KERKELIJKE RONDSCHOUW
De kwestie van de Kerkvoogdij.
In de laatst gehouden Synode is voorloopig aangenomen een wijziging van Art. 11 van het Reglement op de nieuwe gemeenten. De bedoeling is, dat in nieuwe gemeenten in plaats van Kerkvoogdijen kan worden ingesteld een „aan den Kerkeraad rekenplichtig beheerscollege".
Dat vinden wij een zeer belangrijk voorstel, dat zéér toe te juichen is.
Gelijk wij herhaalde malen geschreven hebben, vertegenwoordigt de Kerkeraad de gemeente. De Kerkeraad is dan ook de eigenaar van alles wat de gemeente bezit of krijgt. Daarom zijn wij er altijd principieel tegen geweest, dat de Kerkvoogdij een plaats inneemt, die haar in de Kerk niet toekomt, en dat de Kerkeraad van de plaats, waar hij hoort te staan, wordt weggewerkt. En nu kan natuurlijk de Kerkeraad niet alles doen, maar dan moet de Kerkeraad — naar bepaalde regelen — een Commissie van Beheer benoemen, enz.
Daarom juichen wij toe, dat in nieuwe gemeenten mogelijk zal zijn, dat we geen Kerkvoogdijen krijgen, maar aan den Kerkeraad rekenplichtige beheerscolleges.
Juist dezer dagen snuffelden we nog eens in brochures van prof. Van Apeldoorn en geschriften over het Reglement op de Predikantstractementen. Bij die lectuur troffen ons een paar beschouwingen van den bekenden Hoogleeraar' die we ook in verband met het bovenstaande even willen vastleggen. Vooral waar het ook bij hem blijkbaar vaststaat, dat al zijn er niet zelden „oude rechten", de Kerkegoederen haar bestemming vinden in de Kerk. Ze zijn bestemd voor de Kerk. En inplaats van altijd met „oude rechten" te komen aandragen, moest men meer het wezenlijke van heel die ingewikkelde kwestie onder de oogen willen zien en erkennen: dat de Kerkegoederen voor de Kerk zijn.
Laat dan, onder de huidige omstandigheden, ook wat voor de Kerk is, van de Kerk zijn, van de plaatselijke Kerk, alwaar de Kerkeraad de eenige wettige macht is naar Schriftuurlijk beginsel en naar uitwijzen van het Gereformeerd Kerkrecht.
We laten enkele beschouwingen van prof. Van Apeldoorn hieronder volgen.
BESTUUR EN BEHEER.
„De scheiding tusschen bestuur en beheer brengt voor de Kerk groote bezwaren mee. Machteloos staan de kerkelijke besturen tegenover den financiëelen nood, waarin vele predikanten verkeeren. Natuurlijk is 't voor de Kerk van het grootste belang, dat hare dienaren behoorlijk worden bezoldigd. Niemand zal willen beweren, dat aan dit vereischte in de Hervormde Kerk over het algemeen op bevredigende wijze is voldaan.
Het kan ook niet worden ontkend, dat in de gemeenten zelve de scheiding tusschen bestuur en beheer somtijds leidt tot ongewenschte verhoudingen. Het sterkste is nu eenmaal hij, die beschikt over het geld — — — Ieder, die met de toestanden op het platteland eenigszins op de hoogte ïs, weet, dat de Kerkvoogden zich daar dikwijls gevoelen als kleine koninkjes, die verre verheven zijn boven een Kerkeraadslid. Uit hun macht over het geld putten zij het bewustzijn van hun kracht. De Kerkeraad, die geld noodig heeft voor geestelijke belangen, moet het onderdanig vragen aan heeren Kerkvoogden. En al zijn er nu ongetwijfeld vele uitnemende Kerkvoogdijen, die voor de geestelijke belangen een warm hart hebben, dit neemt niet weg, dat er iets ongezonds is in een toestand, waarbij degenen, die bepaaldelijk zijn aangewezen voor de behartiging dier belangen, afhankelijk zijn van de beheerders der stoffelijke goederen, en niet omgekeerd".
Aldus prof. mr. L. J. van Apeldoorn in zijn brochure: „De Synode en de Kerkegoederen", bladz. 4.
En op bladz. 33 van die zelfde brochureschrijft prof. v. A. over het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden, 31 Jan. 1878:
„Deze loop van zaken was zonder twijfel in het belang der Kerk, want aan het beheer, gelijk dat onder het toezicht van de floreenplichtigen was gevoerd, kleefden groote gebreken. En al waren nu de Kerkegoederen geen eigendom van de Kerk of van de gemeente, dat neemt niet weg, dat zij bij een richtig beheer ervan groot belang hadden, omdat de inkomsten dier goederen aan haar ten goede moesten komen. Er is dus niet de minste reden om den afloop van de bovenvermelde procedure te betreuren.
Een andere vraag is echter, of de beslissing van den rechter juist was. Deze aarzel ik niet ontkennend te beantwoorden". Hoewel dus de Rechtbank, naar het oordeel van den hoogleeraar, niet juist heeft beslist inzake de beheersgoederen der Kerk, verheugt zich de professor over de uitspraak van den rechter, omdat de Kerkegoederen wel geen eigendom van de Kerk of van de gemeente waren, maar de bestemming van die goederen toch voor de Kerk was en de inkomsten haar ten goede moesten komen. Als nu ten gunste daarvan beslist is, verheugt zich de hoogleeraar daarover. Zelfs gaat de professor zóó ver dat hij zegt, dat men in deze niet al te veel praten moest over ,,oude rechten". Want zoo schrijft hij in: „De Kerkelijke goederen in Friesland":
„Uit het voorafgaande is duidelijk, dat de Staten met het oog op een „grondelijcke Reformatie beter gedaan hadden niet zoo angstvallig oude rechten te eerbiedigen, waar deze misbruikt werden, tot uitkeering van den waren dienst Godes".
Het zedelijk recht der Kerk op de goederen mag en moet dus wel in 't oog worden gehouden, ook volgens prof. v, Apeldoorn, zelfs als er „oude rechten" zijn. Helaas! worden die ,,oude rechten" in de practijk, bij de bestemming der kerkelijke goederen, niet zelden ten kwade toegepast, waarvan de Kerk dan de dupe wordt.
Het Kerkegoed zij goed van de Kerk. En de Kerkeraad heeft hierin een roeping dan; waarbij geheel past het creëeren van aan den Kerkeraad rekenplichtige Beheerscolleges.
DE PREDIKANT EN DE KERKEGOEDEREN.
Vóór de Reformatie waren er vele Kerkegoederen, meestal bestemd om de kosten voor de kerk, voor de pastorie, voor den koster, enz. enz. te bestrijden. De Deken was dan aangewezen toezicht te houden op het beheer en eens per jaar visiteerde hij de Kerken. Kerkvoogden of beheerders van het Kerkegoed moesten rekening en verantwoording doen ten overstaan van den pastoor en de gemeente, in tegenwoordigheid van den Deken, die na menige visitatie zijn bevelen aan de Kerckmeesters achterliet, om geconstateerde gebreken te herstellen, enz. Als de kerkelijke autoriteit in gebreke bleef, bemoeide de Overheid zich met het geval.
Kerckmeesters of Kerkvoogden mochten geen Kerkelijke goederen vervreemden zonder medewerking van den „Pastoer". De „Voechden" en de „Pastoer" moesten „samenwerken" en bij iederen verkoop van Kerkelijke goederen vinden wij dan ook altijd genoemd: „Pastoer en Kerckvoechden". Met de Reformatie vervalt de Roomsche hiërarchie en daarmee het toezicht van den Deken op het beheer der Kerkelijke goederen. Er bleef nu alleen over uit den ouden toestand: het toezicht van de wereldlijke Overheid.
In de paroohie behield echter het kerkelijk bestuur zijne macht, d.w.z. de predikant behield de rechten van den pastoor. Hij bleef mede-administrateur der goederen. Wij verwijzen naar de Resolutie der Staten van 14 April 1584, artikel 8, waar wij lezen:
De Staten voorz. ordonneren ende authoriseeren den Dienaer des Woordts, ter plaetsen daer hy predicant is, naer oude ghewoente mede tot administrateur der gheestelycke goederen, midts dat hem niet toeghelaten en wort eenighen entfangh der penningen daeraf te hebben, maar sullen die administrateurs in 't ghene in desen articule verhaelt is, alles doen bij voorweten ende advys van hun Dienaer, so ende als sy tot Gods eere ende welstandt der Religie tsamentlyck bevinden sullen te behooren. Ende goede opsicht houden, dat den Kercken of huysen niet geraseerd en worden".
Ook bij verkoop van kerkelijke goederen, bij processen van wege de Kerk gevoerd, bij aangifte van Kerkegoederen vinden wij steeds naast Kerckvoogden genoemd „den dienaar der H. Euangelii mede praesent wesende als ordinaeris darde Kerckvoogt" of zelfs „als administrateur der Kerkegoederen".
Ook bij de rekening van Kerkvoogden was steeds de predikant, evenals de pastoor vóór de Hervorming, tegenwoordig.
In het notulenboek van den Kerkeraad te Boornbergum staat, dat in een vergadering van floreenplichtigen, opgeroepen en vergaderd zijnde ter stemming van twee nieuwe Kerkvoogden, ,,de predikant als derde Kerkvoogd verzocht wordt als van ouds te zorgen en desnoods te gelasten, dat alle twee jaren behoorlijke en accurate rekening gedaan wierd, overeenkomstig bestaande wetten.
Dit alles ten overstaan van den Schout der gemeente voorgesteld en aangenomen zijnde, wierden Kerkvoogden en Predikant gelast deze handelingen in hunne boeken te insereren, aan welken last hiermede voldaan hebbe".
Op de eerste Synoden in Groningen werd ook vastgesteld, dat predikanten met de Kerkvoogden de Kerkegoederen administreeren zouden en nog steeds is op iedere vergadering van Kerkvoogden in de meeste gemeenten van Friesland de predikant aanwezig, als van ouds derde Kerkvoogd.
Was er vroeger dus niet zelden nauw verband tusschen de „Pastoer" en de ,,Voechden" die over de Kerkegoederen gesteld waren — welke goederen ook bestemd waren voor de Kerk — later werd de band gelegd tusschen den Dienaar des Woords en de Kerkvoogden.
De Pastoor had geen Kerkeraad. De Dienaar des Woords behoort tot den Kerkeraad. En zoo is het nog zoo kwaad niet, dat in de Kerken van Gereformeerde belijdenis nauw verband gelegd wordt tusschen Kerkeraad en kerkelijke administratie. De Kerkeraad is ook, door de zaak zelve, bezitter, en de kerkelijke administratie dient den Kerkeraad en in den Kerkeraad dient zij de gemeente.
Hervormde Onderwijzers.
In het tijdschrift ,,Onder eigen Vaandel" schreef ds. Te Winkel over het tekort aan Hervormde onderwijzers. De heer Lens, hoofd eener school in Den Haag, onderstreepte dat nog eens in »De School met den Bijbel«. Tekort, groot tekort aan Hervormde onderwijzers. Daar komt voor ons nog iets bij. Wij hebben bizonder tekort aan Hervormde onderwijzers van Gereformeerde belijdenis. Onze scholen zitten telkens in de moeite, als er een vacature voor Hoofd is, of als er een onderwijzer, ook als er een onderwijzeres noodig is.
Kerkelijk-Gereformeerden zijn er wel. Hervormde onderwijzers van Ethisch beginsel ook wel. Maar Hervormde jongemenschen van positief Gereformeerde, levensovertuiging ontbreken vaak.
Wat is dat jammer! Zijn er geen gezinnen waar men een zoon of dochter heeft die lust bezit om bij 't onderwijs te gaan? Indien er wat meer moeite in deze werd gedaan, kon, naar wij gelooven, hierin wel verandering en verbetering komen!
Nu is er in betrekking tot deze zaak nog iets, dat onze aandacht ten volle waard is. We hebben tal van Kweekscholen in Nederland. Maar veelal zijn het kerkelijk-Gereformeerde onderwijsinrichtingen. Wel zijn er ook specifiek Hervormde Kweekscholen, maar die zijn nog al „Ethisch" gezind en getint. Dat vermeerdert de moeilijkheden voor ons.
Een Hervormde Kweekschool op Gereformeerden grondslag ontbreekt.
Vroeger hebben we wel meer over deze zaak geschreven. Er is een Commissie uit 't midden van onzen Gereformeerden Bond geweest. Plannen zijn gemaakt in Zeist te gaan bouwen, een Kweekschool met internaat. Maar 't is toen blijven steken, toen we al een heel eind gevorderd waren en wij zelfs medewerking van den Minister hadden ontvangen, omdat Z.Exc. ook van meening was dat voor den grooten kring van Hervormd-Gereformeerden 'n Kweekschool geen overdadige weelde of ongepaste liefhebberij was. 't Komt ons nog altijd voor, dat we deze zaak niet moeten laten zitten. Er hangt van deze zaak veel te veel af voor onze scholen en voor onze Hervormde Kerk, dan dat we hierin werkeloos zouden blijven.
Natuurlijk moet zoo iets niet opgezet worden door iemand die b.v. graag directeur zou worden en die niet tot onzen Hervormd-Gereformeerden kring behoort. Het mag niet ontaarden in speculatie. Trouwens dan mislukt het zeker. Wanneer er iets van komt, moet het rond en open worden voorgedragen aan onze menschen en moet er een actie achter zitten, welke onze menschen vertrouwen. Daarom lijkt ons een actie, uitgaande van den Gereformeerden Bond, niet ongewenscht.
Omdat er, zelfs in de schoolwereld, allerlei geruchten gaan over een Kweekschool, zooals wij boven bedoelden, aan welke geruchten alle grond ontbreekt en waarbij men met voorzichtigheid zal moeten handelen, maken wij er hier melding van. Er schijnt iemand te „werken", die in de schoolwereld allerlei vragen deed rijzen, vragen, waarmee men ook tot ons kwam — en daarom zouden wij willen zeggen: laat men voorzichtig zijn. Als er iets van deze zaak zal kunnen komen, dan zal het moeten uitgaan van mannen die men ten volle kan vertrouwen als Hervormd-Gereformeerden en dan is er in de schoolwereld sympathie, omdat men het wenschelijke, het nuttige, het noodzakelijke met ons mee voelt. Ook zal dan de regeering, gelijk vroeger, waarschijnlijk de noodige medewerking gaarne willen verleenen.
Maar — dan moeten we ook niet talmen en dralen. Er is haast bij dit werk!
Geen leervrijheid.
Art. 11 Algem. Reglement spreekt van handhaving der leer. En art. 14-3 Regl. voor de Kerkeraden zegt: ,,toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente". Art. 6 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht, spreekt van „openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk" (art. 39 Regl. Godsd. Onderwijs en art. 27 Regl. op het Examen)" In het Regl. op de Kerkvisitatie is sprake van „de belijdenis zijner medeleden" (B. f.) De Ned. Hervormde Kerk heeft een leer, wil die leer gehandhaafd hebben (art. 11 Grondwet) — en dat kan nooit zijn handhaving van leervrijheid. Toezien op de belijdenis — kan nooit zijn allerlei dulden wat met de belijdenis in strijd is.
Alles wat men in deze heeft willen doen om toch in de practijk leervrijheid te krijgen is opgesteld en geschreven in „onoprechte stijl".
Predikanten en lidmaten moeten maar niet toetreden tot de Kerk zonder meer. Want de Kerk vraagt of zij ook instemmen met haar geloof en haar belijdenis. Daarom moet in prediking en catechisatie de leer der Kerk gehandhaafd worden. Uitgangspunt en grondslagen van prediking en catechetisch onderwijs moet steun vinden in de leer der Kerk, welke men dient en tot welke men wil behooren. Als er een klove ligt tusschen het geloof van den predikant of het geloof van de lidmaten en het geloof van de Kerk, het geloof in Christus, zooals wij Hem kennen door de Schriften, — dan is het niet in orde. Hier mag geen klove liggen, maar hier moet hartelijke geloofsovereenstemming gevonden worden.
Zoo moet er ook handhaving der leer, van de leer der Christelijke gemeente, welke leer in de Ned. Hervormde Kerk vanouds een Gereformeerd karakter heeft gedragen, zijn.
Er moet telkens gevraagd worden: Gaat het om den Christus Gods? En predikanten, ouderlingen, gemeenteleden moeten voelen, dat het hier niet gaat om sympathieën of antipathieën, maar dat het gaat om de vraag: Wat moet in gehoorzaamheid van het Hoofd der gemeente gechieden? En aan die predikanten, die gebroken hebben met de grondslagen van de Chriselijke Kerk, die het Evangelie des Kruises kent als den grootsten schat, moet het duidelijk worden, dat zij geen leeraars zijn kunnen in de Christelijke Kerk. Die niet gelooft in een drieëenig Goddelijk Wezen en niet belijdt te gelooven in God den Vader, God den Zoon, en God den Heiligen Geest; die niet gelooft in Jezus Christus, van eeuwigheid God en in de volheid des tijds van den Heiligen Geest ontvangen en geboren uit de maagd Maria, waarachtig God en waarachtig mensch, geleden en gestorven voor de zonden en opgewekt tot rechtvaardigmaking, ten derden dage uit den dood opgestaan en daarna ten hemel gevaren, waar Hij zit aan de rechterhand des Vaders — die dat niet gelooft, hoort niet huis in het midden van de Christelijke Kerk, die dat juist belijdt te zijn haar dierbaar geloof, verklarende, dat ieder die een ander Evangelie brengt, vervloekt is.
En de leerlingen, die straks ,,belijdenis es geloofs" zullen afleggen, wat moeten die doen?
Wanneer zij er iets van begrijpen, wat er eigenlijk gebeurt, moeten zij mee erkennen dat zij niet moeten en mogen toetreden tot een Kerk, met wier geloofsgrondslagen zij gebroken hebben.
Wat gescheiden, geestelijk gescheiden is, kan en mag niet worden saamgevoegd. Handhaving van de leer — kan nooit zijn handhaving der leervrijheid. Toezien op de belijdenis — kan nooit zijn allerlei dulden wat met de belijdenis in strijd is. Overeenstemmen in geest en hoofdzaak met de belijdenis der Kerk — kan nooit zijn geest en hoofdzaak der leer loochenen. Al dat schrijven in „onoprechte stijl" is verachtelijk.
Onvoorzichtig geschrijf.
Met het Bestuur van de Duinoordkerk, voorganger ds. Creutzberg, is geconfereerd en gecorrespondeerd over het gebruik van dat kerkgebouw voor de bevestiging en inree van den modernen ds. Reddingius, die van Dokkum is gekomen om in Den Haag op te treden als eigen predikant van den ring der Vrijzinnig Hervormden in de Residentie.
Ds. Boer, de bewegelijke vrijgestelde, die in dienst is van den Predikantenbond en evens voorzitter van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Den Haag— men kan zoo'n baantje gemakkelijk er bij waarnemen — heeft in deze nog al een rol gespeeld. Natuurlijk is wat hij mondeling met ds. Creutzberg heeft verhandeld, vertrouwelijk geweest en hij heeft aanstonds geweten dat ds. Creutzberg zich zou voegen naar z'n Bestuur. Na de weigering van het Bestuur is door de Vrijzinnig Hervormden in Den Haag (voorzitter ds. Boer) geschreven over ,,de zondeval van de Duinoordkerk" en is men ook begonnen te schrijven over ds. Creutzberg. Roerige menschen kunnen moeilijk zwijgen en betrekken dan ook zelfs personen in 't debat, met wie men mondeling heeft gesproken.
Gelukkig heeft ds. Creutzberg in deze z'n mond gehouden. Van hem is geen letter kopij aan de nieuwsbladen verschaft. Hoewel vrijzinnige bladen het er grof naar gemaakt hadden.
Maar toen kwam mevr. de wed. ds. Oberman, van Rotterdam, op het tooneel. En zij, de theoloog zonder baard, ging in de N. Rott. Crt. schrijven, dat zij dan zeker niets van den geest van Christus begrepen had, als men in een Kerk weigerde toe te laten een prediking — — — waarin de Christus der Schriften geloochend wordt én een ander Evangelie wordt gebracht dan het Evangelie des Kruises. Dan was Christus toch van een anderen geest geweest en de Apostelen „gedrenkt van den geest van Christus", waren ook heel anders geweest dan het Bestuur van de Duinoordkerk, schreef zij.
Wij zouden op dit onvoorzichtige schrijven van mevr. Oberman niet terugkomen — want 't spreekt voor zichzelf — als de Vrijzinnig Hervormden weer niet zoo banaal met dit „Ingezonden" van de wed. Oberman aan 't werk waren getrokken, om dit schrijven uit te buiten en uit te spelen, alsof het een stuk van beteekenis ware. Wat moet men toch zwak staan, indien men van zulke dingen met hoera-geroep banaal gebruik maakt. En wat had mevr. Oberman beter gedaan om zich niet met deze aangelegenheid te bemoeien, waar haar eigen geestverwanten veel verstandiger zijn geweest. Te zwijgen ware voor deze vrouw hier zeker verstandiger geweest dan te spreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's