De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het boek des geslachts van Jezus Christus

7 minuten leestijd

Het boek des geslachts van Jezus Christus, den zoon van David, den zoon van Abraham. Abraham gewon Jzaak, en Izaak gewon Jacob en Jacob gewon Juda en zijne broeders; en Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom en Esrom gewon Aram; en Aram gewon Aminadab en Aminadab gewon Naässon en Naässon gewon Salmon en Salmon gewon Boaz bij Rachab en Boaz gewon Obed bij Ruth en Obed gewon Jesse en Jesse gewon David den koning; En David de koning gewon Salomo, bij degene, die Uria's vrouw was geweest. Matth. 1 vers 1—6.

Lezers, behoort gij ook bij hen, die het lezen van de geslachtsregisters vervelend vinden? Zeker, ik moet erkennen, dat het aangenamer is het Psalmlied van David te lezen of de schoone profetie van Jesaja, den koning van Israels profeten, of de wondeen van den Heiland in de Evangeliën, of over de zieleworstelingen van Paulus.
Dat neemt niet weg, dat we toch goed moeten bedenken, dat ook de geslachtsregisters in de Heilige Schrift door den Heiligen Geest zijn opgesteld tot vermaning en vertroosting van Gods gemeente van alle eeuwen.
Bij aandachtige lezing ook van de geslachtsregisters, wordt men menigmaal geroffen door de rijkste evangelieprediking. Lees nog eens aandachtig de eerste zes verzen van het geslachtsregister in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Mattheüs. Met recht mag het 't geslachtsboek van Jezus Christus heeten. Het is de stamboom van den Zoon des menschen. Hij schaamt zich niet om het te laten bechrijven, wie Hij van afkomst is.
In het dagelijksche leven kunt ge gedurig menschen ontmoeten, die zich schamen over hun afkomst. Vooral wanneer ze wat hoog op den maatschappelijken ladder zijn geklommen. Er zijn er velen onder dezulken, die zich aan hunne eenvoudige familie onttrekken. Dat „mindere volk" is bij hen aboluut niet van tel.
Nog erger wordt het, als er in een nette familie gevonden worden, die zich kwamen te misgaan. Het moet er maar eens een van de naaste verwanten wezen, die gevangenisstraf had te ondergaan. Hij is een schandvlek voor de familie.
Hoe velen, die met grooten ophef van woorden vertellen, dat deze of gene aanzienlijke ook nog „van hunne permutatie is", maar over dien armen oom of tante, die in het armhuis zit, of door de Diaconie wordt bedeeld, wordt niet gekikt of gemikt. Het is, alsof die volstrekt niet tot de familie behoort. Maar niet alzoo met den Zoon des menchen. Ik zou zeggen, dat bij aandachtige lezing van Zijn geslachtsregister u het tegendeel zou blijken.
Het eerste familielid in Mattheüs 1, hetwelk genoemd wordt, is Abraham.
„Abraham, de vader van alle geloovigen", zegt ge. Met recht! Want zoo teekent Gods Woord hem. Maar het Woord Gods laat ons ook duidelijk zien, wie diezelfde Abraham zonder dat geloof is. Of heeft diezelfde Abraham, die door het geoof Ur der Chaideën verlaten heeft, in Egypte niet zijn toevlucht genomen tot de noodleugen om zich met Sara zijne huisvrouw te kunnen handhaven? En wat heeft die Abraham veel moeten leeren, eer hij wilde luisteren naar dat woord van Sara: Werp de dienstmaagd uit met haren zoon. Wat heeft hij vastgehouden aan zijn eigen werk, eer hij wilde bukken voor die souvereine genade Gods, die uit de verstorvene moeder Sara hem een zoon zou verwekken.
Izaak is de tweede uit het geslachtsregister. Van hem weten we niet zooveel. Als een jongeling gaat hij uit in het veld om te bidden. Och, waren er ook in onze dagen meer jongelingen, die in de eenzaamheid het aangezicht Gods, begeerden te zoeken!
Het verwondert u misschien, maar aan den avond van zijn leven wil hij toch maar geen geloof schenken aan het woord, dat de Heere tot Rebecca gesproken had over de beide kinderen, toen ze nog in haren schoot waren, nl. dat de meerdere den mindere zoude dienen.
De vleeschelijke voorliefde voor Ezau deed hem besluiten om dezen boven Jacob te zegenen. Rebecca en Jacob hebben het verijdeld met bedrog. Met de geitenvellen om den hals en om de handen, trok Jacob met de smakelijke spijzen naar zijn vader om toch door bedrog den eerstgeboortezegen te erlangen.
Met recht, zegt ge, mocht hij wel Jacob heeten; d.w.z. bedrieger. Een bedrieger onder de verwanten van den Heere Jezus! Ja, maar door Gods genade toch ook weer een geloovige. Ezau verachtte zijn eerstgeboortezegen. Als hij maar de linzenmoes had!
O, Jacob, wat hebt gij het goud der genade bezoedeld met het slijk der zonde. Alsof de Heere uw bedrog noodig had om Zijn aanbiddelijken Raad te volbrengen.
Hetzelfde mogen we wel zeggen van Juda. Hij gewon Fares en Zara bij Thamar. In die weinige woorden wordt ge als het ware opzettelijk naar de droeve geschiedenis in Genesis 38 verwezen. In vers 2 heet het: Abraham gewon Izaak. Maar er volgt niet op „bij Sara". Evenmin staat er achter: „Izaak gewon Jacob" „bij Rebecca". En ziet, die naam van Thamar, die, als een hoer verkleed, aan den weg zat, wordt opzettelijk genoemd! Neen, de Heiland verzwijgt het niet, dat ook een Juda tot Zijn geslacht moet worden gerekend, schoon ook hij dat goud des geloofs met zijn ontucht zoo schandelijk had bezoedeld.
We doen uit het vele nog enkele grepen. In vers 5 lezen we: ,,En Salmon gewon Boaz bij Rachab".
Daar hebt ge het weer. Men zou hebben kunnen zeggen: Verzwijg toch den naam van Rachab, de hoer. Wil het toch liever niet weten, dat ge er zulken onder uwe familie hebt. Maar neen, als de namen van Sara, Rebecca, Lea en Rachel worden verzwegen, wordt juist de hare met opzet genoemd.
En vindt ge het ook niet treffend, dat in het 5de vers wordt gezegd, dat Boaz Obed gewon bij Ruth. Ja, de naam van deze Moabitische vrouw wordt weer expresselijk vermeld. Christus is niet alleen een God der Joden, maar ook der heidenen. Aan alle volken moet het evangelie worden gepredikt. Raad en redding is voor Jood, maar ook voor heiden te vinden alleen bij Christus' kruis. Ruth was een van de eerstelingen van den rijken oogst uit het heidendom, die later volgen zou.
Maar het toppunt wordt bereikt in vs. 6: „En Jesse gewon David, den koning. En David de koning gewon Salomo, bij degene die Uria's vrouw was geweest". Stond er nu nog „bij Bathseba", ge hadt nog aan toeval kunnen denken. Maar neen, de Heilige Geest geeft eene omschrijving en zegt dat ze de vrouw van Uria is geweest. Nu is wegdoezeling niet langer mogelijk.
De echtbreuk en de moord van David op Uria staan nu opeens ons voor den geest. Maar de Heere laat zien, dat Hij moordenaars en overspelers onder Zijne familie wil hebben. Hij schaamt zich hunner niet.
Wat dunkt u, lezers? Komt het ook in dat geslachtsregister niet heerlijk uit, dat Zijn naam is: vriend van tollenaren en zondaren? O, welk een nederbuigende liefde spreidt de Heere Jezus ten toon in Zijn geslachtsregister. Nu kan toch nooit één zeggen, dat er voor zulke ellendige zondaren geen plaats is bij Hem. Hij verkoos ze immers tot hen, die Zijn stamboom zouden vormen, waaruit Hij zou voortkomen, voor zooveel het vleesch aangaat. Nu dreigt er aan de andere zijde echter groot gevaar, dat het schepsel deze rijke verkondiging des evangelies zal misbruiken tot zijn eigen verderf.
Ziet ge het wel, zegt de duivel, moordenaars en hoereerders en vloekers en bedriegers, ze komen toch binnen de hemelpoort.
Laat het woord van Paulus u tot ernstige vermaning wezen: Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade meerder worde? Dat zij verre. Wat zal het verschrikkelijk wezen, als straks in de eeuwigheid die rijke aanbieding van genade en zaligheid tegen den mensch getuigen zal.
Voor wie in de zonde sterft, is geen hope. Tusschen wieg en graf zullen de zonden moeten worden gekend en beweend. In beginsel er ook mee breken! Die den naam van Christus noemt, moet afstaan van ongerechtigheid. Welk een rijke prediking in dit geslachtsregister voor allen, die zich leeren kennen als arme zondaren, om nu door Hem te worden gezaligd om niet, uit enkel ontferming.
Eens sprak de Christus, toen men hem onder de prediking er op opmerkzaam maakte, dat zijn moeder en broeders gekomen waren om met Hem te spreken: Die zijn Mijn moeder en Mijne broeders, die daar doen den wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. Wilt gij Zijn broeders en zusters worden, lezers?
T.                                                                                                                       E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 augustus 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's