De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

De Reorganisatie-gedachte
                  en
Het Reorganisatie-plan.
                   II.
En hier komen we aan de reorganisatiegedachte, aan de reorganisatie-beweging, zooals die in verschillende fasen de laatste eeuw onder ons gevonden wordt. Dat is dus niet een beweging, die bedoelt hier en daar in de Synodale besturenorganisatie een kleinere of grootere verandering te brengen, wellicht een verbetering te noemen. Dat is geen reorganisatie.
In de zeventiger jaren heeft men wel onderscheid willen maken tusschen de reorganisatie der Kerk en de reorganisatie van het Kerkbestuur. Het laatste zag dan op de bizonderheden van de besturenorganisatie, van Synode tot Kerkeraad, terwijl 't eerste in betrekking gebracht werd tot de belijdenis, handhaving der leer, belijdenisvragen, belofte van predikanten, leertucht enz., terwijl ook de kwestie van de Groote Synode daarbij betrokken werd. (Syn. Acta 1906. Bijlage G. blz. 8 enz.).
Men sprak toen meer van de reorganisatie van het Kerkbestuur dan van de reorganisatie der Kerk, hoewel uit al de adressen aan de Synode wel bleek, dat juist de belijdeniskwestie en dus de kwestie van de Kerk, geen onbelangrijke zaak werd geacht, integendeel. Maar omdat niet helder voor oogen stond, wat er te reorganiseeren was, liep men te veel van 't een op 't ander en vloeide alles te veel door elkaar, of werd ook weer te veel los van elkaar voorgesteld.
Typisch is — om dit ééne te noemen — dat door de Synode van 1873 een Commissie van negen benoemd is, werkend in drie secties — drie orthodoxen, drie evangelischen en drie modernen — waardoor vier rapporten ontstonden, omdat de minderheids-vrijzinnige een eigen rapport had samengesteld.
Ook de kwestie van de Groote Synode werd in de rapporten opgenomen, ook de richtingskwestie en de aangelegenheid van de rechten der minderheden, waarbij het rapport der Evangelischen voorstelde, dat er drie soorten van belijdenisvragen en drie verschillende beloften voor predikanten en godsdienstonderwijzers zouden komen. De Commissie maakt dan de opmerking: ,,Daar er drie verschillende belijdenisvragen, worden tevens de lidmaten, predikanten en godsdienstonderwijzers er door van elkander onderscheiden, naar de drie hoofdrichtingen in de Hervormde Kerk."
Er zijn al heel wat pogingen aangewend om veranderingen aan te brengen in de levenswijze van onze Herv. Kerk en men bedoelde soms reorganisatie van het Kerkbestuur, zonder reorganisatie van de Kerk, soms ook reorganisatie van de Kerk zonder reorganisatie van het Kerkbestuur.
Hier moeten lijnen getrokken worden. Wanneer iemand voorstelde dit of dat in de reglementen te wijzigen — zou dat voor ons geen reorganisatie zijn. Reorganisatie is ook niet — om iets geheel anders te noemen — pogingen in 't werk te stellen, om aan de Herv. Kerk een plaats te verschaffen in 't midden van het volksleven als Staatskerk, als publieke Kerk of als heerschende Kerk. Noch 't een, noch 't ander heeft met de reorganisatie-gedachte te maken.
De reorganisatie doelt op de belijdenis en de Kerkorde of wijze van kerkelijk samenleven en gaat in 't midden van de Hervormde Kerk over de belijdeniskwestie en de besturen-organisatie.
De belijdenis van den Naam des Heeren en de wijze van kerkelijk samenleven is onder ons aan de orde — en zal onder ons aan de orde blijven, zoolang er nog belijders van den Naam des Heeren in de Hervormde Kerk gevonden worden, die het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften liefhebben. Die kunnen niet dulden, dat het belijden en het loochenen van den Christus der Schriften van gelijk recht zou zijn in de Hervormde Kerk, en die kunnen niet stilzwijgend toezien dat de Synodale besturenorganisatie alles bureaucratisch, los van de Kerken behandelt, met ontwrichting van het ambt.
Als in de Kerk de belijdenis, de eerlijke, duidelijke belijdenis van den Christus ontbreekt, is zij geen Kerk — en als zij niet leeft naar de gewenschte orde van het leven van Christus' Kerk, gaat zij te gronde, door verwarring en tuchteloosheid.
Zóó heeft de geschiedenis van de laatste honderd jaar ons de kerkelijke kwestie gebracht, de zaak van de belijdenis en de zaak van de Kerkorde of wijze van kerkelijk samenleven op 't nauwst verbonden.
1816 is daarom een rampjaar geworden voor de Hervormde Kerk. En de regering des lands heeft ons dat bezorgd, zij 't ook dat men deze Gouvernementsmaatregelen niet zou hebben durven en kunnen, nemen, indien toen niet reeds de publieke opinie geheel losgescheurd ware geweest van onze christelijke traditie en de Kerken óf, afval­lig geworden óf in een diepen slaap gedommeld waren geweest, zóó diep, dat ook zelfs de classes Amsterdam en Leiden uit den slaap niet konden opwekken.
Wel is aan den welstand der Nederlandsche Gereformeerde Kerken ook in de eerste na-reformatorische eeuwen door de machthebbers dezer wereld veel afbreuk gedaan, door aan de door hen verleende bescherming de voorwaarde van overheersching te verbinden, wat de publieke Kerken dikwijls wel wilden aanvaarden, verwachtende een illustre plaats in het midden des volks, maar het geloof der gemeente was te krachtig, om daaraan in den bloeitijd der Kerken den vrijen teugel te laten. Het Koningschap van den eenigen Heer en Heiland woog bij de Kerk toch telkens 't zwaarst en tegen de onrechtvaardige overheersching van de Overheid ingaande, hebben de Gereformeerde Kerken telkens haar recht en het recht huns Konings verdedigd.
Konden de Kerken over 't algemeen niet de zelfstandigheid der Kerk tegenover de Overheid handhaven en gaven zij aan de Overheid zeggenschap, waar het allerminst pas gaf, zoo hebben zij toch, wat de regeering der Kerk betreft, gebroken met de Roomsche hiërarchie; beseffende dat de gemeenten van de clerus gescheiden, de op elkander volgende geestelijken als een afgod moesten dienen en als een tyran moesten gehoorzamen, wat de val der Kerk tengevolge moest hebben.
Onze Gereformeerde Vaderen zijn ook in deze weer naar de beginselen van Gods Woord teruggegaan, gelijk in onze Nederl. Geloofsbelijdenis kort en duidelijk uiteengezet is, hierin éénzelfde taal sprekend met Geneve, Straatsburg, Londen, Parijs, van éénzelfde gevoelen zijnde met al de Gereformeerde Kerken buiten onze grenzen gevonden. Het was als in de dagen van Hiskia, God gaf Zijn volk „eenerlei hart en gemoed, om het werk des Heeren te doen". (2 Kron. 30 vers 12).
En als de Anabaptisten onstuimig bazelen van het geestelijk karakter der Kerk, welke geen wetten en rechtsvormen noodig heeft, zeggende dat de rechtsorde „wereldsch" is en bij de Kerk van Christus, die den Geest heeft ontvangen, niet past, dan willen onze Gereformeerde Vaderen in dat verband er niet van weten dat de Kerk een geestelijk gezelschap zou wezen, dat tot vrijheid geroepen is, maar spreken zij van de „geestelijke politie", waarnaar de Kerk van Christus geregeerd moet worden (Art. 30 Ned. Gel. bel.) en tot achtmaal toe zeggen ze in de artikelen 27—32 van de Ned. Gel. belijdenis, dat er ordinantiën gesteld moeten worden door de Regeerders der Kerk, Woord.
De Kerk van Christus heeft een eigen rechtsorde en is geroepen om te ontplooien de beginselen, die de Heere Zelf in Zijn Woord voor Zijn Kerk gaf. En is het recht Gods goed, maar ons verstand verduisterd, dan ontslaat dat de Kerk volstrekt niet om naar Schriftuurlijke rechtsorde te staan, waartoe haar de Heilige Geest is gegeven. Heel ernstig zal de Kerk daarbij dan steeds hebben te bedenken, dat alle menschen uit zich zelf leugenaars zijn en dus ook geen, conciliën, besluiten en decreten van Kerkvergaderingen boven Gods Woord gesteld mogen worden.
Leugenachtig is de mensch, daarbij kan het Kerkrecht de Kerk niet doen groeien en bloeien. Maar daarom zal de Kerk, in den weg van Gods Woord, hebbende de gave des Heiligen Geestes, naar de waarheid hebben te staan, om in de waarheid te wandelen en zij zal dan goede ordinantiën hebben te stellen, wat noodig is voor haar welwezen. Zóó alleen kan alles eerlijk en ordelijk toegaan (Art. 30 Ned. Gel. bel.) en de geloovigen moeten weten, „hoe men in het huis Gods moet verkeeren" (1 Tim. 3 vers 15).
Met de vraag, hoe het leven der Kerk moet worden ingericht, is daarom ook een andere vraag onlosmakelijk verbonden, n.l.: wat zegt Gods Woord?
De Kerk van Christus moet, door 't vasthouden aan Gods Woord, in belijdenis en wandel, in hare regeering en tucht, zooveel mogelijk het beeld van het lichaam van Christus vertoonen en 's Heeren heerschappij mag in het kerkelijk leven niet worden gebroken. ,,Spreek, Heere, Uw knecht hoort" — is zeker hier van pas.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben dat zooveel mogelijk gedaan en de Nederlandsche Geloofsbelijdenis geeft ons de hoofdbeginselen duidelijk aan. Zie de artikelen 27—32 Ned. Gel. belijdenis.
Ontleent men de grondbeginselen voor het kerkelijk samenleven niet uit de Heilige Schrift, dan kan men wel belijden dat er een lichaam van Christus is, maar elke waarborg ontbreekt, dat het wezen der Kerk in hare uitwendige openbaring uitkomt. Dan loopt de Kerk gevaar het karakter van Kerk te verliezen en een, zij het dan godsdienstige vereeniging of genootschap te worden, waaraan niet alleen het karakter van Kerk vroeg of laat geheel ontbreekt, maar waar langzamerhand allerlei dwaling en leugen de overhand verkrijgt.
Elke Kerk, die voor haar leer en leven, voor haar belijdenis en Kerkorde, niet telkens terugkeert tot de Heilige Schrift, ontaardt en verliest de geestelijke kracht en macht, waarvan de Kerk van Christus, die leeft naar Zijn Woord en door Zijn Geest, de belofte van den verhoogden Heer en Koning heeft.
(Wordt voortgezet).

Onze belangstelling waard.
Verleden week schreven we, dat „onze" Evangelisten in het Noorden bericht zouden geven van hun arbeid, en wij hebben opgewekt om nu een milde gave te zenden aan Ds. LANS te SUAWOUDE (Giro No. 142400). Door omstandigheden werden de twee brieven nog niet geplaatst, maar nu wordt er een plaatsje voor ingeruimd, zooals men ziet.
Wil men er eens acht op geven?
Wat ligt hier een mooi stuk werk voor ons! Dat is nu eens „Evangeliseeren", zoo als de Gereformeerde Bond het altijd bedoeld heeft, om het Woord Gods te prediken in streken van ons Vaderland, waar het zoo broodnoodig is.
Indien ieder van onzen Bond en alle lezers van „De Waarheidsvriend" eens iets wilden, geven voor dit werk, kon de arbeid prachtig worden voortgezet en heerlijk worden uitgebreid.
Laat Ds. LANS te Suawoude nu eens een „goede" week hebben, een bovenste beste week — wat zeker zal geschieden, indien ieder nu eens — zonder 't te vergeten — een gave zenden gaat voor den Evangelisatiearbeid.
De Heere zegene de mannen, die op deze wijze arbeiden in den wijngaard des Heeren

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's