GEESTELIJK OPBOUW
John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (41)
Moest Christen nu alleen z'n reis voortzetten, nu Getrouwe zoo wreed door zijn vijanden was gedood, doch door den Heere zoo heerlijk was binnengehaald in het hemelsch Jeruzalem?
Bunyan verhaalt: dat Christen toch niet alleen was, toen hij verder ging, want er kwam iemand, die zeide, dat hij gaarne zijn reisgenoot verder wilde wezen. De naam van dien man was Hoop. Zoo stierf de eene reisgenoot, maar 't was alsof de ander uit zijn asch verrees om de plaats van den eersten in te nemen. De Heere weet de ledige plaatsen te vervullen; Zijn dienstknechten sterven en worden begraven, maar Hij Zelf leeft tot in eeuwigheid en blijft met Zijn zorgende liefde nabij degenen, die Hem vreezen en op Hem vertrouwen.
Hoop voegt zich bij Christen en deelde hem mee, dat er nog verscheiden anderen waren, die van de Kermis der ijdelheid genoeg hadden gekregen en bereid waren hem te volgen.
Het bezoek van Getrouwe en van Christen in de stad IJdelheid was dus niet zonder vrucht geweest. Maar — alles is geen goud wat er blinkt en elke verandering is nog geen bekeering. Dat blijkt ook nu. Want zij hadden de kermis nog niet achter den rug toen zij een man inhaalden, die voor hen uit wandelde en wiens naam Bijoogmerk was. Zij spraken hem aan en zeiden tot hem: „Vriend, waar komt gij vandaan? Is het óók uw bedoeling dezen weg tot het einde af te leggen?"
De man antwoordde hen, dat hij uit de stad Mooipraat kwam en op weg was naar het hemelsche Jeruzalem. Zijn naam echter deelde hij niet mee.
Toen Christen hem naar zijn naam vroeg, ontweek hij het antwoord. „Wat hebt gij aan mijn naam", zei hij; „wij zijn elkander vreemd. Als gij óók dezen kant uitgaat zal ik gaarne met u meegaan, maar indien gij mijn gezelschap niet verlangt, welnu, zeg het dan vrijuit".
Christen informeert dan naar de stad Mooipraat en Bijoogmerk zegt, dat het een welvarende plaats is, waar hij vele rijke bloedverwanten heeft. Bijna de heele stad is familie van hem. Jonkheer Draaibord, Jonkheer Weerhaan, Jonkheer Mooiprater (naar wiens voorouders de stad ook genoemd is) en dan nog de Heer Dubbelhartig en Allemansvriend — dat is allemaal familie van hem. De predikant der gemeente, ds. Tweetongig, is de eigen broeder van zijn moeder. Hij is ook getrouwd en zijn schoonmoeder heet Vrouwe Schoonschijn, van aanzienlijke familie zijnde. Op het stuk van den godsdienst nemen zij het wel niet zoo zwaar op, maar ze kunnen met iedereen omgaan en bedoelen 't goed. „Wij houden van een godsdienst in mooie, met zilver geborduurde pantoffels aan".
Toen bleef Christen even achter loopen met zijn vriend Hoop en fluisterde: „ik geloof, dat deze man niemand anders is dan een zekere Bijoogmerk uit de stad Mooipraat; als dat werkelijk het geval is, hebben wij met den grootsten deugniet uit heel den omtrek te doen".
Als Christen hem daarna op den man af vraagt: „zijt gij niet de Heer Bijoogmerk, uit de stad Mooipraat?", antwoordt de man: „Dat is mijn eigenlijke naam niet, maar een bijnaam, die sommige menschen, die mij niet kunnen uitstaan, mij gaven. Ik moet dat kruis geduldig dragen, zooals anderen 't vóór mij moesten doen".
Christen praat dan wat met hem en zegt: „als ik u eerlijk mijn meening mag zeggen, dan geloof ik, dat die naam Bijoogmerk toch wel aardig bij u past".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's