De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Lofzegging ter eere van Jezus Christus. (Vervolg)

9 minuten leestijd

Hem, die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Gode en zijnen Vader, hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen". Openb. 1 vers 5b en 6.

In deze lofprijzing wordt het middelpunt der verlossing niet verzwegen. De Heere Jezus heeft Zijn leven gegeven als losprijs. Deze zaak is de eeuwige lofzegging der Gemeente waard. In den hemel zal zij er van zingen: „Gij, o Lam dat geslacht is, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed". Waarlijk, nooit genoeg kan het Evangelie „der verzoening door voldoening" in het middelpunt geplaatst. Het wil toch wat zeggen dat die heilige Rechter nu Zijn volk aanziet alsof zij allen de gehoorzaamheid volbracht hadden, die Christus volbracht heeft. Rechtvaardig gerekend te worden, door Hem, voor Wien wij allen door onszelf doodsschuldig staan! Wat dunkt u? Is dat niet het hoogste goed? Welke zaak is begeerlijker dan heilig en rechtvaardig voor God te staan? Zij wordt ons om niet gegeven, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Natuurlijk wordt dit alleen door het geloof ervaren. Het geloof dat geen verdienstelijkheid heeft, maar zooveel is als de hand, waarmede een bedelaar een goudstuk ontvangt en aanneemt. Dan prijst zulk een arme de goedheid van den gever, en vindt in zichzelf niets dat te prijzen is. Zoo worden wij door het geloof gerechtvaardigd. D.w.z. dan zijn wij aan onszelf ontdekt, als zondaren. Wij hebben dan in ons eigen hart en leven die bruisende, ontembare zee van ongerechtigheid bespeurd, zóó, dat het ons bang was. Zóó, dat wij uit den nood riepen tot God. Zóó, dat wij in alle onze pogingen teleurgesteld werden. Pogingen, die wij in het werk stelden om ons los te maken van de zonde. Wij deden dit door onzen godsdienstigen ijver, door onze strikte vormen, ook al door onze vroomheid en grondige waarheidskennis. Wij dachten daardoor hooger te komen, heiliger te worden, losser van de zonde. Totdat 't ons soms 't een na het ander, soms alles ineens, ontviel. En wij tot onszelf en tot God klaagden: „Nu ben ik nog goddeloozer dan voorheen! In plaats dat ik mij vooruit werk, wordt mijn schuld nog dagelijks grooter".
Weet ge hoe dat komt? Omdat de wet, Gods wil en woord, geestelijk is .......... 't Geloof! Daardoor worden wij gerechtvaardigd. Wat is 't geloof? Een werk des Geestes, waardoor wij zelf werken. Een werk, waardoor wij alles overboord werpen, wat wij zelf in 't werk stelden om zondeloos te worden, maar waardoor wij ons alleen aan Christus vastklemmen. Dat kan in ons veel spoediger gebeuren dan ik het u prediken kan, zoodat het in onze ziel tot een vast besluit komt, een beslissing des harten, waardoor ik zeg: „Ik ver trouw alleen op het verlossingswerk van den Heere Jezus Clcrisius. Op Hem, Die eenen moordenaar het paradijs gaf". Verstaat gij, Gemeente, de heerlijkheid van deze zaak? Is zij niet een zaak, waarnaar een ieder biddend begeeren moet, een ieder die haar nog niet bezit"? 't Is eene zaak, waarom God eeuwig te prijzen is. En wij paren onze stem in de lofprijzing van dezen Ziener op Pathmos, om Hem te verheerlijken. Die ons heeft lief gehad en ons heeft los gemaakt van de banden der zonde, door Zijn bloed.
De verlossing, die de Heere Jezus Christus tot stand bracht, de verlossing van Zijn Gemeente, is het grootste werk dat ooit in deze gevallen wereld plaats vond. 't Was Zijn reine liefde, die Hem daartoe bewoog. Hij kocht de Zijnen vrij door Zijn eigen leven als losprijs te geven.
Maar de apostel heeft in de lofprijzing van den Heere Jezus Christus nog meer te zeggen. „Hij heeft ons gemaakt tot koningen en priesters Gode en Zijnen Vader". Wie dus Christus tot zijn deel heeft, heeft alles. Misschien vraagt gij: „heeft Johannes dan het profeten-ambt van den geloovige niet vergeten? De genade des Heeren maakt toch een zondig mensch tot een profeet, priester en koning? Is hier dan niet een leemte? Wel, , zoo antwoorden wij, is dan deze gansene lofprijzing niet een klaar bewijs van het profeten-ambt? Gaat Johannes zelf hier de zeven gemeenten niet voor in het vrijmoedig belijden van 's Heeren Naam? Ja waarlijk, zijn tong is aangeroerd door 't vuur van het altaar. 't Wordt ook ons hierdoor voorgehouden, dat de Waarheid, die wij belijden, de zaak, waarin wij gelooven, niet in de binnenkamer blijve, ook niet slechts onder het klankbord van het spreekgestoelte, maar waardig is gebracht te worden onder 't breede klankbord des hemels, overal waar menschen zijn, menschen met hun toestanden, met hun verhoudingen.
De diepe weg, dien Christus Zelf gaan moest, bracht de Gemeente tot iets heerlijks. Het is de volkomen herstelling van den gevallen mensch. Hij was als een profeet, priester en koning uit des Makers hand voortgekomen, maar diep is hij uit dien heerlijken staat gevallen. Deze profetische apostel echter getuigt van hetgeen de Zaligmaker tot stand bracht. Tot koningen maakte Hij ons. Hij zet de geloovigen in een Koningsstand! Hoe wonderlijk! Hoe rijk! 'k Denk aan een mensch, die tot de kleine luiden behoort. Een, die haast niet in tel is. Misschien is hij wel iemand die altijd op zijn legerstede ligt. Maar hij heeft door het geloof Christus als zijn Zaligmaker leeren kennen. Waarlijk, zulk een mensch is een koning. Hij is van geen menschelijke macht afhankelijk. Hij is alleen afhankelijk van Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde. Hij is vrij en alles is tot zijn beschikking, want alle dingen, ook alles waarvan de heele wereld vol is, werken mede tot zijn zaligheid. „Hij heeft ons gemaakt tot koningen". Dit schrijft Johannes aan de vervolgde Christenen, aan de poovere schare, de kleine kudde, die midden in het gewoel der wereld leeft. Hij schrijft hun dit, opdat zij den moed niet zouden verliezen. Maar ook, opdat zij genade zouden ontvangen om in den strijd te volharden. Als de Catechismus over het koningschap, van een Christen spreekt, noemt hij alleen den strijd tegen de zonde en den duivel. De begenadigde is een vrije, maar is ook een strijder. Niet in eigen kracht, maar in het bewustzijn: „Ik heb een Sterke aan mijn zijde, een Held, Die mij heeft lief gehad, en mij uit de macht der zonde verlost heeft". Zulk een mensch is een koninklijke strijder, een strijdende koning! Hij kan niet anders dan tegen de zonde van zijn eigen hart den oorlog aanbinden. Niet, dat hij altijd strijdvaardig is. Ja, 't moest wel zoo zijn. Ach, ach, de boog hangt vaak zoo slap! Het zwaard wordt vaak zoo losjes gehanteerd. Ach, hoe kan hij ook zoo heulen met den vijand! Is het niet een schande voor 't verlossingswerk van Christus, dat Zijne Christenen al te vaak op goeden voet leven met de zonde? Ja, 't is een schande. En als zij op zichzelf zien, hebben die koningen niet anders dan te klagen over hun innerlijke goddeloosheid. Zij moeten het telkens weer goed weten, dat zij van slaven der zonde koningen zijn geworden, koningen door de vrijmakende genade van Christus. Maar dan ook herleeft de heldenmoed des geloofs, waardoor men zegt: „ik wil niet meer de zonde dienen, geen slaaf zijn van mijn ongerechtigheid, mijn booze lusten wil ik in mijn hart en leven niet laten regeeren, alleen de genade van Jezus Christus heersche in mij".
Een koninklijke strijder! Omdat hij vrij is, strijdt hij. Hij strijdt, opdat hij vrij zal worden. En zoo staat hij ook in het midden van deze wereld. Het gebed neemt dan een voorname plaats in, in zijn leven: „Uw Koninkrijk kome". Omdat hij weet, dat de zegen alleen komt van Hem, Die alle macht heeft in hemel en op aarde. Waren er maar meer ware bidders om de komst van 's Heeren Koninkrijk! Er zouden ook meer dienstknechten en dienstmaagden van den Heere openbaar komen in het leven, in hun huisgezin, in hun levensverhoudingen. 'k Bedoel zulke geloovigen, die met toewijding den Naam van hun Koning in het hart dragen en die dan ook het Woord van dien Koning wenschen te eerbiedigen in het volle, rijke menschenleven. Die koninklijke strijd is moeilijk; hij behoort tot het smalle pad. Maar hiervan staat geschreven: „Die overwint. Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijn troon".
Christus maakt de Zijnen ook tot priesters. De geloovigen vormen een koningsstand, die louter priesters telt. Het is de priesterlijke verhouding, waaraan wij hierbij in de eerste plaats moeten denken, de priesterlijke verhouding waarin zij staan tot God, tot den Vader van den Heere Jezus Christus. Zij leeren een levend dankoffer te zijn. In de heerlijkste tijden van het geloof zeggen zij: „Gij hebt Uzelf aan mij, ellendige zondaar, gegeven in den Zoon Uwer liefde, U komt ook mijn hart en mijn leven, mijn denken en mijn spreken, mijn gaven en mijn krachten toe".
Ook een hooge eer ligt hierin. Zooals de priesters in het Oude Verbond mochten verkeeren in het heilige en 't heilige der heiligen, zoo mogen zondaren — dank zij den vrijen toegang, dien Christus Zijn Gemeente verwierf — voor 't aangezicht des Allerhoogsten verkeeren. Klaagt, geliefden, dan maar vrij voor het aangezicht des Alwetenden, al uwe ellende en al uwen nood uit. Zoo werkt de Heilige Geest. Dat is gebedsgenade. Daardoor wordt gij priesters en priesteressen. Smeekt in Christus' naam om vergiffenis en uitredding. Dat is iets van het priesterlijke leven, waarin de Heere Jezus de Zijnen brengt. En weet gij dat 't tenslotte op het geloof aankomt, roept Hem aan met de bede: Ik geloof, kom mijn ongeloovigheid te hulp. Het is niet alleen een zegen, maar ook een groote eer zoo in 't heilige te mogen verkeeren. Waarlijk, de gemeenschap met God is de hemel op aarde. Daar is de herstelling van wat de zonde bedierf. Die gemeenschap geeft vast en zeker kracht om offers te brengen, om onbaatzuchtige liefde te bewijzen, ook aan uw naaste. Weet het wel, de liefde van Christus leert lief te hebben. Mochten er maar velen zijn, die dit priesterlijke leven voor het aangezicht Gods en voor dat der menschen kenden! Zij zouden met den apostel den lof des Heeren vermelden: Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden verlost heeft door Zijn bloed en die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters. Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.
De verheerlijking van den mensch zal niemand vrede geven. Zij gaat samen met den dienst der zonde en zij zal bij duizenden op een jammerlijke teleurstelling uitloopen. Maar mocht de lofzegging van den Heere Jezus Christus in uw hart wonen, dan weet gij dat een verloren zondaar alles uit Hem ontvangt wat tot zaligheid noodig is. Gij zijt dan een koninklijk priesterdom, een verkregen volk, om te verkondigen de deugden van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Amen.
V.                                                             N. v.d. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's