MEDITATIE.
Lofzegging ter eere van Jezus Christus*
Hem, die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Gode en zijnen Vader, hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in, alle eeuwigheid. Amen". Openb. 1 vers 5b en 6.
Wat in onze dagen al bijzonder opvalt als een droevig kenmerk van het geestelijk verval van onzen tijd, is de verheerlijking van den mensch en daarbij de verzaking van Gods geboden. Natuurlijk hebben wij God te erkennen voor Zijn zegeningen, die Hij door menschen ons schonk, maar dan eindigen wij in den grooten Gever, en wenschen Hem de eer en de hulde niet te ontrooven, om die aan menschen te geven, en wij zullen daarbij eerbiedig wenschen te buigen voor Zijn heilige geboden. Daar hebt ge die luisterrijke, indrukwekkende begrafenis van den grooten Duitscher, Stresemann. Wij willen niet achterblijven in de erkenning van de groote gaven van dezen Staatsman. Terecht is gezegd, dat zijn sterven een slag was voor heel Europa. Welk een luisterrijke begrafenis! Berlijn had geen bloemen genoeg, zoo lazen wij. De begrafenis geschiedde op Zondag, opdat allen aan deze laatste eerbetooning konden deelnemen. Dit is het waarvan onze tijd vol is: huldiging van den mensch én tegelijkertijd verachting van Gods geboden. Het sterven ook van dezen groote moest leeren opzien tot Hem, Die de Koning der koningen is. Die aan elk leven zijn grens stelt, opdat bedacht zou worden dat de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods het eeuwige leven. Terwijl wij hier zijn, zal waarschijnlijk het prachtige luchtschip zijn vaart doen over de voornaamste steden van ons Vaderland. Een propaganda-tocht voor de luchtvaart. Om te laten zien hoe mooi, hoe snel, hoe betrouwbaar 't alles is. De mensch vermag heden wondergroote dingen, maar de Zondag moet er dan ook bijgenomen. Er wordt niet aan gedacht dat deze dag in 't bijzonder is gewijd aan den dienst van Hem, Die boven lucht en wolken troont. De techniek is machtig in onze dagen. De zegeningen, die de Schepper van hemel en aarde aan des menschen leven verbonden heeft, zijn vele. Maar des te moeilijker is de strijd van hen, die aan Gods Woord willen vasthouden, 't Werd verleden Donderdag ons zoo aangrijpend in de Julianakerk gepredikt, 't Is ééne, geweldige worsteling tegen de zonde, nu 't leven zoo rijk aan zegeningen is. Welnu, die zonde is ook de verheerlijking van den mensch en de verzaking van Gods geboden. 'k Wilde u vanmorgen spreken over de lofzegging ter eere van den Heere Jezus Christus. Die lofzegging betaamt de Gemeente des Heeren, nu en tot in alle eeuwigheid. Als wij daaraan deelnemen, kunnen en moogen wij ons niet uit het leven terugtrekken, maar dan ontvangen wij kracht voor den moeilijksten strijd. Wij leeren dan ook God te erkennen voor wat Hij in menschen gaf. Wij doen dit met het oog op Hem, Sions Borg en Zaligmaker, den Verlosser der wereld. Die overwonnen heeft, en alle dingen doet medewerken, ten goede van Zijn duurgekochte Gemeente.
Het verlossingswerk van Christus is het grootste werk.
Wij wenschen eerst te overwegen wat Hem daarin bewoog. Daarna wat de kern daarvan is, en ten slotte waartoe het in staat stelt. „Hem, die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en zijnen Vader, hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen".
Wat den Zaligmaker bewoog, was Zijn liefde. Johannes, de discipel, dien de Heere Jezus liefhad, schrijft hier aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn. Johannes zelf is door deze liefde overweldigd in het diepst van zijn ziel. Wij lezen telkens in zijn Evangelie dat hij zich noemt: de discipel, dien de Heere liefheeft. Maar nu denkt hij niet slechts aan zichzelf, maar ook aan de zeven gemeenten, waartoe ook die van Laodicéa behoorde. Het eerste wat hij in deze lofzegging noemt, is de liefde van Christus. Wie zal die liefde kunnen meten? De apostel Paulus dringt er bij de gemeente op aan dat zij zou bekennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat. Hoe zouden wij dan eene zaak, die alle kennis te boven gaat, met juistheid kunnen beschrijven? Die liefde is zuiver, heilig. Zij is onbaatzuchtig, in den striktsten zin des woords. Hieraan is de tegenwoordige wereld zoo bitter arm. Zuivere, onbaatzuchtige liefde. „Als ik het maar heb! Wat geef ik om een ander!" Deze onuitgesproken stelling drijft het huidige menschdom in bijzondere mate. De zelfzucht ligt vaak op den bodem van 't hart, bij schoone Christelijke vormen en onder vele vrome woorden. Is er dan geen liefde in de wereld? Gelukkig wel! Als een vrucht van Gods algemeene genade. 't Heerlijkst komt die liefde uit als de genade Gods in Christus de ziel des menschen overweldigt, als hij zeggen mag, met Paulus: ,,De liefde van Christus dringt mij? " Dan is de liefde, die in onzen tekst genoemd wordt, de innerlijke stuwkracht, om liefde te bewijzen, om elkander vuriglijk lief te hebben, naar des apostels bevel, om barmhartigheid te bewijzen, in woord en daad. Ach, hoe weinig wordt zij gevonden? Zuivere, onbaatzuchtige liefde! Vrij van kerkelijke hartstochten, vrij van het zoeken van eigen eer. O, wij hebben ons hierover zoo bitter te schamen! En als wij het betreuren dat in de tegenwoordige wereld wel de mensch vereerd wordt, en Gods geboden worden verzaakt, maar dat de liefde, als een algemeene zegen Gods ontbreekt, dan moeten wij wel vragen: Is zij er dan wel onder óns? O, zeg mij, is die hoogere stuwkracht onder ons dan zoo weinig werkzaam, dat wij precies doen als de kinderen dezer wereld? Wat zeg ik? Precies doen als de wereldlingen? Het is in liefdebetooning onder ons vaak nog droeviger gesteld dan bij hen, die van geen Evangelie willen weten, zoodat de tweedracht en de haat onder de broederen een aanfluiting is voor de zaak des Heeren. Mag ik u iets zeggen, Gemeente, van die hoogere stuwkracht? Wij noemden haar reeds, de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat. Hij verliet Zijns Vaders heerlijkheid, en werd arm, opdat Hij door Zijne armoede ons zou rijk maken. Door die liefde gedreven, gaf Hij zich over in den dood. Wie wil voor een goddelooze sterven? Voor een goede zal mogelijk nog iemand bestaan te sterven, zegt de apostel, maar Christus is voor ons gestorven, toen wij nog zondaren waren. Wie zal voor zijn vijand in den dood gaan? Dat heeft Christus gedaan, uit zuivere liefde, uit heilig medelijden. Een zaak, waardoor de geloovige moet zeggen: Heere, wie ben ik, dat Gij dit voor mij hebt over gehad? Hij kan hierover in aanbidding slechts stamelen. De liefde van Christus gaat alle kennis te boven. Nu is 't waar dat deze liefde slechts aan Zijn duurgekochte Gemeente is te stade gekomen. Dit geschiedde naar Gods Raad. Maar zij is zoo ruim, dat een ieder die haar zoekt, haar ook vinden zal. Is er maar iemand, die oprecht vraagt naar de liefde van den Zaligmaker, hij zal niet worden teleurgesteld. Zooals de dienstknecht in de gelijkenis uitging, telkens weer met de boodschap: „er is nog plaats", zoo zegt het Evangelie tot alle menschen: er is nog plaats in het liefdehart van Christus om ook aan u Zijn ontferming te bewijzen. Die aan haar behoefte heeft, zal haar ervaren.
De liefde van Christus gaat alle kennis te boven. Wij worden aan haar herinnerd, als wij lezen dat Hij weende over Jeruzalem, zeggende: Hoevele keeren heb Ik u willen bijeenvergaderen als een hen hare kiekens, maar gij hebt niet gewild! O, welk eene versmade liefde! Maar Zijn weenen was er de tolk van dat Hij Jeruzalem nog lief had, ook toen het Hem verwierp. Wij worden aan haar herinnerd, als wij lezen van Zijn gebed voor hen, die Hem aan 't vloekhout nagelden: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen". Als wij 't Woord laten spreken, dan moeten wij wel zeggen dat de liefde van Christus voor verlorenen onmetelijk is. Laat toch bij een ieder die over zijn zieleheil ernstig bekommerd is, elke gedachte opzij geworpen worden, die de liefde van Christus tracht te verkleinen. En laat ook dit bedacht worden, dat er niemand is die zich die liefde waardig kan maken. Dat behoeft ook niet. Anders ware zij geen zuivere liefde voor den diepgezonken mensah. Als dan ook de geloovige van harte leven mag bij het Evangelie, dan zegt hij: „Ik heb nog nóóit iets gedaan, waarom Hij mij zou liefhebben; en ik zal 't ook nimmer vermogen. Maar nochtans stortte Hij ook voor mij Zijn bloed, en draagt mij, in Zijn door niets te verkoelen liefde altijd in 't gebed aan Zijn Vader op". Dan paart zich de ziel in de lofzegging van Christus! Het eerste wat dan genoemd wordt is de liefde.
Waarlijk, die liefde is een machtige vertroosting voor de Gemeente van alle tijden, in alle omstandigheden.
In de tweede plaats prijst Johannes de kern van Christus' verlossingswerk, van Zijn liefdebetoon. ,,En ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed". Daar is het middelpunt van wat de Zaligmaker deed. Dat is de kern. Dat is het eigenlijke. Er moest in plaats van 't woord „gewasschen" iets anders vertaald zijn. 't Komt wel op 't zelfde neer, maar juister ware het geweest als er stond: „Die ons van onze zonden losgemaakt heeft door Zijn bloed". 't Doet ons denken aan de banden der zonde. De macht der ongerechtigheid heeft den eerst zoo hooggeplaatsten mensch geheel overmeesterd, zoodat hij met inspanning van al zijn krachten zich daarvan nooit bevrijden kan. Gij kunt het bespeuren in de tegenwoordige, zoo ontwikkelde wereld. De menschelijke geest heeft veel naar voren gebracht, waarvan wij zeggen moeten: „Hoe is 't mogelijk?", maar de ongerechtigheid is daardoor niet verminderd. De misdadigheid neemt gestadig toe. Roof en moord zijn aan de orde van den dag. 't Is om er van te gruwen van wat wij lazen van den, moord van dat tienjarig meisje. Dat zijn uitzonderingen, zegt ge. Ja, gelukkig, 't Zijn de hoog opgeworpen golven van een kokende zee van ongerechtigheid, die er in 't menschdom woelt. De Heere Jezus heeft nooit gezegd dat die ongerechtigheid minder zal worden, wèl het tegendeel. En het is bewezen tot op dezen dag dat de krachten van den mensch niet bij machte zijn de banden der zonde los te maken. Het Evangelie der genade predikt ons die losmaking. De bevrijding moeten wij zoeken in den weg van het geloof. Zij is de kern van Christus' liefdebetoon. Dan is het de allerheerlijkste zaak die hier op aarde ervaren wordt. Het hemelleven, in een groeiend beginsel, geplant in de ziel. Daarom gaat Johannes hier de Gemeente voor in de lofzegging: „Hij heeft ons uit onze zonden verlost door Zijn bloed". Eigenlijk beteekent het: Hij heeft Zijn eigen leven gegeven als losprijs. Er moest voor de zonde betaald worden. Die zonde van het gansche menschelijke geslacht, dat in Adam gevallen was, had Gods heiligheid beleedigd was tegen de hoogste Majesteit begaan en had den rechtmatigen, zuiveren toorn in het driemaal heilig Wezen des Heeren Heeren opgeroepen. En toen heeft de Zoon gezegd: „Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God!" Hij heeft door Zijn gehoorzaam lijden en sterven den toorn Gods gedragen tegen de zonde der menschheid, en heeft door Zijn dood aan het vloekhout aan Gods heilig recht voldoening gegeven. Gods recht moest zijn loop hebben. Zijn waarheid moest zegevieren. Tegen de hoogste Majesteit heeft de mensch gezondigd. De zonde tegen God is het gruwelijkste kwaad. De menschen moesten zich er nog veel over ontzetten dan over den meest schandelijken moord. Er is niemand die dat kwaad kan ongedaan maken, al stonden hem alle menschen en engelen ter zijde. God Zelf heeft in Zijn aanbiddelijken Raad redding gegeven. Hij wilde liefde bewijzen. Hij, die Liefde is. Hij heeft Zichzelf gegeven in Zijnen Zoon. O, ondoorgrondelijk mysterie der verzoening! „God was in Christus", zegt de apostel, „de wereld met Zichzelf verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende".
De geloovige zal in de heerlijkste tijden van zijn leven, als hij zich n.l. verliezen mag in Christus, dit mysterie met aanbidding gadeslaan en hij roemt daarbij de liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat, zeggende: De Heilige Geest heeft het Woord der verzoening ook in mij gelegd.
*) Uitgesproken 13 October 1929, 's morgens, Oude Kerk, Veenendaal, Ds. N. v.d. Snoek
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's