MEDITATIE
Het dal Achor.
En Ik zal haar geven het dal Achor tot een deur der hoop. Hosea 2 vers 14m.
Aangrijpend is de geschiedenis, die verbonden is aan het dal Achor. Dit droeve dal met zijn somberen steenhoop legt een zwijgend getuigenis af, dat 's Heeren Woord niet straffeloos wordt overtreden, maar dat de Heilige Israels den snooden verachter van Zijn gebod bezoekt in Zijn rechtmatigen toorn en treft met Zijn geduchte straf. Op treffende wijze leert de steenhoop van dit dal, dat de vergelding op de zonde een ontzettende dood is. Achan, de versmader van 's Heeren nadrukkelijk woord, de roover van hetgeen des Heeren was, is vervloekt, zoo luidt Gods oordeel. De overtreder wordt henengeleid naar het dal Achor en sterft onder een steenenregen weg in de eeuwige rampzaligheid. En deze opgeworpen steenhoop is een zwijgende prediking voor alle tijden, dat de Heere recht is en een streng gericht oefent.
De profeet Hosea wil nu, dat het afvallige volk van Israël met levendig gevoel dit vreeselijke gerichtsdal voor den geest zal roepen, want de Heere laat zich niet ongestraft tergen. Eenmaal komt het oogenblik, dat de dreigingen schrikkelijke werkelijkheid zullen worden. De oordeelen in den mond van den profeet zijn als evenzoóveel opgeheven, dreigende steenen die straks zullen neerkomen, verpletterend al degenen, die zich van den Heere hebben afgewend, zooals een boeleerende vrouw trouweloos en snood haar wettigen man verlaat. O, schuldig Israël, hoort het! Neemt het ter oore! Een Achansstraf hebt gij u waardig gemaakt. Een Achans-oordeel zweeft u boven het hoofd.
Maar het is niet voor Israël alleen, dat de steenhoop in het Achordal een levende taal moet gaan spreken, ieder zondaar zie in dat gericht in het Achordal niet de straffende gerechtigheid over Achan, maar over de zonde, die leeft en woelt in elks hart. Want al hebben wij niet met dezelfde overtreding gezondigd als Achan, leeft niet de Achanslust tot het verbodene in ons aller hart? Genomen van het verbodene, was de zonde onzer eerste voorouders in het Paradijs. Nemen van het verbodene is onze zonde voor God, precies als van Achan. „Gij zult niet" — zegt de Heere, onze God, en de stemme Gods in het geweten houdt niet op af te manen en wij doen het toch. Ik ben de Heere, uw God, en Ik vraag in uw hart de eerste plaats, de eerste plaats in uw liefde, uw vertrouwen, uw aanbidding, uw streven, en ..... het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, het onderwerpt zich aan God niet. Het gansche leven van het natuurlijk hart is streven naar het verbodene, grijpen naar verboden vruchten. Ja, het is droevig, maar waar, dat de zondaar, eertijds Gods reine schepsel en de oogenlust van zijn Schepper, zich moedwillig heeft verbonden met Satan, den eeuwigen vijand en bestrijder des Heeren. En nu vraag ik u: Is er zooveel onderscheid tusschen Achan's overtreding en uw zonde? Leven de Achanslusten niet in uw hart? Verneder u en verootmoedig u voor Gods aangezicht, want gij zijt in hetzelfde oordeel als Achan. Alleen Gods lankmoedigheid vertraagt het Achansgericht. Deze afvallige wereld is één groot Achordal geworden; ze ligt verdoemelijk voor God. Als opgeheven steenen hangen de dreigende Godsoordeelen boven het hoofd. Wanneer de Geest der verlichting ons die geestelijke waarheden leert zien, gaat de ziele beven van ontzetting. „Wee, mijn arme ziel!", wordt er uitgeroepen, want het is eigen zondeschuld dat de zwarte wolken van goddelijke verbolgenheid zich samenpakken boven het hoofd. Naarmate God de ziel dieper inleidt in haar ongerechtigheden en klaarder leert zien, wat woelt en werkt in de donkere kolken van een menschenhart, naar die mate zal de zelfveroordeeling ook meer benauwen. En het is goed, dat de boosaardigheid der zonde gepeild worde en haar walgelijkheid gevoeld. Want daar alleen wordt goed verstaan wat genade Gods is, waar de diepte van onzen val het best wordt ervaren. De Zone Gods is gekomen om te zoeken en te zaligen wat verloren is. Wie zijn schuldige ziel als verloren voor God ziet liggen, die wordt het voorwerp van de goddelijke ontferming en redding. Genade Gods bij redding van een zondaarsziel moet louter genade zijn, anders is het geen genade.
Waaraan zullen we nu weten, of we door God in het Achordal zijn gevoerd door ontdekkende werking Zijns Geestes? Aan de min of meer heftige zielsberoeringen? Niemand late zich daardoor misleiden. Waar is een grooter zieleangst geweest dan bij Judas, den verrader van den Heere Jezus? Een schrikkelijke, ondragelijke gewetenswroeging pijnigt zijn benauwde ziel. God opende hem reeds aan deze zijde van het graf de oogen voor zijn ontzettende gruweldaad en de rechtmatige goddelijke straf daarover. Als er één is, die een ontzettend Achordal heeft beleeft, dan is het Judas. En deze Judas ging naar zijn eigen plaats in de eeuwige rampzaligheid.
Neen, God geeft aan zijn volk een ander Achordal te beleven dan Achan en Judas die alleen de straftoekennende gerechtigheid Gods hebben ervaren tot Hun eeuwige ontzetting. Ze zijn zonder hoopp de eeuwige duisternis ingegaan.
Doch voor het volk Gods wordt het dal Achor een deur der hoop. Wanneer hun zielen deze donkere dalen worden ingevoerd, doen ze boete en toonen ze een berouwvol hart. Ze erkennen hun schuld, die God tot straf bewoog, en zeggen: Uw doen is rein, Uw vonnis gansch rechtvaardig. Met hartelijke droefheid beweenen ze hun misdaden en zielsverdorvenheid en hebben een heiligen afschuw van hun ongerechtigheid en hun hart, als die vuile bron van booze wanbedrijven. Om Gods wil, die met droefheid alle zonde ziet, verfoeien ze zichzelf en klagen den Heere achterna.
Ook in deze zieledroefheid lette niemand op de heftigheid der beroering. Er is een stille treurigheid des harten, die niet luide roept over de grootheid van het kwaad, door haar bedreven, en nochtans hartelijk leedwezen omdraagt. Er is krachtige werking des Geestes, waardoor het hart gebroken en de geest verslagen wordt en geroepen: „O God, wees mij, zondaar, genadig!" „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? " Maar God doet ook wel eens al Zijn golven en baren over de benauwde ziel heengaan. Dan draagt de ziel Gods vervaarnissen en angsten der hel verschrikken haar.
Doch als nu de ziel, door Gods Geest ontdekt, zichzelf leert veroordeelen en door angst en vreeze vanwege de zonde wordt beroerd en verslagen, treurt over het kwaad der zonde en haar eeuwig lot, dan richt de Heere het oog op het Kruis van Christus en doet de ziel verstaan, dat haar ongerechtigheid op Hém is geweest. Om haar overtredingen is Hij verwond geworden. Hij is tot zonde geworden voor God ten behoeve van Zijn volk. In 't diepste Achordal is Hij neergedaald als Hij in Gethsémané moest uitroepen: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe". Geen smartelijker Achordal is ooit beleefd dan toen Hij aan het kruishout moest klagen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Maar dit was, opdat verslagen zondaarsharten nimmermeer van God verlaten zouden worden. Om Zijn volk met Zijn zegeningen te vervullen, heeft Hij hun vervloeking op Zich geladen. Hij heeft de allerdiepste versmaadheid en angst der hel geleden, opdat Hij het eeuwig leven voor de Zijnen verwerven zou, hen opvoeren uit den eeuwigen dood, waarin ze anders hadden moeten verzinken.
O, verslagen harten der ontdekte zondaren, hoort hoe de Heere in het Achordal een eeuwige verlossing teweegbrengt. In de diepte der zieleberoering doet Hij het kruis van Christus voor de oogen van Zijn volk komen en doet ze verstaan, dat in Hem alles is bezocht geworden, wat in Zijn volk kon bezocht worden. In dien Christus, die leed en stierf aan het kruishout, is voor u de deur der hoop gegeven. Hij is nog niet uw Christus, uw Zondenvernieler en Verlosser? Gij zijt nu nog verre van de volle verzekerdheid der hoop? Toch behoeft gij niet zonder hope te treuren. Het dal van Achor zelf, de zieleberoering in de diepte der ellende, geeft de Heere reeds als een deur der hoop. Voor wie hartelijke droefheid over de zonde kennen, en weten, wat het is om te liggen onder den toorn Gods, is een sterre der hoop gegeven.
Zalig zijn, die treuren, zegt de Heere, ze zullen vertroost worden. Daarom, o ziel, grijp moed om op te staan en aan te kloppen. Bidt, opdat gij moogt ontvangen. Ja, laat uw gebed zich vermeerderen tot het wordt als een stroom waarvan de golven aanklotsen tegen den troon der genade. In de worsteling des gebeds wordt de Heere overwonnen. Oprechte zondesmart is een deur tot de genade. Nooit valt die deur weer volkomen dicht. Zelfs onder het schijnbaar afwijzen gaat de deur steeds wijder open, als er maar volhardend wordt gebeden uit den drang der zielenood. Eindelijk geeft de Heere zich geheel gewonnen. De ziel verkrijgt de verhooring van haar gebed en er komt vervulling met den vrede, die alle verstand te boven gaat.
O, bekommerd hart, vat troost ook uit uw toestand. Een dal van Achor wordt gegeven tot een deur der hoop en deze hoop zal niet beschamen. Als uw bekommering door God is gewerkt, hebt gij munt, die in het Koninkrijk der Hemelen gangbaar is. Gij moogt er mee tot Christus gaan en verzoening voor uw zondeschuld vragen. Laat het woord dezer overdenking als een toezegging van Godswege uw ziel levend maken. Zeg tot den Heere: „Gij hebt mij een Achordal gegeven, doe mij nu ook de poorten der gerechtigheid open, opdat ik daardoor mag ingaan en uw Naam en goedheid loven".
Een Achordal voert naar Kanaan, als de zonde des volks is weggedaan. Als Achan is gesteenigd en aan Gods recht is genoeggedaan, mag Jozua het volk van Israël het beloofde land binnenleiden. Als het Lam Gods uw zonde heeft weggedragen en de Heere de schuld uit Zijn boek heeft weggedaan, zal ook het beginsel der eeuwige vreugde uw ziel verblijden, en als gij nog eenmaal een bang Achordal van uw sterven zult ingeleid worden, dan zal God ook in die duisternis licht scheppen en de eeuwige deuren doen oprijzen, opdat gij moogt ingaan in de vreugde uws Heeren.
Zalig hij, die in dit leven is gevoerd geworden in het Achordal. Eeuwige blijdschap zal eenmaal op zijn hoofd zijn.
Kent gij het Achordal? Niet? Weet gij dan niet, dat gij leeft in dit dal met dreigende Godsgerichten? Wist gij niet, dat gij de Achanswerken volbrengt? God beroere uw ziel alsnog met Zijn goddelijke verschrikkingen. Hij werpe u in de zee van Zijn heilige verbolgenheid. Hij doe over uw hoofd gaan al Zijn golven en baren, opdat gij vlucht, eer gij sterven moet, met uw zondeschuld naar Jezus' bloed.
Helaas, de natuurlijke mensch ziet niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Ieder uur zijn we in gevaar in het Achansoordeel te vallen en ter helle te varen, en men gaat voort met eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven. Eerst als het oordeel begint voltrokken te worden, bekruipt de vreeze 't anders ongezeggelijke hart. Maar dan, helaas, te laat. Dan is er een Achordal zonder deur der hoop. Geen lichtende starre flonkert in den doodsnacht van den onbekeerlijken zondaar. Dat is ontzettend. Een Achordal zonder kruis der verzoening. Dat toeteekent: eeuwige nacht der smarten. Zoo zijn er gestorven, zoo sterven er nog. Het moge voor sommigen nog ter waarschuwing strekken.
Een waarschuwing moeten wij ook doen hooren tegen de zelfgemaakte droefheid; tegen tranen, die niet opwellen uit het verslagen zondaarshart. Menschen kunt gij misleiden, maar niet God, die harten kent en nieren proeft. Elke plant, die de hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Een bekommerd hart heeft met God te doen, zijn zaak is met God. Voor God beeft het. Zijn oordeelen vreest het. Van God moet de verlossing komen. Een recht bekommerd hart verwacht het niet van menschen, al worden ze soms door God als gidsen gebruikt. Indien gij op een bedriegelijken weg zijt, God opene u de oogen en leide u op den eeuwigen weg.
Dank God, als gij uit uw zondeslaap zijt wakker gemaakt en uw oogen zijn opengegaan voor uw geestelijk dooden toestand. Dat is getrouwheid Gods, wanneer Hij u uit uw rustigen slaap doet opschrikken en misschien door tegenspoeden en rampen, door veel smarten u tot uzelf doet komen en leert vragen: „Hoe wordt mijn ziel behouden van een wis verderf?" Dat is ontwaken in het Achordal: En God heeft dit gesteld tot een deur der hoop.
En wie die beroering van dit dal kent, zal niet beschaamd worden. God schept uit de duisternis licht. God zal beschikken dat u gegeven zal worden sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Genemuiden. A. LUTEIJN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's