STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De rijksuitgaven voor het onderwijs.
Er is geen onderdeel van de Overheidsbemoeiing, dat zulke zware geldelijke offers van de schatkist vraagt, als dat van het onderwijs. Neemt men de onderwijsuitgaven in haar totaal bij elkander, dan komt men voor 't geen op de rijksbegrooting over het jaar 1930 voor het onderwijs zal benoodigd zijn tot een bedrag van niet minder dan 155 millioen gulden, d.w.z. dat 25 procent of één kwart van alle rijksinkomsten noodig zullen zijn om de kosten voor het onderwijs te dekken. Bij dit bedrag zijn dan niet begrepen de gelden, welke de gemeenten ten behoeve van het onderwijs moeten uitgeven, welke gelden veilig op enkele tientallen millioen gulden kunnen worden gesteld.
Dat ook het accres (de toeneming) der onderwijsuitgaven voor het rijk — die voor de gemeenten laten wij thans rusten — niet gering zijn, blijkt duidelijk uit het feit, dat b.v. voor het komende jaar ruim 9 millioen meer moest worden aangevraagd dan voor het loopende jaar was geraamd geworden. Daarbij staat het vast, dat ten opzichte van deze uitgaven nog bij lange na niet 't hoogtepunt is bereikt
In de eerste plaats dient er mede te worden gerekend, dat het herstel van het 7de leerplichtjaar ook in het jaar 1930 nog niet volledig zal hebben doorgewerkt en dat evenmin de wederinvoering van de leerlingenschaal der „Technische" herziening in het komende jaar voor alle scholen haar beslag zal hebben gekregen. De algeheele uitvoering van deze twee maatregelen zal nog een belangrijk offer uit 's Rijks kas noodig maken.
Doch ook dan zijn wij er nog niet, want in de naaste toekomst staan nieuwe onderwijsuitgaven voor de deur.
Wij wijzen slechts op het onderwijs aan schipperskinderen, voor welks onderzoek een ministeriëele commissie werd ingesteld. Naar de statistieken aangeven, zijn er nog ruim 10.000 schippers- en kramerskinderen die zoo goed als allen van onderwijs zijn verstoken. Wel worden jaarlijks ten behoeve van het onderwijs aan deze kinderen subsidies aan de verschillende Schippersonderwijsfondsen toegekend, maar deze subsidies vormen slechts kleine bedragen, vergeleken met hetgeen zoo aanstonds bij een definitieve regeling zal blijken noodig te zijn.
Nieuwe kosten zullen ook moeten worden gemaakt, wanneer het onderwijs aan achterlijke kinderen, hetzij deze tot de zwakzinnigen behooren dan wel bij andere van dergelijke groepen van kinderen zijn onder te brengen, van het gewoon lager onderwijs naar het buitengewoon lager, onderwijs worden overgebracht
En eindelijk dient er mede gerekend te worden, dat tengevolge van het bekende stopwetje bij het nijverheidsonderwijs, aan den uitbouw van dit onderwijs in de laatste jaren zoo goed als niets is gedaan. Zal dit stopwetje worden ingetrokken, dan zal de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen er niet aan kunnen ontkomen om nieuwe credieten ten behoeve van het nijverheidsonderwijs beschikbaar te stellen.
Voegt men nu bij dit alles, dat er steeds meerdere aandrang op de regeering wordt uitgeoefend, om gelden beschikbaar te stellen ten behoeve van het bewaarschoolonderwijs, om krachtiger steun te verleenen aan het bijzonder voorbereidend hooger onderwijs (christelijke gymnasia e.d.) en om een betere subsidieregeling te treffen voor vrije universiteiten, voor hoogere handelsscholen en voor andere dergelijke instellingen, dan zal 't ons niet verwonderen, wanneer de onderwijsbegrooting binnen niet al te langen tijd het eindcijfer van 200 millioen gulden ging bereiken. Wij spreken dan nog maar niet over de klachten, die allerwegen worden gehoord, dat de positieregeling van het personeel bij de verschillende takken van het onderwijs werkzaam, te wenschen overlaat.
Het is dan ook te begrijpen, dat van verschillende kanten wordt aangedrongen op ingrijpende reorganisatie van 't onderwijs.
De centrale commissie voor bezuiniging der Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel, maakt zich tot tolk van velen, als zij in haar adres aan de Tweede Kamer schrijft: »Het moet voor ieder duidelijk zijn, dat het voor ons land financieel onmogelijk is zulke sterk stijgende uitgaven voor het onderwijs, die thans reeds meer dan een kwart van het totaal der staatsuitgaven in beslag nemen, te bekostigen, terwijl tal van gerechtvaardigde wenschen op dit gebied nog onbevredigd blijven«.
Dat ook de regeering inziet, dat de onderwijsuitgaven een te sterken druk gaan leggen op de rijksfinanciën en een krachtig ingrijpen noodzakelijk wordt, blijkt uit de mededeeling, die in de Troonrede voorkomt, alwaar de regeering zegt, dat wanneer het rapport der Staatscommissie voor de herziening van de Lager Onderwijswet 1920 zal zijn ingediend, de vereischte voorstellen tot herziening van deze wet met den meesten spoed aanhangig zullen worden gemaakt.
Het wachten is dus op het verslag van de Staatscommissie-Rutgers. Ongetwijfeld zal het mes der bezuiniging diep in de onderwijsuitgaven moeten worden ingezet. .
De voorstanders van het bijzonder onderwijs zullen met gerustheid den gang van zaken kunnen afwachten, want wanneer beweerd wordt dat de hooge uitgaven van het onderwijs een gevolg zijn van de kleine schooltjes bij het bijzonder onderwijs, dan wordt door de cijfers deze bewering gelogenstraft.
Uit de statistieken blijkt toch, dat gedurende het jaar 1928 het aantal christelijke scholen steeg van 1883 tot 1924, en het aantal leerlingen van 269.951 tot 282.152, eene vermeerdering per school alzoo van 143 tot ruim 146 leerlingen; een verschijnsel, dat ook bij de andere bijzondere scholen valt waar te nemen.
Hoe dit intusschen zij, wij zien met belangstelling de voorstellen der regeering tegemoet en zijn zeer benieuwd in welke richting naar beperking der uitgaven zal worden gestuurd. Zou deze richting die zijn van het gewijzigd Unie-rapport, dan zou naar onze meening de regeering geen kwade keuze doen.
Verdachtmaking.
Wij hebben de vorige week met opzet gezwegen over den Zeppelintocht, welke op Zondag vóór veertien dagen boven ons land heeft plaats gehad. Zeker, er zou alle reden zijn geweest om met het oog op den dag, waarop de tocht plaats had, in verband met het ontheiligen van den Zondag, het een en ander op te merken; toch is zwijgen in sommige gevallen welsprekender dan het uiten van allerlei klacht. Wij zouden dan ook thans de zaak hebben laten rusten, ware het niet, dat we iets te zeggen hadden over de wijze, waarop De Banier mr. Heemskerk te lijf gaat inzake de door dezen aan de regeering gestelde vragen betreffende den Zeppelintocht.
De vraag, door mr. Heemskerk gesteld, luidde:
Is de regeering in de gelegenheid geweest om te verzoeken of te doen verzoeken, dat de vlucht van de „Graf Zeppelin" over Nederland niet zou plaats hebben op Zondag, nog wel des ochtends onder kerktijd, waardoor hetgeen een daad van courtoisie jegens Nederland had moeten wezen, is geworden tot een daad van onwellevendheid jegens het aanzienlijk deel van het volk, dat prijs stelt op Zondagsheiliging en bepaaldelijk op kerkgang? Indien de regeering daartoe in de gelegenheid is geweest, waarom heeft zij daarvan geen gebruik gemaakt, of, zoo zij er wel gebruik van heeft gemaakt, waarom heeft dit niet gebaat? De indiening van deze uitnemende vraag, die, hoewel voorzichtig gesteld, toch precies aangeeft waarover het ten deze gaat, zal ongetwijfeld bij elk voorstander van Zondagsheiliging een gevoel van erkentenis en dankbaarheid hebben opgewekt. Zelfs De Banier verheugt er zich over dat in de vraag geprotesteerd wordt tegen de toenemende Zondagsontheiliging.
Maar het zou voor het blad van ds. Kersten toch niet aangaan, om van eenige daad van een Antirevolutionair, zoo zonder meer, iets goeds te zeggen; daarom volgt op de verheuging van De Banier onmiddellijk de vraag: of mr. Heemskerk ook van inzicht veranderd is. Aan welke vraag nog op smalende wijze deze andere vraag wordt toegevoegd: »Gaat de Zondagsrust en de Zondagsheiliging werkelijk den heer Heemskerk zoo ter harte?«
Wat hier gevraagd wordt, grenst aan verdachtmaking, een fatsoenlijk blad niet waardig. Want als de schrijver van het stuk in De Banier naar den tijd verwijst, toen mr. Heemskerk het ambt van Minister bekleedde en deze toen in gebreke bleef de indiening van een Zondagswet te bevorderen — wat intusschen niet juist is, omdat reeds sinds geruimen tijd een nieuwe Zondagswet bij de Tweede Kamer werd aanhangig gemaakt —, dan zouden wij een zelfde klacht kunnen richten aan het adres van ds. Kersten, die thans ruim 8 jaar lid van de Tweede Kamer is en van wien tot dusver geen enkel voorstel van wet inkwam tot bevordering van Zondagsrust en van Zondagsheiliging. Evenmin liet die afgevaardigde zich in al dien tijd iets gelegen liggen aan het vraagstuk van de lijkverbranding, het vrouwenkiesrecht, de leer-plichtwet en zoovele andere onderwerpen meer, die met de christelijke beginselen samenhangen.
Het waren wel woorden, en nóg eens woorden, die gehoord werden, maar tot daden kwam het bij ds. Kersten niet. Want waar is het voorstel van de Staatkundig Gereformeerden om de lijkverbranding te verbieden, den leerplicht af. te schaffen, den stemplicht te schrappen, het vrouwenkiesrecht uit de wet te verwijderen, den vaccinedwang te doen ophouden? Aan het indienen van deze wetsvoorstellen denken de Staatkundig Gereformeerden niet; het is naar hun meening voldoende als er over gepraat wordt. Maar waarom dan het optreden van hen, die niet tot de Staatkundig Gereformeerden behooren, verdacht gemaakt? Laat toch eens aan dit onwaardig gedoe een einde komen!
Een Roomsch protest.
Met betrekking tot de Zeppelinvaart neemt het Roomsch-Katholieke Huisgezin een standpunt in, dat overwaard is om in breede kringen vermeld te worden. Het blad schrijft naar aanleiding van de ontwijding van den Zondag 't volgende:
,,De „Zeppelin"-vaart over Nederland, schoon zoo niet opgezet, is een aanfluiting geworden van Zondagsrust en Zondagsheiliging. Wij weten alles wat tot vergoelijking kan worden aangevoerd, zooals men tegenwoordig geneigd is alles te vergoelijken. Maar het feit blijft, dat bemanning en passagiers van de „Zeppelin", Zaterdagavond opgestegen en Zondagnamiddag uitgestapt, geen Zondagsplichten hebben kunnen vervullen. Zeker, zeker, er zijn er zoo velen, die ze verwaarloozen, en bij duizenden en tienduizenden verzuimers zinkt het luttele cijfer der „ingezetenen" van de „Zeppelin" in het niet. Maar de „Zeppelin"-tocht was een openlijke demonstratie, waarover heel de wereld spreekt, tot zelfs in de afgelegenste gehuchten. En deze demonstratie was een openbare bespotting van het goddelijk gebod der Zondagsheiliging".
Dit alles, zoo oordeelt het blad, had niet behoeven en moeten plaats hebben, en het merkt dan verder op:
»En in 't algemeen mag nog wel eens worden geconstateerd, dat de tegenwoordige maatschappij laks en onverschillig staat tegenover den Zondag. Van een dag van rust en heiliging is het veelal een dag geworden van uitgaan en pretmaken. Zelf beleven we den Zondag niet, en we zijn schuld, dat anderen hem niet kunnen beleven«.
Dit protest tegen de Zeppelin-demonstratie op Zondag van het Huisgezin is ons zeer sympathiek. Er zijn heel wat Protestantsche bladen, die niet zoo'n principieel standpunt innemen, als dit hier uit het R.K. blad blijkt. Zoo komt het bezwaar tegen hetgeen op Zondag 13 October gebeurde niet van één kant, maar van verschillende zijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's