het gemodder in de hand wilden werken; „opzettelijke dubbelzinnigheid", om tot „verachtelijke practijken" aanleiding te geven). Ten onrechte beroept men zich op de woorden „geest en hoofdzaak", alsof die de Hervormde predikanten los zouden stellen van Gods Heilig Woord en van de leer en de belijdenis der Kerk.
Men weet beter! In de Hervormde Kerk moet de eigen leer, de eigen belijdenis gehandhaafd en bewaard worden. Zie Art. 11 Algem. Regl. met de aanteekeningen in de Synodale Uitgave 1928, blz. 10. „Gehandhaafd" zegt het artikel, „bewaard" zeggen de Aanteekeningen.
Men kan 't goed vinden of niet, maar de Ned. Hervormde Kerk heeft haar eigen leer en haar eigen belijdenis. En de Synodale Uitgave van de Reglementen (zie blz. 10) zegt terecht: „ gaf duidelijk aan, dat bedoeld werd de leer der Hervormde Kerk, welke leer veel meer omvat en niet alleen gekend wordt uit de oude belijdenisschriften (De „drie Formulieren van Eenigheid", die regtens nooit zijn afgeschaft Handel. 1874, blz. 140), maar ook uit hare liturgieën, de gebruikelijke formulieren van Doop en Avondmaal, bevestiging, psalmen en gezangen, bij de gemeente in gebruik".
Zoo staat in de Synodale Uitgave van de Reglementen der Ned. Hervormde Kerk!
Die dus in de Hervormde Kerk leeft, bevindt zich in het midden van een bepaalde Kerk met een eigen leer, welke, ook sinds 1816, in de drie Formulieren van Eenigheid, in de formulieren van Doop en Avondmaal, in de formulieren tot bevestiging van Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, in de psalmen en gezangen, begrepen is. Die bevindt zich dus in een bepaalde Kerk met een bepaalde belijdenis en leer, waarbij bovendien vanaf de eerste dagen na 1816 deftig en plechtig is verklaard, (ontelbare malen!!) dat de belijdenis niet zou worden veranderd, veracht of verwaarloosd; terwijl in Artikel 9, later Artikel 11, is opgenomen dat ieder in de Hervormde Kerk geroepen is — en zelfs niet in de laatste, maar in de eerste plaats — om die Hervormde leer te handhaven en te bewaren. Dat staat in de grondwet der Kerk.
Op dien grond staande, weet men dat men aan de leer der Kerk gebonden is. Doch — nu zijn sinds 1841 de woorden „geest en hoofdzaak" in 't spel gekomen.
In 't spel — zeggen we met opzet. Want men heeft met die woorden gespeeld, een ergerlijk spel.
Maar ook hier mag herinnerd worden aan hetgeen zwart op wit staat in de boeken der historie van onze aloude Gereformeerde Kerk. Ook de woorden „geest en hoofdzaak" getuigen zelfs nog vóór de gebondenheid aan de leer, aan de belijdenis der Kerk. Wanneer men eerlijk is en niet vervalt tot de verachtelijke practijken, door dr. Hooykaas gesignaleerd.
Want wat bewijzen de feiten? In 1841 is men gaan spreken van „geest en hoofdzaak", maar er is bij gezegd, „dat men niet met al de stukken der leer, in de symbolische boeken voorkomende, als in alles met Gods Woord overeenkomstig, instemming behoefde te betuigen". Niet met al de stukken der leer in de symbolische boeken voorkomende — , maar „al vordert het geene instemming met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, het zich echter niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid, daarin vervat, maar in 't algemeen, de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk" — aldus de Commissie uit de Synode in den jare 1854, toen de nieuwe proponentsformule aangenomen werd.
In 1841 verklaarde de secretaris der Synode, ds. Dermout, dat met de woorden „geest en hoofdzaak" volstrekt niet bedoeld was „allerlei leerbegrip" en niet „gelijkstelling van ieder stelsel", 't Moest zijn geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, vervat in de symbolische boeken.
In 1854 verklaarde de Commissie uit de Synode (bij de nieuwe proponentsformule): dat het moest zijn aard en geest en wezen en hoofdzaak van de belijdenis der Hervormde Kerk.
Prof. dr. J.H. Scholten zei in zijn boek: „De Leer der Hervormde Kerk", Deel 1, blz. 39: „Het was de bedoeling der Synode niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak, de deur voor subjectieve willekeur open te zetten, zoodat het aan ieder zou vrijstaan, voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goeddacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren behoort aangemerkt te worden, enz."
Genoeg! Plato's Ideeën-leer moet naar den geest en de beginselen van Plato genomen worden — of men moet Plato's leer verwerpen en zeggen, dat Plato een ezel geweest is. Augustinus' leer moet naar den geest en de beginselen van Augustinus, Bunyan's boeken moeten naar den geest en den aard en het karakter van Bunyan genomen worden — of men moet zeggen, dat men iets anders wil.
Zóó heeft de Nederlandsche Hervormde Kerk een eigen leer, een eigen belijdenis, vervat in haar symbolische geschriften, in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, met name in den Heidelbergschen Catechismus, ook begrepen in haar liturgie, formulieren van Doop en Avondmaal, formulieren van bevestiging van predikanten, ouderlingen en diakenen, in haar psalmen en gezangen bij de gemeente in gebruik — en nu eischt de Ned. Hervormde Kerk dat haar eigen leer en eigen belijdenis zal gehandhaafd en bewaard worden, dat men met de leer der Kerk instemming betuigt wat haar aard en wezen, geest en hoofdzaak betreft, naar den opzet van de vervaardigers dier geschriften; — de Ned. Hervormde Kerk eischt, dat alle predikanten het Evangelie van Jezus Christus overeenkomstig de beginselen harer belijdenis zullen prediken, dat alle predikanten leer en leven, opzicht en tucht, inzonderheid prediking en Sacramentsbediening, overeenkomstig Gods Heilig Woord zullen stellen en doen.
Welnu wil men dat nu eerlijk bekennen, dat men naar den zin van de belijdenis, dat men overeenkomstig Gods Heilig Woord het Evangelie van Jezus Christus moet prediken?
Of is men van oordeel, dat Paulus, Petrus, Johannes het Evangelie van Jezus Christus hebben verknoeid? dat het Evangelie des Kruises, in den Catechismus vervat, verderfelijk is? dat de beginselen van de formulieren van Doop en Avondmaal, wat zonde en verlorenheid en verzoening en verlossing aangaat, niet zijn te aanvaarden in den zin en den aard en den geest en de hoofdzaak, naar de bedoeling der opstellers? Is men hier geestverwant of verschilt men hier in geest en hoofdzaak?
Laat men nu eerlijk zijn; en laat men niet zich bedienen van opzettelijke dubbelzinnigheden. Dat zou onwaardig en onwaarachtig geschipper zijn! Laat men „afschudden de verachtelijke practijken van opzettelijke dubbelzinnigheden" — schreef dr. Hooykaas Dinsdag 13 Januari 1914. Wij zeggen het hem gaarne na en geven zijn advies gaarne door.
Eerlijk duurt het langst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's