MEDITATIE
Een machtig woord
Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend.Handelingen 15: 8.
Wonderlijk is de weg van den wijn, dien kostelijken drank. Immers de wijn wordt geboren uit persing en gisting. Ziet, daar hangen de druiven in rijke trossen aan den wijnstok. De gave vruchten, zij lachen u toe van tusschen de bladeren. Maar zoolang de vruchten gaaf blijven, is er geen sprake van wijn. Neen, wil er wijn gevonden worden, dan moeten de druiven den persbak in. Dan moeten zij vertreden worden. Dan moet vervolgens de most, het versche sap in de donkere gistkuipen worden gestort, opdat daar door gisting de wijn worde geboren.
Wonderlijk de weg van den wijn, echter met den wijn der waarheid Gods is 't niet anders gesteld. Ook deze heeft om geboren te worden èn de persing èn de gisting van noode. Daarvan geeft de geschiedenis der Kerk voorbeelden op schier elke bladzijde. Neen, het waren voor de Kerk de beste tijden niet, die tijden, dat er rust was van binnen en rust van buiten. Dat werden veelal tijden, dat er een doodige rust was op den droesem der traditie. Maar als er persing was van buiten en gisting van binnen, dan vloeide helder de wijn van Gods waarheid uit in het licht der openbaarheid. Zelfs in de vroegste geschiedenis der Kerk kan dit al worden opgemerkt en heel sprekend komen deze dingen uit in het vijftiende hoofdstuk van het boek de Handelingen. In dat hoofdstuk worden wij binnengeleid in een vergadering der Kerk. En ach, persing van buiten was er genoeg. De vijand was in vervolgingswoede ontbrand. En ach, gisting en twisting van binnen was er ook genoeg. Maar de Heere liet juist in dezen weg den wijn Zijner waarheid klaar uitstroomen en op de vergadering werd een machtig woord gesproken, een woord dat wij een oogwenk voor uw aandacht willen zetten.
Het is het woord, opgeteekend in het 18de vers: Gode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend.
Niets valt den mensch zwaarder dan om nieuwen wijn te doen in nieuwe lederen zakken. Want de mensch is aan de oude zakken gewend. Hij kent hun kleur, hij kent hun vouwen en hun naden. Daarenboven, de wijn uit de oude zakken is zoet geweest in zijn mond, wat zal hij dan met nieuwe zakken beginnen? De oude lederen zakken, de oude vormen, zij hebben de voorkeur van den mensch, en de landman, die veel achter den ploeg heeft geloopen, hij verandert zijn stap niet, zelfs niet als hij gaat achter een doode. Hij loopt naar den ploeg, zelfs in den begrafenisstoet.
Dit behoeft echter niet tot schade te zijn. Maar bedroevend en schadelijk worden deze dingen, als 't gaat om 't leven des geestes. En ach, ook daar, juist daar, is zooveel voorliefde voor de oude lederen zakken, voor de oude vormen. Dat moet evenwel zoo zijn. Immers de mensch heeft van nature geen vat aan de geestelijke dingen, hij verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Maar hij wil toch wat hebben en geen vat hebbende aan den inhoud klemt hij zich vast aan de oude lederen zakken. Daar komt nog iets bij. God komt Zijn Waarheid te openbaren in vormen, die vatbaar zijn voor den mensch. Daarin maakt de Heere zich vrij van den mensch. Maar telkens weer wordt het vergeten, dat reeds de vorm der Godsopenbaring een genade is. Dan worden deze vormen niet meer gezien als een voorrecht, maar als een recht. Dan komt de hoogmoedige mensch er zelfs toe om zich op deze vormen te verheffen en dan staat de deur wijd open voor een dood formalisme, voor een dooden vormendienst en de daarmede hand aan hand gaande wettische vroomheid.
Zoo stond het in de eerste dagen der Christelijke gemeente met de besnijdenis. Die besnijdenis was voor Israël een Sacrament, een zichtbaar teeken, en zoo een voorrecht. Maar dit teeken had afgedaan, nu Hij gekomen was, Die de gansche wet vervulde. Echter Israël wilde aan dat oude teeken vasthouden. Israël gevoelde die besnijdenis niet meer als een gunstzaak, maar als een eerezaak, en het was niet te verwonderen dat sommige wettische Joden, die zich bij de Christelijke gemeente hadden gevoegd, aan de besnijdenis bleven vasthouden, ja, deze oude ceremonie als een verplichting wilden stellen voor allen, die in de gemeente wenschten te worden opgenomen.
Maar hieruit ontstond twisting, hieruit moest wel twisting ontstaan. Immers de levende gemeente wist dat zij door Christus was vrijgemaakt, zij stond in de Christelijke vrijheid. Zij wist te leven uit genade en alle wettische vroomheid was haar verre. Daarom moest zij zich wel verzetten tegen het drijven der wettische Joden. Lezer, steek een dood stukske hout, een splinter in levend vleesch. Wat ziet gij dan? Dan ziet gij hoe dat levende vleesch onder ontwikkeling van etter dat doode stuk hout uitdrijft. Want dood en leven verdragen elkander niet. Zoo moest de levende gemeente wel onder strijd, ja, onder twisting dat stuk dooden vormendienst uitstooten.
Zoo was er dan twisting op de vergadering te Jeruzalem.
Veel werd er gesproken. Ook Petrus sprak, hij, de vurige, moest zijn mond wel opendoen. Ook Paulus en Barnabas spraken, zij moesten wel spreken over de groote dingen, die God ook bij de heidenen had gedaan. Ook Jacobus spreekt en hij neemt in den strijd het goede zwaard van Gods Woord in de hand. Hjj toont aan hoe de Heere het in Zijn Woord al had voorzegd; dat ook de heidenen zouden komen naar Sion. Maar dan ziet hij door Gods Woord heen op den Heere Zelve, en het machtige woord komt van zijn lippen: Gode zijn alle Zijne werken van eeuwigheid bekend.
Een machtig woord, want in dat woord treedt de eeuwig zijnde God naar voren. Och, daar is zooveel geloof aan God, zonder dat de Eeuwigzijnde is ontmoet in Zijn majesteit. De mensch van het overgeleverde geloof gelooft aan God, gelijk hij gelooft aan het bestaan van Amerika. Het is hem op school geleerd, dat er aan de overzijde van den oceaan een groot land ligt; betrouwbare menschen, die er geweest zijn, hebben het hem verteld, en nu gelooft hij het gaarne. Maar hij laat dat land voor wat het is en het bestaan van dat land maakt geen deel uit van zijn leven. Zoo is het gesteld met den mensch van het overgeleverde geloof. Hij gelooft aan God, natuurlijk, het is hem altijd geleerd dat er een God is. Maar de Eeuwigzijnde maakt geen deel uit van zijn leven. Met al zijn geloof aan God, leeft hij zonder God in de wereld. Nimmer heeft hij gestaan voor de schrikwekkende realiteit van het Godsbestaan, nimmer heeft hij zich zien staan voor het aangezicht des Heeren, nimmer heeft hij zichzelf gezien als een aardworm, een niets voor het oog des Heeren. Maar Jacobus heeft dit doorleefd en doorstreden. En wanneer het nu gaat om een gewichtig besluit, te nemen door de gemeente, dan treedt Jacobus, die zich niets weet bij God, achter den Heere terug en hij komt met dat machtige woord: Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend.
Een machtig woord; ook hierom, dat in dat woord de werkende God naar voren treedt. Ja, in ons tekstwoord komt de eeuwige werkzaamheid Gods uit; immers slechts over werken van eeuwigheid is eeuwige kennis mogelijk. Maar ook deze waarheid is te hard voor den natuurlijken mensch, hetzij hij dan leeft binnen of buiten de gemeente, die naar Christus' naam wordt genoemd. Och, de mensch trekt op het werkprogram van zijn leven het werk Gods pro memorie uit. Hij wil zelf werken èn voor den tijd èn voor de eeuwigheid. En eerst wanneer hij zelf niet meer kan — in nood van allerlei aard — dan wil hij nog een plaatsje inruimen voor het werk Gods. Of ook — en dit ziet gij binnen de gemeente — wil de mensch wel wat werk aan God overlaten, maar zelf wil hij ook wat doen en hij werkt in zijin eigene wijsheid naar God toe. Maar alle deze dingen snijdt het woord van Jacobus bij den wortel af. En als het werkprogram van de gemeente in betrekking tot de toegebrachten uit de heidenen moet worden opgemaakt, dan wil Jacobus alleen weten van het werk van God, dat werk, waarvan de Heere wetenschap heeft willen hebben van eeuwigheid.
Een machtig woord, dat is dat vers van onzen tekst. Een woord, dat alle wettische vroomheid en alle wettisch streven tegen de aarde werpt. Een woord dat alle steunpunt aantast, dat de mensch mocht hebben bij zichzelven en dat alle steunpunt legt in God.
Een machtig woord. Maar om de volle heerlijkheid van dat woord te zien, zal het aanschouwd moeten worden bij het licht van het heerlijkste werk van God, bij het licht van de zending door den Heere van den Zoon zijner liefde in menschelijk vleesch. O, als wij dat mogen doen, dan weten wij het: God heeft eeuwige wetenschap gehad ook over dat werk der genade dat Hij gewrocht heeft in Jezus Christus. Dan wordt ons over den Zoon des menschen heen een verre blik gegund in de troonzaal van het hemelsche Sion, waar in den eeuwigen vrederaad het besluit gevallen is. Dan hooren wij het verre ruischen van de woorden, waarmede God de Zoon gezalfd werd tot Hoogepriester naar Melchizedek's wijs. Dan hooren wij 't woord Zijner lippen: Zie, ik kom, de rol des boeks is met Mijn naam vervuld. Dan springen onze gedachten terug tot vóór den val, neen tot vóór de schepping, om een wijle te rusten op het besluit van dien God, Wien alle Zijne werken van eeuwigheid zijn bekend.
Maar als dan gekend wordt het werk Gods aan het hart, dan wordt dit alles zoo overrijk aan vertroosting. Dan wordt het bij dat woord van Jacobus weer overdacht: Niet ik ben begonnen, maar de Heere, Hij, die in den Raad der verkiezing heeft willen zien op een verloren volk. Dan moet het ook weer beleden worden: Niet ik heb het voortgezet tot op dezen dag, maar ook deze voortzetting is een werk van den trouwen God. Dan worden daar alle steunpunten weer weggeslagen die de mensch zichzelf had gebouwd. Maar dan is er weer plaats voor het roemen op Gods werk en op Gods trouwe alleen, en dan komt de juichkreet op de lippen, die ook Paulus eenmaal opzond: ,,Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Engelen noch overheden, noch machten: noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.
Z. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's