Brief aan de Romeinen.
Romeinen 4 vers 1—5. Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vleesch? Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Nu, dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
Uit Wet en Profeten wil Paulus een paar voorbeelden aanhalen, waaruit ten duidelijkste blijkt dat het waar is, wat hij over de rechtvaardigmaking door het geloof in kapittel 3 heeft geleerd. Eerst wijst hij op Abraham, den vader van alle geloovigen. Hij begint met de vraag te stellen, of Abraham naar het vleesch iets heeft verkregen, waarmede hij voor God verschijnen kon. Heeft hij eenige gerechtigheid verworven, waarmee hij voor God bestaan kon? Indien Abraham ook maar een weinig aan gerechtigheid voor God heeft bezeten, dan heeft hij inderdaad oorzaak om zich te beroemen voor God.
AI mag het dan niet een volkomene gerechtigheid geweest zijn, het gaat dan toch naar den stelregel, dien onze ouden zoo kernachtig pleegden uit te drukken: de mensch wat, en God ook wat.
De Heilige Schrift laat ons hierin niet in twijfel. Wie het 15de hoofdstuk van Genesis heeft gelezen, weet beter. Daarin is niets te bespeuren, wat in Abraham grond van zijne rechtvaardigmaking zou kunnen wezen. Denkt het maar eens in wat daar beschreven wordt. Het was nacht, toen God den aartsvader uit zijn tent riep en hem beval om op te zien naar de sterren, die daar schitterden aan het firmament. Als Abraham heeft erkend en beleden, dat 't hem onmogelijk is om ze te tellen, komt de Heere hem te betuigen, dat zijn zaad zoo talrijk zou wezen als die ontelbare sterren.
Dat woord des Heeren is bewaarheid geworden. Hoevele duizenden Israëlieten hebben er sinds dat gesproken woord des Heeren niet het levenslicht aanschouwd!
En toch, wat was het voor Abraham moeilijk. Toen de Heere hem deze belofte schonk, was hij nog kinderloos, en 't ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen. Scheen de belofte Gods niet met alle werkelijkheid te spotten?
En toch geloofde Abraham in des Heeren Woord, hetwelk tot hem gesproken was. En de Heere rekende hem zijn geloof tot gerechtigheid. Let wel, dit wil niet zeggen, dat dus het geloof van Abraham de grond van zijne rechtvaardigmaking was. Neen, de Heere doet het niet op vooruitgezien geloof. De apostel vat het geloof niet op als een goed werk, hetwelk tegen al die andere goede werken, die Abraham mist, kan opwegen. De apostel zegt zelf in vers 4, dat dengene die werkt, het loon niet toegerekend wordt naar genade maar naar schuld. Die arbeid gepresteerd heeft, behoeft niet te leven van genadebrokken, maar kan loon eischen als iets wat men hem schuldig is. Maar neen, zoo was het bij Abraham niet. Als God hem aan zich zelf ontdekt, is hij een arm zondaar, die niets heeft dan zonde en schuld, wiens gerechtigheden slechts zijn als een wegwerpelijk kleed. Neen, hij is er een van hen, die in vers 5 worden voorgesteld als niet werkende, d.w.z. als, die niet uit iets, wat uit hen is, gerechtvaardigd zoeken te worden.
Zou er voor zulk een nog redding mogelijk wezen? ja, wonder van genade, die God, die goddeloozen rechtvaardigt, rekent hem zijn geloof tot rechtvaardigheid.
Zoo geschiedt Abrahams rechtvaardiging naar een anderen stelregel der ouden:
't Is niets van ons,
't Is al van 'Hem,
Zoo reist men naar Jeruzalem!
Of gelijk Paulus elders zegt: Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Abrahams geloof wordt hem tot rechtvaardigheid gerekend, waardoor hij voor God komt te staan, alsof hij nooit geen zonden had gekend. Denk echter niet, dat we hier te doen hebben met rechtsverkrachting van de zijde Gods. Het is niet een door de vingers zien van alle ongerechtigheid. Neen, het geloof richt zich op de zoen- en kruisverdienste van Christus Jezus. Het is het geloof in de gerechtigheid van Christus, die voor tijd en eeuwigheid redden kan. En nu moge Abraham Christus niet naar het vleesch hebben gekend, door het geloof heeft hij toch van verre Zijnen Dag gezien, en Hem van verre door het geloof omhelsd. Ziet dus, lezers, dat er bij Abraham's rechtvaardiging geen sprake is van eigengerechtigheid. Maar dan is daarmee ook voor alle zijne nakomelingen de weg van rechtvaardiging door de werken der wet voor altoos afgesloten.
Nu maakt misschien de ontwikkelde bijbellezer een opmerking. Staat er niet in Jacobus 2, dat Abraham onze vader uit de werken gerechtvaardigd is, als hij Isaak zijnen zoon heeft geofferd op het altaar. Zijn deze woorden van Jacobus niet in lijnrechten strijd met het woord van Paulus? Ik kan begrijpen, dat Luther, die zoo van ganscher harte instemde met de rechtvaardigmaking door het geloof, zooals deze door Paulus was uiteengezet, den brief van Jacobus een brief van stroo noemde, die niet waard was om in den canon te worden opgenomen.
Zonder op de quaestie diep in te gaan, wijzen we op het groote verschil van lezers van den brief aan de Romeinen en die van Jacobus. Jacobus richt zich tot een heel anderen lezerskring als Paulus. Jacobus spreekt tot menschen, die gaarne over het geloof spreken, ja zelfs den mond vol van het geloof hadden, doch helaas de werken, die de vruchten moeten wezen van zulk een oprecht geloof, ten eenenmaie misten. Als Paulus zegt, dat onze werken als grond voor de rechtvaardigmaking waardeloos zijn en Jacobus, dat onze goede werken als vruchten van het oprechte geloof onmisbaar is, vormt dit geen tegenstelling, maar vult elkaar volkomen aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's