STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De openbare school.
In den laatsten tijd is de openbare school niet weinig in opspraak.
Eerst was het „Het Handelsblad", dat ongevraagd de opmerking maakte, dat het bij de examens telkenmale blijkt, dat het onderwijs aan de bijzondere scholen zooveel gunstiger resultaten oplevert, als dat wat aan de openbare scholen wordt gegeven; een uitspraak, welke van niet geringe beteekenis is, nu ze uit de pen vloeide van een vrijzinnig blad.
Daarna komen de Sociaal Democraten, de vurige voorstanders der openbare neutrale school, — en wij vestigden daarop reeds een paar weken geleden de aandacht — hun vertrouwen aan deze school in de provincie Limburg opzeggen, waarbij zij tegelijkertijd de mededeeling doen, van plan te zijn om in deze provincie eigen bijzondere scholen te gaan stichten.
En eindelijk — om ons tot deze drie gevallen te bepalen — laat het „Schoolblad", het orgaan van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap, in zijn, nummer van 16 October een klaagtoon hooren over den teruggang van onze, zooals het blad dit uitdrukt, openbare school.
De tijd, zoo schrijft het „Schoolblad", dat de openbare school de heerschende was, de algemeene was, is lang voorbij.
De „pacificatie" heeft den teruggang verhaast.
Ten einde dien teruggang duidelijk te maken, geeft het blad eenige cijfers.
Zoo wordt van 16 groote gemeenten in Nederland geconstateerd, dat behalve in Maastricht, in al deze gemeenten langzame of vrij snelle achteruitgang van 't aantal leerlingen der openbare school valt waar te nemen.
Onder deze 16 gemeenten zijn het Amsterdam, Enschedé, Leeuwarden, Rotterdam en Vlissingen, waar het aantal percenten van het totaal aantal leerlingen nog boven de 50 komen. Doch dit is niet meer het geval in de gemeenten Arnhem, Breda, 's-Gravenhage, Haarlem, Heerlen, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Schiedam, Tilburg en Utrecht. In al deze gemeenten gaat het leerlingental van de bijzondere school boven dat der openbare school uit.
Voorts wijst het „Schoolblad" er op, — en het noemt dit benauwend — dat er thans reeds meer dan 150 gemeenten zijn, waar in het geheel geen openbaar onderwijs meer gegeven wordt.
Behalve in Friesland, Groningen en Drenthe zijn deze gemeenten over alle provincies verspreid.
Uit een andere groepeering der gegevens blijkt — zoo gaat het blad verder — dat in Noord-Brabant van de 164 gemeenten er 45 zijn met een totaal van 140.000 inwoners, die van openbaar onderwijs zijn verstoken. In Limburg zijn er van de 121 gemeenten 34 met totaal 66.000 inwoners, die geen openbare scholen meer hebben. Een zelfde geval doet zich in Zeeland voor met 15 gemeenten met een aantal inwoners van 19.000, in Zuid-Holland waar met 20 gemeenten en in Utrecht met 25 gemeenten respectievelijk met totalen van 35.000 en 32.000 inwoners, geen openbaar onderwijs meer gegeven wordt.
Dit alles noemt het „Schoolblad" bedenkelijker.
Maar het ziet de situatie nog bedenkelijker, als het blad overweegt, dat verscheidene van de boven genoemde gemeenten aan elkaar grenzen, waardoor uitgebreide complexen ontstaan, waaruit de openbare school geheel verdwenen is. Het „Schoolblad" besluit zijn klaagtoon met de voorstanders van de openbare school te wapen te roepen, omdat het blad vreest, dat de opmarsch der bijzondere school nog voort zal gaan. De steming onder de openbare onderwijzers van „dat-gaat-nog-wel" moet anders worden. De schellen moeten van de oogen vallen, opdat een ieder gevoele, hoe benard de zaak van het openbaar onderwijs is geworden. Voorwaar, de tijd, welke de openbare school tegenwoordig doormaakt, is niet rooskleurig.
Vrijmaking van den Zondag.
Van Sumatra's Oostkust komt een noodkreet naar Nederland tot vrijmaking van den Zondag. Eigenlijk zou dit geroep uit heel Indië kunnen komen, want overal in de Koloniën is het met het rusten, laat staan met het heiligen van den Zondag, droevig gesteld. Wie dezer dagen de zoo aangrijpende en belangwekkende artikelen in de Christelijke Pers van de hand van ds. C. Mak, van Medan, heeft gelezen, zal een diepen indruk hebben gekregen van de groote geestelijke en zedelijke ellende, benevens van de zenuwsloopende werking van het voortdurend arbeiden zonder wekelijkschen rustdag in de onderscheidene cultures op Sumatra.
De noodkreet, hierboven genoemd, is vervat in een manifest, gericht aan de directies der ondernemingen, de Pers, den Volksraad, de Staten-Generaal en de Regeering in Nederland. Het gaat uit van de kerkeraden van de Protestantsche en van de Gereformeerde Kerk, de R.K. geestelijkheid en van den Katholieken Socialen Bond ter Oostkust van Sumatra. Het stuk houdt in een pleidooi voor invoering van algemeene Zondagsrust, op grond, dat het ontbreken daarvan een schending is van de eere Gods en schade toebrengt aan het lichamelijk en geestelijk welzijn van duizenden arbeiders. Wij hebben het manifest met groote instemming gelezen en hopen dat de inhoud weerklank zal vinden bij Regeering en Volksvertegenwoordiging.
De Zondag afgeschaft.
Onlangs deelden we mede, wat de Sovjetregeering in Rusland heeft aangedurfd met betrekking tot de afschaffing van den wekelijkschen rustdag. Belangrijk is het artikel, dat de heer Amelink in het Christelijk dagblad „De Amsterdammer" over deze aangelegenheid schrijft.
We laten het stuk hieronder volgen:
In Rusland is nu de Zondag als rustdag afgeschaft. Sedert 1 October is daar nu de ononderbroken arbeidsweek ingevoerd. Elk jaar heeft in Rusland nu 360 werkdagen. Handel en industrie, heel 't bedrijfsleven, de regeeringsbureaux, de scholen enz., het gaat heel het jaar door. Het decreet van den voorzitter van den economischen Raad, kent slechts 5 feestdagen, waarop het bedrijfsleven wordt stilgelegd, n.l. 1 en 2 Mei, en 7 en 8 November, en nog den een of anderen revolutionairen gedenkdag. De arbeiders werken vijf dagen, en krijgen daarna een rustdag. Er worden zes groepen van arbeiders gevormd. Vijf daarvan werken, terwijl de zesde ploeg rust. Hier is dus radicaal gebroken met de instelling van Gods gebod: „Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Maar de zevende dag is de Sabbath des Heeren, uws Gods, dan zult gij geen werk doen". Van een algemeen wekelijkschen rustdag, waarop heel de arbeid in fabriek en werkplaats wordt stil gelegd, is geen sprake meer. Elke dag, behalve dan een vijf-tal in het jaar, is een werkdag.
Het Sovjet-regiem is het blijkt ook weer uit dezen maatregel — er op uit elk godsdienstig leven te verstikken. Godsdienstoefeningen, ze kunnen niet meer gemeenschappelijk worden gehouden. Men heeft geen gemeenschappelijken rustdag meer. De gezinnen hebben geen dag meer „waarop men van elkander houdt", geen dag meer, dat heel het gezin rustig bij elkaar kan zijn, Zondag kan vieren. Als de vader een vrijen dag heeft, zijn de kinderen naar school. Als er meer personen uit één gezin arbeid verrichten, ze zullen in de meeste gevallen nooit tegelijk hun vrijen dag hebben. In Rusland moet de gehuwde vrouw ook beroepsarbeid verrichten. De Sovjet-autoriteiten mogen nu toegezegd hebben te zullen bevorderen dat man en vrouw tegelijkertijd hun rustdag zullen hebben, maar daarvoor een regeling te treffen, zal niet mogelijk blijken.
De bolsjewisten verwachten van de invoering van dezen maatregel groote economische voordeden. De practijk zal straks wel bewijzen, dat men zich daarin misrekent. Het verlaten, het opzettelijk ingaan tegen Gods geboden, kan een volk nooit — ook economisch niet — ten zegen zijn. Rusland blijft 'n waarschuwend voorbeeld. Verzet tegen de revolutionaire beginselen is geboden. Rusland toont, waartoe de toepassing dezer beginselen leidt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's