Werkt uws zelfs zaligheid.
Alzoo dan, mijne geliefden, gelijk gij allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vrees en beven; want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. Filippensen 2 vers 12, 13.
De Gemeente van Filippi. Dan gaat er veel aan Paulus' oog voorbij, wanneer hij in banden gekluisterd zit in Rome en aan zijn geliefde gemeente schrijft. Ze hebben aan hem gedacht, gelijk blijkt uit het bezoek van Epafroditus, die niet alleen de groete kwam overbrengen, maar ook een geschenk in geld. Wat heeft de Heere daar in Filippi toch wonderiijk gewerkt, naar Zijn welbehagen. Want toen Paulus kwam, luisterde niemand. Ze wilden niet hooren en ze werkten de werken des boozen. Ze ergerden zich aan 't kruis en ze vonden de prediking dwaasheid. En toen Paulus hen in den weg trad met zijn woord en werk, hebben ze hem in de gevangenis geworpen; ze hebben hem half dood geslagen en toen in den kerker gezet, met z'n voeten in een blok vastgemaakt. Daar kon hij nu blijven — dan konden zij rustig doorgaan, zooals zij wilden leven, zooals zij wilden werken — aan hun eigen dood. Want die zonder Christus is, is zonder God en zonder hope. De heiden met z'n cultuur, de jood met z'n godsdienst. Zonder Christus, zonder hope. Dat geldt voor ieder.
Natuurlijk geloofden ze dat niet te Filippi. Paulus geloofde 't vroeger ook niet. Hij vertelt er nu nog eens van, vanuit z'n gevangenis, in z'n brief aan de gemeente van Filippi. Wat was hij vroeger rijk en verrijkt. Hij zat vol eigengerechtigheid. Als hij niet zalig werd, wie zou dan zalig worden? In hoofdstuk 3 beschrijft hij z'n vroegeren rijkdom, waarop hij zoo trotsch was vóór z'n bekeering op den weg naar Damascus. Maar zelf door den Heere, naar den rijkdom van Zijn welbehagen, bekeerd, had hij anderen nu een andere gerechtigheid en zaligheid mogen verkondigen, ook te Filippi. En ziet, de Heere had meegewerkt. Lydia's hart was door den Heere geopend, dat zij acht nam op 't geen van Paulus gesproken werd. En ze had haar schat in Christus leeren zoeken en vinden. En nu wilde zij niet anders, dan bij die zaligheid leven en al haar werk was daarop gericht, dat zij haar roeping en verkiezing mocht vast maken. De Heere had haar de oogen geopend, om nu te willen wat God wil, om nu te werken Gods werk. En waar 't des Heilands willen en werken was geweest, om Gods wil te doen en te werken de werken Zijns Vaders, daar was 't ook haar lust en liefde in de dingen des Vaders bezig te zijn. En dan de stokbewaarder! Hoe wonderlijk had de Heere hem gebracht bij de mannen Gods, bij hun woord en werk. En de Heere had z'n oogen en z'n hart ontsloten, om tot hen te gaan en hun te vragen: wat moet ik doen om zalig te worden? Zóó was de gemeente uitgebreid. Velen hadden „gemeenschap gekregen aan het Evangelie (1 vers 5), dat was van den eersten dag af gekomen en dat was tot nu toe bewaard in Filippi (1 vs. 5) en Paulus dankt er God voor, als hij in Rome zucht in gevangenschap, dat het zoo heerlijk gegaan is in Filippi; dat de Heere daar velen lust en liefde in het hart had gegeven, om te zoeken de zaligheid in Christus. De wil was veranderd, en velen werkten nu niet meer om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven. Wat is de Heere toch goed! Want het is Zijn welbehagen. En zelfs in Rome, waar Paulus nu gevangen zat, had de Heere ook datzelfde gewerkt. Ook daar had Hij bij velen een ander willen en een ander werken gegeven, dan voorheen bij hen was; nu mochten zij begeeren de spijze des eeuwigen levens, 't Koninkrijk Gods, Jezus Christus en dien gekruisigd. Paulus wil er in zijn brief blij van gewagen, roemende in den Heere, die alleen wonderen doet en wandelt naar Zijn vrijmachtig welbehagen, om de oogen te openen der blinden en de harten van verstokte zondaren levend te maken. Neen, de Heere laat Zijn Woord niet ledig wederkeeren! „Met blijdschap en kroon" noemt Paulus de gemeente van Filippi. Hij gedenkt haar met vreugd en zij is bewijs, dat zijn werk niet ijdel is geweest. De Heere heeft het heerlijk bekroond, met zoo'n rijken, verrassenden zegen. Hij mag gelooven en weten, dat de werkzaamheden des geloofs in Filippi vele zijn, om Christus te bezitten in Zijn volheid en Gode te leven in oprechtheid, naar Zijn Woord. Zij hebben daar gemeenschap des geloofs aan het Evangelie van Jezus Christus tot zaligheid.
Als dat willen en werken van de geloovigen te Filippi, dat de Heere naar Zijn welbehagen hun geschonken heeft — want het is niet uit hen, het is Gods gave, het is niet uit het vleesch, maar uit den Geest — nu maar blijven mag en ze hun roeping en verkiezing maar mogen vast maken! Dan zullen ze zelf de vertroostingen van de zaligheid genieten en ze zullen blijven „zijn blijdschap en kroon". Met vreugd zal hij hen gedenken dan en ze zullen bewijs zijn, dat zijn arbeid onder hen, door Gods genade, niet ijdel is geweest. En ze zullen zelf ervaren, dat het geloof in Christus vruchten des Geestes vol vrede en zaligheid afwerpt.
Edoch Paulus weet, dat er gevaren dreigen. Er zijn allerlei leeraars onder hen opgestaan; die ook wel Christus predikten, maar hun drijfveer was niet zuiver; ze deden het eigenlijk — Paulus doorziet ze! — met de bedoeling het werk van Paulus door twisting te verwarren en te verstoren. Ze deden het om Paulus dwars te zitten en te krenken — ze waren zelf van „een ander Evangelie" — en zóó het werk van Paulus te ondergraven en te doen verdwijnen. En daartoe predikten ze wel Christus — anders viel 't ook te veel op, dat ze niet van Christus waren — maar ze veranderden toch het Evangelie (1 vers 15, enz.). Paulus weet het, voelt het, dat het bij sommige van die valsohe leeraars de bedoeling is, om zijn verdriet, nu hij in gevangenschap zit te Rome, nog te verzwaren (1 vers 16). Ze haten hem uit den grond van hun hart en willen gaarne tot z'n banden nog zwaarder leed en verdrukking toedoen. Nu hij weg is, zullen ze hem wel krijgen! Ze zullen nu werken wat ze kunnen, om hetgeen hij geplant heeft uit te rukken en hetgeen door zijn arbeid ontsproten is te verderven, zoodat er niets van zijn arbeid is overgebleven! Dan zal de gemeente in andere richting geleid worden, van een anderen geest worden straks, een andere prediking begeeren en onderhouden, een ander Evangelie gelooven en belijden, Christus en Zijn werk anders zien dan te voren, hun zaligheid anders willen en werken, dan toen Paulus bij hen was en onder hen werkte.
Dat verdriet Paulus. O, zeker, hij ziet er ook nog wel iets goeds in. Want zoo wordt er druk over Christus gesproken en gehandeld. Zoo wordt alom het Evangelie gebracht en gepredikt. Maar venijnig en hatelijk bedoelen sommige leeraars daarmee Paulus' woord te verzwakken, Paulus arbeid te breken, Paulus' Evangelie te veranderen — wat voor de gemeente van Filippi onnoemelijke geestelijke schade zal meebrengen. Dan raken ze van het hechte en eenige fundament Christus af. Dan worden ze zelf aan 't werk gezet, om hun eigen zaligheid te werken; om zichzelf gerechtigheid te vergaderen, om zich in eigen gekozen wegen aangenaam te maken bij God. En ja, de naam van Christus zal dan nog wel genoemd worden en bewaard blijven, maar hun gerechtigheid en zaligheid buiten Christus zoekend, zullen ze zichzelf werken den dood, in plaats van het leven, en ze zullen over zich halen teleurstelling inplaats van vreugd, vloek in plaats van vrede. En de ellende voor hen en voor hun kinderen, de ellende voor de gemeente, is niet te overzien!
Paulus zelf weet, hoe de natuurlijke mensch houdt van dat willen en dat werken, dat niet is een willen en werken naar Gods welbehagen en door Gods Geest, maar een willen en werken van den vleeschelijken, van den braven mensch. Hij kent dat wel, bij eigen ervaring. Hij, een Hebreër uit de Hebreen (3 vers 5 enz.) weet er van te verhalen. Dan wil en dan werkt de mensch de werken des vleesches. Maar „alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen" (Rom. 10 vers 3). De natuurlijke mensch weet niet wat hem ontbreekt en nu gaat hij eigen gerechtigheid „oprichten" (als een afgodsbeeld), om zich daarmee te vermaken en te troosten; om daarin te roemen, zooals de Farizeer, die zeker is van zijn zaligheid, omdat hij zeker is van zijn eigen gerechtigheid.
Maar zóó wil men en werkt men niet z'n zaligheid, maar zoo wil men en werkt men z'n dood! En het is niet naar Gods welbehagen, maar draagt Gods toorn. De gerechtigheid Gods in Christus kennen die valsche leeraars niet. En het wee! zal uitgesproken worden over hen, die dat eenig fundament ondergraven en die een ander fundament leggen — wat de natuurlijke mensch intusschen wel begeert, omdat hij zoó gaarne zaait in het vleesch en rust in eigen werk. Wat zijn de gevaren voor de gemeente van Filippi groot!
En nu kent Paulus den schrik des Heeren en weet dat het voor allen, die op zichzelf vertrouwen, zoo vreeselijk zal zijn om te vallen in de handen van den levenden God. Hij heeft het zelf ervaren! De in zichzelf zoo vrome Saulus (3 vers 5 enz.) heeft God, zijn hemelschen rechter, om genade leeren smeeken en is toen als een goddelooze, zonder de werken der wet, in 't werk van Christus gezet, om daar gerechtigheid en verzoening te verkrijgen. En sinds heeft hij niet anders gepredikt dan: „Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heere, om Wiens wil ik alle die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen".
Opdat ik Christus moge gewinnen! Dat is het!
De Heere heeft hem, naar Zijn vrijmachtig welbehagen — want het is niet uit hem, maar louter en alleen uit den Heere, naar den rijkdom Zijner genade en als vrucht van Zijn eeuwige liefde — de oogen geopend, om hem een ander begeeren te geven dan eertijds. Niet meer z'n eigen gerechtigheid, maar de gerechtigheid die daar is voor een arm zondaar in Christus, is het voorwerp van z'n begeeren, van z'n willen, van z'n werken. Al de spanning van z'n ziel is Christus. Die heeft tot hem gezegd: ,,Ik ben uw heil", en nu mag zijn ziel Hem achteraan kleven (Psalm 63 vers 9). Z'n willen en werken — door Gods welbehagen — is: om Christus aan te grijpen, zooals de doodsschuldige de hoornen van 't altaar aangreep, om van den dood vrij te komen (1 Kon. 1 vers 50). En Hem begeerende, Hem zoekende, Hem liefhebbend — door Gods welbehagen — mag hij ervaren, dat Zijn Woord waar is: „zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Hem gelooven". Hij mag ervaren de zaligheid van het woord: „die in Mij gelooft, die heeft het eeuwige leven".
Opdat ik Christus moge gewinnen!"
Dat mag Paulus kennen — door Gods welbehagen — nu de Heere hem dat willen en werken gegeven heeft. Dat mag de Gemeente kennen — door Gods welbehagen — nu zij de werkzaamheid des geloofs mag kennen, om Christus aan te kleven, wetende: zonder Hem hebben we niets en kunnen we niets. Christus willen ze, begeeren ze, zoeken ze. Niet als vrucht van eigen akker, want de Heere heeft hun de oogen geopend, dat zij een andere spijze hebben leeren begeeren en zoeken, dan de spijze van eertijds. Ze hebben door Gods genade afgeleerd, alleen te werken om de spijze die vergaat; hun willen en werken is nu naar de spijze van het eeuwige leven. En waar nu alles in Christus begrepen is, voor een arm zondaarsvolk, daar dreigen gevaren, dat men hen van dat willen tot een ander willen, van dat werken tot een ander werken wil verleiden, in den weg van een listige prediking van een ander Evangelie.
Daarom spreekt Paulus de hope uit (2 vers 1-2), dat zij bij voortduring gehoorzaam zullen zijn en blijven aan het Evangelie, door hem gepredikt; en dat zij vol vreeze, voor 't gevaar dat hun 't dierbaar kleinood des geloofs en der zaligheid, in Christus verkregen, zal worden ontrukt, zullen waken en bidden en strijden; dat ze hun roeping en verkiezing zullen vastmaken; dat bij hen geen ander willen zal zijn dan te willen in den van God gewilden weg te wandelen en bij het van God gewilde Evangelie te leven; en te werken, niet de werken des vleesches tot den dood, maar te werken om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven; te zoeken het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. „Opdat ik Christus moge gewinnen !" herhaalt Paulus.
De Heere heeft, naar Zijn welbehagen, hun de oogen daarvoor nu geopend; dat zij nu ook met vreeze vervuld mogen zijn, om niet af te wijken van den weg des Heeren; dat ze nu ook beven bij het gevaar, om te verlaten wat de Heere hun schonk; dat ze met heilig beven, met heilig vreezen mogen willen wat God wil, mogen werken wat God werkt, om zóó te behouden het dierbaar pand, hun toebetrouwd. „Opdat ik Christus moge gewinnen!" is Paulus' levenskeuze.
Waakt en bidt, opdat niemand u de kroon ontrooft.
Werkzaamheden des geloofs zullen er moeten zijn, tot eere Gods en tot eigen zaligheid.
De Kerk des Heeren, welke open oogen heeft ontvangen door Gods genadig bestel en welke een heilig willen door den Geest en een heilig werken door Gods kracht heeft verkregen, zal in het willen en in het werken moeten volharden tot Gods eer en tot eigen welstand. Anders wordt een ander Evangelie verkondigd, straks een andere Christus wordt dan gepredikt, een andere gerechtigheid aangeprezen — en dat is niet tot Gods eer en niet tot eigen welstand. Daarom schrijft Paulus ook op 'n andere plaats: „Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is; bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, die in ons woont" (2 Tim. 1 vers 13, 14).
In die richting moeten de werkzaamheden des geloofs gaan, ook voor eigen persoonlijk leven. Wij moeten ons natuuriijk verstand verzaken. De Joden moeten afleggen hun ergernis, de Grieken moeten afleeren van dwaasheid te spreken; alle vleeschelijke overleggingen moeten neer geworpen worden en alle gedachten moeten gevangen genomen worden tot gehoorzaamheid van Christus. (2 Cor. 10 vers 5). We moeten afleeren wijs te zijn in eigen oog, niet steunende op ons verstand, maar op den Heere. Daarbij moeten we ons houden aan de instellingen des Heeren. Hij heeft ons Zijn Woord gegeven; datmoeten we hooren, lezen, overdenken. En de teekenen en zegelen van Zijn Verbond moeten we niet verachten, maar betrachten, want Gods werk zal 't best vruchten dragen, niet ons werk. 't Is God, die Zijn volk sterkte geeft. „Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend". „Opdat ik Christus moge gewinnen!" zegt Paulus.
Dan zal er een zuchten der ziele moeten zijn om den Geest des geloofs, bij het lezen, bij het hooren van Gods Woord, bij het meeleven met Christus' Kerk, bij het zien en gebruiken van de teekenen en zegelen van Gods Verbond. Een zuchten des Geestes, waarbij de ziele uitroept telkens weer: „Zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heil".
Zóó den weg van Gods geboden loopende, als de Heere ons hart verwijd heeft, zullen we ervaren, dat Gods genade ons genoeg is, en de vruchten zullen zijn: vrede en barmhartigheid en zaligheid.
R. M. v. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's