STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De Troonrede.
Dinsdag werd de gewone zitting der Staten-Generaal, de eerste in het nieuwe parlementaire tijdperk, geopend. Zooals gewoonlijk, trok de plechtigheid bijzondere aandacht. De rede, waarmede de Koningin de zitting opende, luidde:
Leden van de Staten-Generaal !
Te midden van U, Leden der Staten-Generaal, voel ik Mij gedrongen uiting te geven aan ootmoedige erkentelijkheid voor den zegen, dien de Almachtige ook dit jaar over Mijn dierbaar Volk heeft verspreid.
Die zegen zij een spoorslag te meer voor alle deelen van het Rijk en zijne inwoners van elken landaard, om hunne beste krachten bij voortduring te blijven geven aan de vreedzame ontwikkeling van het hechte geheel van Moederland en Overzeesche Gewesten.
De betrekkingen, welke met de andere Mogendheden worden onderhouden, zijn van den meest vriendschappelijken aard. Dat de hier te lande in het belang van den wereldvrede gehouden besprekingen tot overeenstemming hebben mogen leiden, stemt tot groote voldoening.
De verwezenlijking der plannen van den Volkenbond ter vreedzame oplossing van internationale geschillen, zal door Mij krachtig worden bevorderd, in de overtuiging, dat versteviging van de internationale rechtsorde den weg zal helpen banen tot gelijktijdige en wederzijdsche vermindering van bewapening.
Pogingen, die zouden kunnen leiden tot wegneming van de belemmeringen in het handelsverkeer tusschen de volkeren, kunnen op Mijnen daadwerkelijken steun rekenen.
De wensch naar totstandkoming eener nieuwe regeling met België kon nog niet worden vervuld.. Ik vertrouw, dat een juister begrip van de wederzijdsche rechten en behoeften, waartoe de gedachtenwisseling, die in het vorige zittingsjaar plaats had, bevorderlijk kon zijn, 't bereiken van overeenstemming ten goede zal komen.
De toestand van handel en nijverheid geeft in menig opzicht stof tot dankbaarheid.
Niettegenstaande de oogst ook dit jaar over het algemeen niet onbevredigend mag heeten, zouden land- en tuinbouw zich breeder ontplooien, zoo de prijzen der voortbrengselen gelijken tred hielden met de productiekosten. Vertrouwd mag worden, dat de onlangs tot stand gekomen wettelijke maatregelen ter bevordering van onzen uitvoer, heilzaam zullen werken op den afzet in het buitenland.
Op Uwe medewerking zal een beroep worden gedaan ter behandeling van de thans aanhangige wetsontwerpen, voorzoover zij daartoe, gewijzigd dan wel ongewijzigd, in aanmerking komen.
Het reeds ten vorigen jare aangekondigde ontwerp tot herziening van het huwelijksvermogensrecht zal U thans spoedig bereiken; ook overigens zal vernieuwing van recht op onderscheiden gebied worden bevorderd.
Met krachtige bestrijding van de werkloosheid zal worden voortgegaan.
Naar ik vertrouw, zal het rapport der Staatscommissie voor de herziening van de Lager-Onderwijswet 1920 binnen niet te langen tijd worden ingediend. Met den meesten spoed zullen alsdan de vereischte voorstellen tot herziening van de Lager-Onderwijswet 1920 aanhangig worden gemaakt.
Het zal Mijn ernstig streven zijn het financieel evenwicht te handhaven. Daartoe zal op den weg van versobering van 's Rijksdienst behooren te worden voortgegaan en zal voorzichtigheid geboden zijn ten opzichte van .................... maatregelen welke lasten op 's Lands schatkist kunnen leggen.
De uitgaven voor leger en vloot zullen beperkt blijven tot het beslist noodige voor handhaving van de onzijdigheid en verdediging der onafhankelijkheid van den Staat.
Indiening van een wetsontwerp inzake de kanaalverbinding van Amsterdam met den Rijn wordt bespoedigd.
Een voorstel tot wijziging van de Zuiderzeesteunwet zal U worden voorgelegd.
De verbetering der wegen en rivierovergangen zal krachtig vworden voortgezet.
Een wetsontwerp betreffende de publiekrechtelijke regeling der collectieve arbeidsovereenkomsten zal worden ingediend.
In voorbereiding is een wettelijke regeling omtrent de instelling van bedrijfsraden.
Herziening van de sociale verzekering zal worden ter hand genomen.
In voorbereiding is een wettelijke regeling der werkloosheidsverzekering.
Overwogen wordt verbetering der economische voorlichting van nijverheid en handel.
Met den middenstand zal nog nauwer dan tot heden voeling worden gehouden.
Voortgezet wordt het onderzoek in hoeverre, zoolang het vrije ruilverkeer niet internationaal gehuldigd wordt, door een onderhandelingstarief de nadeelen voor een deel van onze nijverheid en landbouw van elders geheven beschermende invoerrechten zouden kunnen worden getemperd.
Ten aanzien van den politieken toestand in Nederlandsch-Indië blijft waakzaamheid geboden. Intusschen valt te wijzen op de teekenen van een veldwinnend inzicht, dat slechts door daadwerkelijke deelneming van alle groepen der bevolking aan het opbouwend werk der Overheid het algemeen belang in waarheid wordt gediend.
Het bedrijfsleven in Nederlandsch-Indië ondervond den terugslag der voor sommige landbouwproducten ongunstige verhoudingen op de wereldmarkt. De algemeene toestand kan niettemin bevredigend worden genoemd.
Op hetgeen in de laatste jaren op het gebied van de ontvoogding van Nederlandsch-Indië is verricht, wordt niet teruggekomen. Afgescheiden van andere vereischten zal aan de beginselen der ontvoogding in de sfeer van het centraal bestuur geen uitbreiding worden gegeven vóór en aleer de grondslagen van die ontvoogding zijn bevestigd door verdere uitvoering van de wet op de bestuurshervorming van 1922.
Aan die uitvoering zal met voortvarendheid worden gewerkt, zoo door uitbreiding, over de verdere deelen van den Archipel, van het gebied, waarop haar beginselen toepassing vinden, als door eene kracht toepassing van die beginselen binnen dat gebied.
De economische toestand van Suriname blijft ernstige aandacht vorderen. Tegenover een voortgezette uitbreiding van de koffiecultuur en van de bauxietnijverheid staat een teruggang van de goud-en balatawinning. Ook voor de suikerrietteelt zijn de vooruitzichten minder gunstig.
Reden tot verheugenis biedt de voortschrijdende opbloei van Curacao. Op een duurzame versterking van de ter plaatse aanwezige gezagsmiddelen tot handhaving van rust en orde blijft Mijne aandacht gevestigd.
Met de innige bede, dat God Uw arbeid mildelijk moge zegenen, verklaar Ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend.
Dat de Koningin, en in Haar het Kabinet in den aanhef en het slot van het Staatsstuk Gods Naam openlijk belijdt, doet weldadig aan. Een uiting van ootmoedige erkentelijkheid voor den zegen, dien de Almachtige ook dit jaar over ons volk en vaderland heeft verspreid en welke zoo warm en innig door Hare Majesteit werd voorgedragen, siert de opstellers van het stuk.
Hoe heel anders klonken de woorden, die kort daarop in de openingsrede van den waarnemenden voorzitter der Tweede Kamer, den sociaal democraat Schaper, werden gehoord.
Het was we! een schril contrast, toen in deze rede geen danktoon voor ondervonden zegeningen werd vernomen en er geen behoefte aan scheen te bestaan om Gods hulp en bijstand voor de werkzaamheden der Kamer in te roepen.
Stemmen de woorden, waarop wij de aandacht vestigden, uit de Troonrede, tot groote dankbaarheid, deze woorden zeggen ons echter te weinig om daaruit reeds de politieke gedragslijn te leeren kennen, welke het kabinet zal volgen.
Natuurlijk kan het de bedoeling van het Kabinet zijn om zoo voor bestuur als wetgeving de christelijke grondslagen van ons volksleven te blijven handhaven, hetgeen wij van harte hopen dat het geval zal zijn; doch dit wordt in het Staatsstuk niet gezegd. Het zou ons wat waard zijn geweest, zoo in de Troonrede duidelijk ware uitgekomen, dat voortbouwen op deze grondslagen doel en streven van het Kabinet zal zijn.
Dat heel wat maatregelen, die in de Troonrede worden aangekondigd, onze sympathie hebben, als: krachtige bestrijding van de werkloosheid; de paragraaf betreffende het onderwijs; de handhaving van de onzijdigheid en verdediging der onafhankelijkheid van den Staat; de goede zorg voor de geldmiddelen enz., zal wel niet nader behoeven te worden betoogd. Eveneens hebben wij met groote belangstelling gelezen, dat in het Staatsstuk niet gewaagd wordt van ontwapening, noch minder van eenzijdige ontwapening, maar dat het beginsel wordt voorgestaan om door versteviging van de internationale rechtsorde te geraken tot gelijktijdige en wederzijdsche vermindering van bewapening. Dit is een goed beginsel, dat ongetwijfeld toejuiching verdient.
Achter enkele punten uit de Troonrede stellen wij een vraagteeken. Deze betreffen bijzonder den uitbouw van de sociale wetgeving, te weten: de publiekrechtelijke regeling der collectieve arbeidsovereenkomsten; de wettelijke regeling omtrent de instelling van bedrijfsraden, enz. Al deze toezeggingen hebben voor ons zoo weinig positiefs, dat we ons oordeel daarover moeten opschorten tot tijd en wijle wij de wetsontwerpen concreet voor ons zien.
De paragraaf over Nederlandsch-Indië geeft voldoening, omdat wij er het voeren van een voorzichtig koloniaal beleid in opmerken. Er zal gestreefd worden naar verdere uitvoering van de wet op de bestuurshervorming van 1922, een o.i. juiste weg. Bij deze algemeene opmerkingen betreffende de Troonrede zuilen wij het ditmaal laten, omdat de gelegenheid voorzeker komen zal om op de onderdeden nog nader terug te komen.
Niet optimistisch gestemd.
Wnneer men z'n oor te luisteren legt, verneemt men heel wat stemmen, en niet voor het minst ook uit Protestantsch-Christelijke kringen, die van oordeel zijn, dat er tusschen het extra-parlementaire Kabinet Ruys, zooals dit thans uitsluitend uit mannen van rechts is samengesteld, en een kabinet, dat zou steunen op de groepen der rechterzijde, in de komende parlementaire periode practisch maar weinig verschil in de politieke leiding zal zijn te constateeren.
Zij, die deze meening voorstaan, hebben, naar 't ons wil voorkomen, een onjuisten kijk op den gang van zaken en zullen te zijner tijd het wel ervaren, dat zij hier mis zagen.
Wij willen tot staving van onze zienswijze nu reeds op een paar feiten wijzen.
In de eerste plaats vestigen wij de aandacht op de verzorging van de defensie hier te lande, zoomede op die van 't grondgebied van het Rijk buiten Europa. Zooals bekend is, bestaat in de Tweede Kamer geen meerderheid, die bereid is genoegzaam gelden ter beschikking van de Regeering te stellen om te voorzien in een deugdelijke samenstelling van het leger en van de vloot. Noch de Sociaal Democraten, noch de Vrijzinnig Democraten, noch een groot deel der Roomsch Katholieken, en dat zijn zeker meer dan 50 leden der Kamer, gevoelen de noodzakelijkheid van een krachtige defensie zoowel voor het Rijk in Europa als voor dat daarbuiten. Met hoeveel moeite vorige kabinetten de gelden verkregen om leger en vloot op behoorlijk peil te krijgen, is van algemeene bekendheid. Een koloniale Mogendheid als Nederland b.v. heeft ter bescherming van hare belangen in Oost-Indië en West-Indië een vloot noodig, welke ook in staat is de neutraliteit in het Rijk buiten Europa bij oorlogsgevaar te handhaven. Destijds werden voor deze diensten twee kruisers gebouwd, die echter op dit oogenblik reeds heel wat jaren tellen. Maar naast deze twee kruisers is het broodnoodig dat een derde kruiser wordt op stapel gezet. Doch daarvan zal onder het tegenwoordige kabinet niets komen. Daarvoor had overleg moeten plaats hebben alvorens de Kabinetsformatie werd ter hand genomen. Bij een parlementair kabinet zou dit overleg zeker niet zijn uitgebleven. Maar thans is de zaak verkeken, met 't gevolg dat het marine-materiaal veroudert en daarmede de veiligheid van het Rijk buiten Europa in gevaar komt.
Een ander feit, waarop wij willen wijzen, betreft de Zondagsheiliging. Ook van dat onderwerp geldt het, dat de meerderheid der Kamer aan de Zondagsheiliging geen waarde hecht en dat het extra-parlementaire Kabinet Ruys het voetspoor zal volgen van zijn voorganger. De Protestantsch-Christelijke partijen missen, doordat de Christelijk Historischen op vast accoord niet wilden medewerken, den invloed, die noodig zou zijn geweest om den Zondag geëerbiedigd te krijgen. Met overleg zou zeker ook hier heel wat zijn verkregen geworden. Het zal dan ook wel blijken, dat er een groot onderscheid is of het kabinet voor eigen rekening staat, dan wel of 't steunde op de partijen der rechterzijde. In allerlei opzichten zal het duidelijk worden hoe groot het nadeel is dat Minister Ruys is zijn eerste poging niet slaagde. Op dit punt zijn wij zeker niet optimistisch gestemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's