Brief aan de Romeinen.
Romeinen 4 vers 13—22.
Want de belofte is niet door de Wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs. Want indien degenen, die uit de Wet zijn, erfgenamen zijn, zoo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis teniet gedaan. Want de Wet werkt toorn: want waar geen wet is, daar is ook geene overtreding. Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij, ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen, dat uit de Wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke is een vader van ons allen.
Gelijk geschreven staat: ik heb u tot een vader van vele volken gesteld, voor Hem, aan welken hij geloofd heeft, namelijk God, die de dooden levend maakt en roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken, volgens hetgeen gezegd was: Alzoo zal uw zaad wezen. En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alreede verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaar oud was, noch ook, dat de moeder in Sara verstorven was. En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende Gode de eer. En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was. Hij ook machtig was te doen. Daarom is het hem tot rechtvaardigheid gerekend.
De Jood, die zoo streng vasthoudt aan de Wet, wil ook Abraham aan de Wet gebonden hebben. Het zit den Jood in merg en been om de zaligheid te verdienen door de werken der Wet. Het is zoo erg, dat hij 't zich voorstelt, dat ook Abraham het door de Wet heeft verkregen. Maar terecht wijst nu de apostel Paulus er op, dat de belofte niet door de Wet aan Abraham of zijn zaad is geschied, namelijk dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.
Met andere woorden: aan het verkrijgen van de erfenis is toch niet de voorwaarde verbonden geweest, dat hij eerst de Wet Gods tot op tittel of jota moest hebben volbracht.
En die arme heiden dan, die van de Wet niet weet, die nooit die Wet heeft gekend? Moet die dan voor altoos worden buitengesloten? Maar hield de belofte niet juist dit in, dat Abraham een erfgenaam der wereld zoude zijn? Zou hij niet in zijn zaad allen geslachten des aardrijks tot een zegen zijn?
De Jood vergeet dus blijkbaar, dat het reeds in strijd is met de belofte zelf om deze slechts tot het vleeschelijk Israël te beperken.
Maar bovendien, als het ontvangen van deze heerlijke erfenis eens verbonden ware geweest aan de voorwaarde van volkomen vervulling der Wet, dan mochten ook zelfs alle joden wel uitroepen: Vaarwel u gij hemelen, want mijne voeten zullen nimmer uwe opperzalen betreden.
Een mensch, die ontdekt werd aan zichzelf, zou in zijn dwaasheid zoo gaarne het verbroken werkverbond weer oprichten. O, wat zou men gaarne de zaligheid verdienen. Als 't eens mogelijk ware? En toch, dan was het juist voor eeuwig verloren. Geen Jood, zelfs Abraham niet, zou ook maar eenigszins deze voorwaarde hebben kunnen vervullen.
Loodzwaar hangt de vloek der Wet op Jood en heiden: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen. Hoe zou de Heere ooit het verkrijgen van die erfenis hebben kunnen laten afhangen van de voorwaarde om aan den vollen eisch der Wet te voldoen?
Neen, die heerlijke belofte, die rijke erfenis hangt alleen af van de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.
Het zal dus uit slechts louter genade wezen. Maar dan ook uit genade aan heiden zoowel als aan Jood, aan allen, die het door geloof deelachtig mogen worden. Het zal straks een schare wezen uit alle talen, natiën en tongen; een schare, die niemand tellen kan. Het zullen er allen zijn, die niets hebben te bezingen ter eigene verheerlijking, maar die dag en nacht zullen loven het Lam, hetwelk hen heeft gekocht met Zijn bloed.
Wat de apostel in vers 12 van Abraham heeft gezegd, wil hij in vers 17 nader komen te ontvouwen.
Het is toch niet zoo, dat Paulus dit maar heeft verzonnen, dat Abraham de vader aller geloovigen is. Neen, daarvan getuigt Gods Woord zelf. De apostel beroept zich op de Schriften: „gelijk geschreven staat: ik heb u tot een vader van vele volken gesteld, voor Hem, aan welken hij geloofd heeft, namelijk God, die de dooden levend maakt en roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren".
Weer worden we herinnerd aan hetgeen God aan Abraham beloofde in dien gedenkwaardigen nacht, toen hij door God werd opgeroepen om de sterren te tellen. Maar nog meer aan de verbondsvernieuwing, gelijk die ons beschreven wordt in Genesis 17. Genesis 17 vers 5b luidt letterlijk: want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volkeren.
Deze belofte werd aan Abraham gegeven, toen hij stond voor het aangezicht van dien God, in Wien hij geloofde. Onwillekeurig denken we aan Genesis 17 vers 1: Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.
Abraham heeft die belofte met de armen des geloofs omvat. O, welk een groot geloof. Als hij die gelofte een halve eeuw vroeger had gekregen, zou het veel gemakkelijker zijn geweest om het te gelooven, zou vleesch en bloed denken. Als het Sara nog maar gegaan was naar de wijze der vrouwen. Naar den mensch gesproken en naar het vleesch gerekend, was het immers een dwaasheid om nog op een rijke nakomelingschap te rekenen. Maar Abraham geloofde in dien God, die de dooden levend maakt, en die de dingen, die niet zijn, roept alsof ze waren.
In Genesis 17 wordt ons beschreven hoe God de Heere reeds den naam van dat kind, n.l. Isaak, aan Abraham voor de geboorte heeft bekend gemaakt. Symbolische naam, Isaak, d.w.z. men lacht.
Vleesch en bloed kan niet anders dan lachen met de leer der vrije genade, waardoor doode zondaren in Christus worden levend gemaakt.
En Abraham geloofde in die almacht Gods. Nu vielen alle bezwaren, hoe gewichtig die waren voor vleesch en bloed, opeens weg. Hagar en Ismaël kunnen hem nu niet langer bekoren. Het was slechts eigen werk. God de Heere zal uit een verstorvene moeder en door een verstorven vader een Isaak doen geboren worden. Aan Gods Woord heeft hij zich nu vastgeklemd. Nu geen twijfel meer! Nu geen geslingerd worden tusschen hoop en vrees, maar een zich vastklemmen aan de almacht van dien God, Wiens wegen ondoorgrondelijk en onnaspeurlijk zijn. Door dat geloof is Abraham gerechtvaardigd, want het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
§§§
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's