De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

9 minuten leestijd

Postgiro 138421.

't Is van den avend
Lammeliedjes avend.

Dat is het eentonig refrein van een lied dat mij, terwijl ik dit schrijf, onophoudelijk in de ooren klinkt. Ja, daar moet je Veenendaler voor zijn om de beteekenis daarvan te snappen. Dat is hier n.l. een plaatselijke gewoonte, die reeds jaar en dag bestaat. Als het u interesseert om er iets van te weten, wil ik er u wel wat van vertellen. Vroeger toen de groote fabrieken die er nu zijn, hier nog niet waren, en de arbeidsduur dus ook heel anders geregeld was, woonden hier vele z.g.n. „wolkammers". Dat waren kleine bazen of baasjes die ieder voor zich met één of meer knechts de wol der schapen verwerkten tot sajet. Tot half September lieten deze „wolkammers" hun arbeiders nog niet werken bij de lamp. Maar zoo ongeveer om dezen tijd begon men ook weer bij lamplicht te arbeiden. Dat begon op dien Maandag die op 17 September viel of het dichtst aan den 17den voorafging. Dus in ieder geval tusschen den 11den en den 17den. Op dien bewusten Maandag, als zij weer bij de lamp moesten gaan werken, werden dan echter de knechts door hun bazen eerst flink getracteerd. Meestal mochten zij zich te goed doen aan een welvoorzienen disch en na afloop daarvan werd overvloedig saliemelk gedronken. Booze tongen beweren dat er ook nog wel eens wat anders dan melk werd gebruikt. In ieder geval die Maandagavond was een avond waarop men zich te goed deed, en omdat de olie dan weer in de lamp werd gegoten, werd deze avond door de voorgeslachten „lampbegietersavond" genoemd.
Nu is er van de vroegere beteekenis van dezen avond heel wat weggevallen. Het kleinbedrijf is natuurlijk goeddeels door 't grootbedrijf vervangen. Bovendien is niet alleen de arbeidsduur, maar zijn ook de arbeidsvoorwaarden tegenwoordig bij de Wet heel anders geregeld. Dus dat werken bij de lamp bestaat natuurlijk niet meer. Daarmee zijn ook de maaltijden vervallen. Het eenige wat hiervan nog overig is is dit, dat de slagers zich tot hiertoe nog altoos beijverd hebben, hun vleeschwaren op dezen avond eens extra uit te stallen én dat er haast geen gezin is in heel Veenendaal, waar men vanavond inplaats van salie- geen chocolademelk — maar het is nu overal echte melk, hoor! — drinkt. En ja, dan is er nóg wat van overgebleven. Dat n.l. de kinderen vanavond bijna allemaal met een lampion op straat loopen. Heele kleine kleuters zelfs van 3 en 4 jaar loopen aan de hand van vader of moeder al met zoo'n lichtje in de hand. Zoo hier en daar vliegt er wel eens één, die niet al te nauwkeurig behandeld wordt, in brand. Maar zoo'n brandje is natuurlijk spoedig gebluscht. Als gij dan ook thans vooral in onze Hoofdstraat komt, dan maken al die lichtjes geen onaardig effect en zij bieden den kinderen een onschuldig genot. En om de pret dan nog te verhoogen hoort ge hier en daar wat vroolijke kinderstemmen zingen dat historisch geworden lied: „'t Is van den avend, Lammeliedjesavend". Gij moet n.l. weten dat de volksmond het „lampegietersavond" — voor een kind ook een heele mond vol — eerst in „lampbegietjes avond" en later in „lammeliedjesavend" verbasterd heeft.
Zie zoo, nu weet ge wat in 't Veen de „lammeliedjesavond", die op dezen schoonen avond in al zijn glorie gevierd wordt, te teteekenen heeft. Nu ja, zegt ge, maar wat heeft dat nu met „Financiën" te maken? Van al die lichtjes zal uw „laatje" toch zeker geen cent rijker worden. En 'k stem het u aanstonds toe: die lampjes doen het hem niet. Maar toch zie ik een punt van overeenkomst tusschen den lampegietersavond en mijn werk. Ziet eens, die lamp van de oude wolkammers moest begoten worden, begoten worden met olie en anders brandde zij niet en kon er bij die lamp ook niet gearbeid worden. Welnu, zoo is het met mijn „laatje" ook. Dat moet gedurig olie hebben, gedurig weer nieuwe olie. Anders houdt het op met branden en kan het onmogelijk het gewenschte licht verschaffen. Als gij er dus prijs op stelt — en ik weet dat gij dat doet — dat mijn lampje blijft branden, zorg er dan voor dat het gedurig weer begoten wordt. Aan één „lampegietersavond" in een jaar heb ik heusch niet genoeg. Ik heb gedurig weer nieuwe olie noodig en daarom wil ik maar zeggen nu ja, de rest weet ge nu wel. En laat ik dat nu vooral eens tegen de Veenendalers mogen zeggen. Ja, vandaag hebben zij „lampegieters-Maandag", maar als het weer sabbat is dan houden we hier ook een „lampegieters-Zondag". Wat dat beteekent zal ik nu nog maar niet van de daken verkondigen. Alle Veenendalers, die gister ter kerk geweest zijn, weten wel wat ik bedoel. En als zij het buiten 't Veen de volgende week weten, is het vroeg genoeg. Ik hoop nu maar dat mijn lampje op den „lampegieters-Zondag" zóó begoten zal worden dat het er weer een heelen tijd van branden kan. Denk er allen maar aan dat, als het uitgaat, het in de toekomst tot uw eigen schade zal zijn en als het blijft branden dat gij er dan zelf profijt van kunt trekken. Het blijft ook in dezen nog altoos waar wat God in Zijn Woord ons beloofd heeft, dat n.l. de zegenende ziel zal vetgemaakt worden.
En hoe het nu met mijn ,,extraatjes" gegaan is? Nou, dat mag wel zoo zijn. Er zijn blijkbaar een heeleboel lezers van „De Waarheidsvriend" geweest die mijn weeklacht niet gelezen hebben. Nu, dat neem ik hun niet kwalijk dat zij mijn ,,geleuter" wel eens overslaan. Maar er zijn er toch óok nog die het wel gelezen hebben èn die er blijkbaar goede nota van genomen hebben. Straks vertel ik het u wel nader. Maar laten we met de gewone gaven beginnen. En dan straks de „extraatjes".
K a m p e n, van den heer E. Roest van N.N. een gift van ƒ 5.—, bedoeld als dankoffer voor het bedanken van ds. Steenbeek voor het beroep naar Huizen. Maar, schrijft de heer R. er onder: „nu heeft ds. S. het beroep naar Oudewater aangenomen". Hij bedoelt zeker: wat zullen zij in Oudewater nu doen?
M ij n s h e e r e n l a n d, van den kerkeraad een gift van ƒ 2.50 voor het Studiefonds, gevonden in de collecte op Zondag 8 September l.l.
G r o n i n g e n van den heer J. B., die zich aanmeldde als contribuant van het Studiefonds, zijn contributie over dit jaar, zijnde ƒ 2.50.
H a r d e r w ij k, van diaken A. van Dam een collecte, gehouden in de kerk voor beide Fondsen, zijnde een bedrag van ƒ 35.05.
K r a l i n g e n, van ds. Pott een gift van ƒ 1.— onder letters L. K.
Gelukkig, dat de extraatjes nu volgen, want anders bleef ik deze week een heel eind onder de streep. Maar nu denk ik dat ik er nog net boven zal komen. Zie maar eens na.
M o n s t e r, van den heer J. N. ƒ 1.— voor „het leege laatje".
H e e l s u m, van den heer H. A. v.d. W. ƒ 1.—; „het gevraagde extraatje".
H e e m s e, van den heer A. B. ƒ 10.—, een „extra bijdrage voor de extra uitgaven".
K r a l i n g e n, van ds. Pott onder letters B. B. ƒ 1.— voor het Studiefonds.
N i e u w e  T o n g e, van ds. A. D. ƒ 1.— „voor het kastekort".
B a a rn, van ds. Kievit ƒ 7.50, zijnde van N.N. een gift van ƒ 5.— en van N..N. een gift van ƒ 2.50 voor het Studiefonds.
W e s t e r v o o r t, van mej. de wed. H. B. een extraatje van ƒ 5.—.
S n e e k, van mej. B. P. een extraatje van ƒ 10.—.
P a p e n d r e c h t, van N. N. een extraatje van ƒ2.50.
R ij n s a t e r w o u d e, van B. een extraatje van ƒ 2.50.
R o t t e r d a m, van den heer M. van D. een extraatje van ƒ 1.50.
M o e r c a p e l l e, van den heer J. v. d. B. een extraatje van ƒ 1.50.
V e e n e n d a a l, de volgende extraatjes: van B. v.d. W. ƒ 1.—; van N.N. ƒ 5.— ; van N.N. ƒ 2.50 ; van N.N. ƒ 2.— ; van N.N. ƒ 2.50 en van N.N., nabij Veenendaal, die zijn extraatje Zondag in den kerkezak deed onder het motto „het gevraagde kwartje" ook ƒ 2.50. Dat is samen een bedrag van ƒ 15.50. Een van deze N. N.'s voegde er aan toe: ,,Vast voor het bedanken van ds. Van Wijngaarden naar De Vuursche". Maar ja, daar zit ik nu wel een beetje mee, want als hij het nu eens aanneemt, hoe moet het dan? Teruggeven heb ik ook niet veel zin in. Enfin, we zullen maar hopen dat deze profetische geest het goed heeft gezien. Dan komt 't mijn lampje vast niet te onpas.
Maar hiermee geloof ik dat ik weer aan het eind ben gekomen. Zijn er soms nog vrienden, wier geweten hen aanklaagt dat zij nog wat in hun zak hebben wat hun eigenlijk niet toekomt? Ik heb mijn post ,,extraatjes" nog niet afgesloten hoor! Dus gij kunt nog terecht.
Nu even optellen. Ja hoor, boven de streep. Een bedrag van
f 106.05.
't Zou mij tegenvallen als ik de volgende week niet 't dubbele had. Intusschen heel veel dank aan allen die tot dit bedrag heb ben meegewerkt.
Veenendaal, De Penningmeester,
Ds. M. JONGEBREUR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's