FEUILLETON
Kleine Luijden
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
— DOOR IDSARDI. —
70)
Men had niets geen behoefte aan die vreemde heeren van buiten, van wien men immers niets afwist, maar wèl dacht, dat het meest baantjesjagers waren, om eigen zak te spekken of met een praatje door de wereld te komen. Maar nu zou men iets nieuws beleven. Een meneer uit Arnhem geheel zou tegen de rijken komen spreken en met een Bijbeltekst! Geen dominé, maar een gewone meneer. Dus iemand, die een hoogen boord en wellicht een deukhoed droeg, maar van wien men verder niets afwist. En die het nu zeker voor de arbeiders zou opnemen, tégen de rijken. Dus hier in Zorgvliet tegen de boeren en de enkele burgers, die de schaapjes op het droge hadden en nu van de renten leefden. Dat was eene gebeurtenis! „Is dat jouw werk?" — heeft de baas van Symen hem den volgenden morgen gevraagd, toen het nieuwtje ook in de kuiperij kwam.
„Dat zijn mijn eigen zaken, baas, en heeft hier niets te maken" — is zijn antwoord geweest.
,,Pas dan maar op, dat het je niet in je werk hindert; je hebt me gister genoeg hout verknoeid en ik heb geen plan meer dergelijk prutswerk te zien afgeleverd".
„Daar heb je 't al" — denkt Symen — en herinnert zich de waarschuwing van Syke, den vorigen avond hem gegeven. Zonder een woord te zeggen, hamert hij door, schijnbaar met alle aandacht bij de tobbe van Doede-Jantje, waar een paar nieuwe staven ingezet moeten worden, maar inwendig woedend over dezen uitbrander. Wacht maar; als de rollen straks omgekeerd zijn, dan zal hij hèm wel eens mores leeren!
Den ganschen dag evenwel merkte hij 't spiedend oog van zijn baas, die meer dan ooit toezicht op zijn arbeid hield, om bij de minste onhandigheid aanmerkingen te maken of hem te doen verstaan, dat hij hem zoó niet langer gebruiken kon. Nog nooit heeft hij den avond zoo begroet als ditmaal, om in een toestand thuis te komen, die het voor Syke niet makkelijker maakte. Temeer, waar hij tegen zijn gewoonte dien ganschen avond op zijn stoel bleef zitten, omdat hij het niet geraden vond zich onder het publiek te begeven.
Want in het dorp werd den eersten tijd niet veel anders gesproken dan over de aangekondigde vergadering. Geen huis, waarin dien eersten dag na de mededeeling, de Bijbel niet ter hand genomen werd om te lezen wat in Jacobus 5 vers 1—5 geschreven stond, en zeker had deze Zendbrief in geen jaren zooveel belangstelling getrokken als thans. Voor velen was deze uitlating van den Apostel een verrassing, waarbij zij nooit eerder hadden stilgestaan. Anderen, die daartoe in de gelegenheid waren, sloegen de een of andere verklaring op of lazen wat „de kant" er van zei. Jasper, die met groote verontwaardiging kennis nam van de voorgenomen plannen, is aanstonds naar Sander en den schoenmaker-ouderling geloopen om met dezen te gaan overleggen wat er tegen deze beweging gedaan moest worden en vervolgens elk te waarschuwen, dat men geen verkeerde gevolgtrekkingen maken moest uit hetgeen de heilige Apostel schreef, omdat dit alleen de goddelooze rijken betrof, die op een verkeerde wijze aan hun geld gekomen waren. Slechts een enkele trouwens, die iets gevoelde voor hetgeen door eenige ontevredenen op touw zou worden gezet, doch des te grooter was de nieuwsgierigheid naar hetgeen te gebeuren stond.
Ook Syke kreeg ruim haar deel van deze onaangename geschiedenis. Hoewel de sloof part noch deel aan de beweging had, wat trouwens heel Zorgvliet wel begreep, waren er toch velen die niet konden nalaten haar pijnlijk te wonden. „Niet noodig" — klonk het al van verre, toen zij bij Radsma op het heem stapte, waar anders altijd alle bakkerswaren van haar gekocht werden, en bij de Burenga's werd haar kort en bondig gezegd, dat zij niet weer behoefde te komen; men kon op ,,Unia-State" ook nog wel anders geholpen worden.
Voor vrouw Rijpkema had zij haar hart uitgestort. Schreiend is zij op een stoel in de keuken neergevallen, om haar lang verkropte leed, waar geen mensch kennis van droeg, anders niet dan Sander, hier uit te weenen. „Kon zij het helpen, dat Symen een socialist was? En was dit dan de weg om hem daarvan terug te brengen? Moest het geen verbittering wekken, als hij te weten kwam hoe zij vandaag behandeld werd? In elk geval heeft zij toch nooit iets gezegd of gedaan, waarom men aanleiding zou hebben haar als een hond van het heem te jagen. Op het oogenblik konden zij het allen nog heel goed doen, de Radsma's en de Burenga's en de Dantema's, maar zij hadden toch zelf ook nog ongedekte schuren en niet te weten wat deze boven het hoofd hing. 't Was wel meer gebeurd, dat kinderen van rijke ouders straatarm werden en als bedelaars liepen te schooieren. Zij wenscht het niemand toe, want zij wéét wat armoede is, maar een weinig zachter oordeel zou hen allen passen, die nu nog in den overvloed zaten. D'r waren wel grooter bergen gedaald".
Een tijd lang heeft vrouw Rijpkema haar laten weenen. Omdat zij begreep, dat het haar verlichting gaf. Toen heeft zij haar getroost door te wijzen op den Eénige, die ook voor het huiselijk leed balsem heeft, en de zonden der jeugd vergeven wil. Daar op heeft zij haar geraden hoe te moeten handelen met Symen. Niet met geweld of kwaadheid, 't Was nu eenmaal zoo, en die vergadering moest dóórgaan, maar door hem met liefde en zachtmoedigheid te leiden en te trachten hem te winnen voor den dienst des Heeren. Zij zelf moest daarin ook meer getrouw worden, ook met het oog op de kinderen. Zeker zou zij dan komen te ervaren dat de Heere op tijd uitkomst geeft aan allen, die het van Hem verwachten, en dat het water bij de kinderen Gods wèl tot aan de lippen, maar er nooit óver komt. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's