MEDITATIE
Ten gerichte
Nog deed Hij mij aldus zien, en zie, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was en een paslood was in Zijne hand; en de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos ? En ik zeide: een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van mijn volk Israël. Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Amos 7 vers 7, 8.
De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vreezen? De Heere Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteeren?
Welk een indrukwekkend woord, waarmede Amos optrad in 't midden zijns volks!
Hij was geen profeet, zooals hij zelf zegt, en ook geen profetenzoon, maar de Heere nam hem van achter de kudde en zeide tot hem: ,,Ga heen, profeteer tot mijn volk Israël". Van Thekoa, zijn woonplaats, twee uren ten zuiden van Bethlehem, aan den rand der woestijn, moest hij zich opmaken om de boodschap Gods te gaan bekend maken aan het Noordelijke Rijk!
Hoe diep was Israël in zijne dagen gezonken! Door ongekenden voorspoed en weelde waren des Heeren ordinantiën in vergetelheid geraakt. Men vroeg niet meer naar des Heeren geboden. Zeker, men wilde God nog wel dienen, maar alleen met eene eigenwillige vereering, met kalverendienst. En intusschen slokte men den nooddruftige op en zag men reikhalzend uit naar het overgaan van de nieuwe, maan en den sabbath om den verkoop weer te kunnen openen, verkleinende de efa en vergrootende den sikkel. Ja, het was een tijd, waarin men den wijn uit schalen dronk, zich zalfde met de voortreffelijkste olie, maar óok, waarin niemand zich bekommerde om de verbreking van Jozef.
En zou de Heere daarover niet toornen? Had Hij nu daartoe Zijn volk uit Egypte gebracht? Had Hij het nu daartoe gekend uit alle geslachten des aardbodems? Was het niet tot heerlijkheid Zijns naams? Daar om zou Hij neerkomen, om de ongerechtigheden Israels te bezoeken. Alleen, en zie hier de grootheid van Gods barmhartigheden, die roemen tegen Zijne oordeelen, te voren zou Hij het Zijnen profeten bekend maken, opdat er nog eene prediking van hen zou uitgaan: „Zoekt toch den Heere en leeft", en Israël alsnog zich bekeere ..........
Amos, de veeherder was in de woestijn. Ziet, wolken trokken zich saam; bliksemen werden gezien en de donder ratelde klaterend door de lucht! De leeuwen brulden in hun angst! Alles stond ontzet en verbaasd. Maar hoort, tegelijk ook was er een stem Gods tot Amos; een stem van Hem, die te rein van oogen is dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen, aankondigende een veelvoudig wee over Damascus en Gaza, over Tyrus en Moab, over Juda en Israël. Ook Juda en Israël werden dus niet gespaard. Hunne gruwelen waren evenzeer tot den Heilige opgeklommen. Daarom zou ook een vuur van den hemel worden nedergezonden om hunne paleizen te verteren.
Wondere leiding Gods met Amos! Och, als de Heere waarlijk iemand roept, dan geeft Hij zulk-een een leerschool en daarna opdracht Zijn Woord te gaan prediken. Mozes' eigenlijke opleiding ligt in de woestijn. Daar had hij de wondere ontmoeting Gods bij het brandende braambosch. Daar leerde de Heere hem, dat gelijk het braambosch brandde, maar niet verteerde, omdat het .......... Zijne gemeente in eeuwigheid niet zouden overweldigen. Dat is een moeilijke, een zware les voor Mozes geweest. Vele jaren zijn er overheen gegaan, voordat hij dit mocht verstaan. In Egypte trachtte hij in eigen kracht het werk Gods te mogen doen, maar in de woestijn kwam de Heere Zelf hem onderwijzen, dat het niet geschiedt door kracht, noch door geweld, maar door 's Heeren Geest. Een voorrecht, als die leerschool Gods mag worden gekend; Zijn opdracht mag worden ontvangen. Want hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?
In de eerste plaats dus kreeg Amos tegen de volken van rondom te profeteeren. Tegen Damascus, omdat het Gilead met ijzeren dorschwagens had gedorscht. Tegen Gaza, omdat het Israël den Edomieten had overgeleverd. Tegen Tyrus, omdat het niet had gedacht aan het verbond der broederen. En tegen Moab, omdat het de beenderen eens konings tot kalk had verbrand. Zij allen zouden met vuur verbrand worden.
Maar dan, dan wordt de kring wat nauwer getrokken. Wie was Juda, wie was Israël voor den Heere geweest? Waren zij beter geweest dan de volken rondom? Uit Egypteland had de Heere Zijn volk opgevoerd; uit alle geslachten des aardbodems had Hij hen alleen gekend, opdat zij zouden zijn een volk geheiligd den Heere, maar zij hadden des Heeren wil verworpen en Zijne inzettingen niet bewaard. Daarom zou de Heere een vuur in Juda zenden om Jeruzalems paleizen te verteren! En Israël? Zij verkochten den rechtvaardige voor geld en den nooddruftige om een paar schoenen. Voorzeker, de Heere zou het hun vergelden.
En ziet, dan doet de Heere Amos wondere gezichten zien, en Hij toont hem daarin wat haast met Israël geschieden zou. Een menigte sprinkhanen kwam op het veld en hun aantal was zóó groot, dat zij spoedig alle kruid des lands zouden afgegeten hebben. Dat was ontstellend voor den profeet. Heere, Heere — zoo kwam hij met zijne voorbede den Heere voor — vergeef toch, wie zou er van Jacob blijven staan? En het berouwde den Heere. Het zou niet geschieden.
Daarna zag de profeet, en ziet een groot vuur kwam over het land en verteerde er zeer veel van. En weer kwam de profeet met zijn voorbede tusschenbeide en wederom berouwde het den Heere; het zou niet geschieden.
En tenslotte zag hij, en ziet de Heere stond op eenen muur, die naar het paslood gemaakt was en een paslood was in Zijne hand. En de Heere zeide tot hem: Wat ziet gij, Amos? En hij zeide : een paslood. En toen zeide de Heere tot hem: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. En hiertegen werd door den Heere geen voorbede meer geduld. Voortaan zou Hij het volk niet meer voorbijgaan!
En dat nu moest Amos het volk gaan verkondigen. Plagen van sprinkhanen en van vuur, zij konden worden weggebeden, maar aan het eind zou de Heere staan op den muur, die eens naar het paslood was gemaakt en een paslood zou wezen in Zijne hand en dan zou Hij Zijn volk niet meer voorbijgaan.
Dat beeld was voor Israël duidelijk genoeg. Naar het paslood van Gods heilige wet was eens de muur des volks opgetrokken. Al het volk had in de woestijn gelijkelijk op de woorden des Heeren betuigd: al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen. Welnu, en dit was dus de korte zin van dit beeld, straks zou de Heere weer komen met het paslood in de hand om den muur te onderzoeken of hij ook in het lood gebleven was. En, onherroepelijk, een muur, die uit het lood is gezakt, moet omver gehaald en afgebroken worden.
O, dat door deze prediking nog eens verslagenheid mocht worden gewekt. Dat Israël, tot inkeer gekomen, den troon der genade nog mocht leeren aanloopen om genade te vinden en geholpen te worden ter bekwamer tijd. Zoo dus trad Amos op. En zeker, nu waren er wel Amazia's die tegen hem opstonden maar de leeuw had gebruld, wie zou dan niet vreezen ? De Heere Heere had gesproken, wie zou dan niet profeteeren? Zoekt, ja, zoo was het einde, zoekt den Heere en leeft.
Zie, lezer, dat is Amos' prediking geweest voor Israël. Hij zag den Heere, staande op een muur, die naar het paslood gemaakt was en een paslood was in Zijne hand maar dat is immers nog de prediking, die ook heden ten dage moet uitgaan.
Alles stuwt voor den mensch, die eens naar het beeld Gods werd geschapen, op het oordeel aan. Henoch heeft van dat oordeel reeds in oude dagen gesproken. En een van de laatste profetieën van de Heilige Schrift is: ,,En ik zag en zie een grooten witten troon, en dengene die daarop zat; en ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God". En zeker, nu mag de mensch bij zichzelven meenen rijk te zijn en verrijkt en geens dings gebrek te hebben, nu mogen tijdelijke oordeelen vaak worden afgebeden, straks komt de laatste dag, en de Heere zal Zijn rechterstoel stellen op de wolken.
O, Job zag er iets van! Zal het goed zijn, zoo roept hij het zijn vrienden toe, als Hij u zal onderzoeken? Straks zal 't paslood aan den muur worden gelegd, aan den muur der gansche menschheid, die eens in Adam naar het paslood werd gemaakt. En zal het dan wél zijn met u?
Hoe schoon, hoe recht werd die muur eens opgetrokken. Daar stond de mensch, de beelddrager Gods. De kroon des Heeren drukte zijn slapen. Verkondiger was hij van de volmaaktheden Gods. Hij offerde zichzelven den Heere op in eene eeuwige aanbidding.
Maar och, hoe is die muur sinds den zondeval gescheurd en verzakt. Alle schoonheid is ten eenenmale verloren gegaan. Overgebleven is niets dan een ruïne met vallende steenen.
En aan het eind? Ja, dat blijft. Ik zag en ziet, de Heere stond op dien muur, die eens naar het paslood gemaakt was en een paslood was in Zijne hand en Hij sprak tot mij: „Ik zal hen voortaan niet meer voorbijgaan".
Neen, nog heeft de Heere niet opgehouden genadig te zijn. Hij roept. Hij klopt. Maar straks zal het wezen: ,,Nu zal Ik hen voortaan niet meer voorbijgaan". Nog stelt Hij Zijne oordeelen uit, maar dan zullen de boeken geopend worden. En geoordeeld zal er door Hem worden naar de werken, die men deed, 't zij goed of kwaad.
Hoe vreeselijk zal dat zijn allen, die in hun zonden gestorven zijn. Gaat weg, zoo zal het wezen tot hen, gij allen, die de ongerechtigheid werkt. Alle omkeering zal dan onmogelijk zijn. Waar de boom valt, daar is hij.
Maar, ziet hier de grondelooze erbarming Gods. Zijne oordeelen worden in het heden der genade nog aangekondigd, opdat er nog een vluchten tot Zijn genadetroon zou zijn. En welgelukzalig, die zelfveroordeelend toevlucht leerde nemen tot Hem, die het den schuldige zegt: alleenlijk ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uwen God hebt overtreden. Want hij ervaart het, dat bij den Heere uitkomsten zijn tegen allen dood.
Zulk een was de tollenaar, zulk eene was de zondares. Hij durfde het oog niet opslaan naar den hemel, toen hem het paslood werd aangelegd. Eén klacht slechts bleef hem over: o God, wees mij zondaar genadig. En hij ging gerechtvaardigd naar zijn huis. De zondares, met al haar schulden en zonden belaan, mocht haren Rechter om genade smeeken en haar werd veel, ja alles vergeven.
Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uwen God overtreden hebt. Dat is de eisch Gods aan den gevallen mensch. En, om hem tot dat kennen te brengen, legt de Heere hier in dit leven het paslood hem aan. O, ieder van Gods kinderen ..... verstaan:
„Zoo Gij in 't recht wilt treden
O Heere en gadeslaan
Onze ongerechtigheden.
Och, wie zal dan bestaan!"
Wie is dan de mensch; wie is dan de zondaar tegenover den Hooge en Heilige, die in de eeuwigheid woont! Niets dan een stoppel, die bij het vuur van Gods heiligheid verteert.
O, hoevelen zijn er, die nooit tot dat kennen komen. Ze zijn, zoo zij al eens een indruk van hun verdorvenheid ontvingen, gelijk aan dien man, van wien Jacobus ons verhaalt. Hij bemerkte zijn aangezicht in een spiegel, maar onmiddellijk heengaande, vergat hij hoedanig hij was. En, zonder het kennen der ellende, kan er geen zoeken naar verlossing ooit zijn. Alleen bij hem, die onwederstandelijk bepaald werd bij zonde en schuld, kan plaats zijn voor de vraag: Is er ook eenige weg, is er ook eenig middel waardoor wjj de straf kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? Alleen bij hem kan plaats zijn voor dien Middelaar, die op aarde kwam als de Borg Zijns volks om voor de Zijnen te doen wat zij niet vermochten.
Maar dan ook, als door genade iets van de ontdekkende werking des Geestes mag worden gekend; als daar een zondaar is die tot het besef kwam dat het geen onrecht bij God is, zoo Hij hem voor eeuwig verstootte, hoe heerlijk wordt dan de Christus, zooals Hij Gods kinderen wordt geopenbaard als de schuldovernemer Zijns volks. Ja, Hem werd het paslood aangelegd voor al de Zijnen, en in Zijn volbracht werk mogen zij van den Heere ontvangen genade voor genade. Hij is de steen, die door de bouwlieden wel werd verworpen, maar voorts is geworden tot een hoofd des hoeks. Die in Hem gelooft, die met Hem één wordt door het waarachtig zaligmakend geloof, gewerkt door Gods Heiligen Geest, heeft het eeuwige leven, maar ook, die niet in Hem gelooft, hij heeft het leven niet.
Verstaat gij dit, lezer? Hebt gij het wel eens bevindelijk geleerd? Er is er maar Eén in wien Gods gemeente met den Apostel leert roemen: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus!"
Buiten Hem ligt de gansche wereld verdoemelijk voor God! Maar in Hem is Gods gemeente als een reine bruid zonder vlek of rimpel. Onderzoek uzelf daarom nauw, ja, zeer nauw, of gij in den geloove zijt. Alles stuwt aan op den laatsten dag, op den oordeelsdag. Zal het ook dan waarlijk wél met u zijn als God u zal onderzoeken?
Papendrecht. M. Ottevanger
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's