FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
— DOOR IDSARDI. —
78)
Van den dominé had hij niets anders verwacht. Natuurlijk beschermden die altijd het kapitaal, en zoo ook hier. 't Was we! gemakkelijk de arbeiders af te schepen met een wissel op de eeuwigheid en hun te zeggen dat er een toekomstige vergelding kwam, maar daar had men hier in dit leven niet veel aan. Dan hield hij er meer van het nu maar wat beter te hebben, — later kon men altijd zien hoe het kwam.
„Waarom gebruik je dan hier den Bijbel?" — riep baas Prik uit de zaal. En daar waren de meesten het mee eens.
De laatste woorden van den geachten spreker waren onverstaanbaar, vanwege het rumoer en het geschuifel met de klompen van degenen die opstonden om heen te gaan. Wèl viel er uit op te maken dat zij voornamelijk aan het adres van Sjoerd waren, die mede oorzaak was, dat hier vanavond alles in het honderd liep.
Hoe het verder precies gegaan is, werd de buitenwereld nooit recht bekend. Maar de herbergier vertelde later dat de man voor dag en dauw al was afgereisd, en dat hij óók wel had opgemerkt dat de rekening aan Sjoerd en Symen niet mee viel.
De laatste is dien avond heel anders thuis gekomen, dan Syke gevreesd heeft. Hij was stil en in zichzelf gekeerd. Net als iemand, die een harde les ontving, en daar over nadacht.
Teneinde hem gunstig te stemmen had Syke 'n kopje thee klaar gemaakt en vroeg of hij trek had. „Asjeblieft" — is het antwoord geweest, — dat zij in geen jaren van hem gehoord heeft. Daarop keek hij verstrooid in de courant, maar zonder te lezen, en werpt haar dan weer neer. Daar was iets, doch wat, dat kon zij zoo niet weten. Of geen publiek, of dat de vergadering is mislukt. Blijkbaar wachtte hij op een vraag van haar.
„En?" zoo zei ze tenslotte. ,,'k Heb er genoeg van — brak hij los — niks dan groote volksverlakkerij om zélf op het paard te komen''!
„O zoo, heb je 't nu begrepen?"
„Of ik het begrepen heb. Sjoerd is een ezel, maar in zijn domheid heeft hij misschien nog meer goed gedaan dan die vreemde sinjeur met zijn groote woorden".
Daarop vertelde hij haar uitvoerig hoe 't gegaan was en sprak met bijzonderen lof over hetgeen dominé Randwijk gesproken had. En Syke zeide in stilte: „Goddank!"
In geen tijden waren zij het samen zóó eens geweest.
Hoofdstuk IX.
OP „UNIA-STATE".
,,Goeie morgen".
„Morgen Sjerp; goed bekomen van gisteravond?"
,,Neen; 'k heb een miserabele hoofdpijn, 'k Ben niet gewoon om uit te gaan en dan een geheelen avond in zoo'n rookhol te zitten".
„Ja, dat beteekende wel wat; je konden den rook wel snijden".
„'t Was anders wel leuk, niet?"
„Wat bedoel je?"
„Nou, die heele zaak. Die vergadering, en dat spreken en toen dat debat, en om vooral Sjoerd niet te vergeten. Och, wat heb ik gelachen! Wat kwam die van een rare reis thuis! Eerst dominé hem even lekker maken, zoodat hij geheel over-al werd, en toen die mijnheer hem daarover kapittelen, 'k Heb niks geen verstand van vergaderen, maar dat dit met den baas misliep, had 'k aanstonds begrepen, 't Was vermakelijk. Heb je wel gezien dat hij stiekum verdween, toen de vergadering was afgeloopen? Dut riep hem toe, dat hij nog even wachten moest, omdat zij nog iets te bespreken hadden, maar hij smeerde 'm, en ik geloof dat kleine Symen wel graag zijn voorbeeld gevolgd was, als hij met Stevens niet had moeten afrekenen".
„'t Kon wel; 't is ook een weinig anders geloopen dan die mannen zich hadden vóór gesteld".
Met deze woorden had den volgenden morgen de ontmoeting plaats tusschen Sjerp de Boer en Jetze Postma, toen zij samen in de vroegte naar „Unia-State" klompten voor het verrichten van hun gewone dagtaak. Beiden in de veertig, was het hun aan te zien dat zij gewoon waren te arbeiden onder 't branden van de zon, maar óók dat het werk hun geheele lichaam eischte. Sjerp, zooals hij daar in zijn blauwe kiel heensjokte, de handen op den rug, een kort stompje pijp in een der mondhoeken, de pet op een oor, waaronder de vlasblonde haren, die in den laatsten tijd met geen kapper kennis gemaakt hadden, sluik onder weg hingen, — liep vrij wat uit het lood, zou de timmerman wel zeggen, en Jetze, hoewel minder gebogen, en in kleeding en gelaat meer net als zijn kameraad, vertoonde toch ook reeds al de teekenen die zorg en inspanning op het lichaam indrukken. Beiden waren echte typen van stevige, stoere werkers, die door weer en wind gehard, zich niet spoedig van de wijs lieten brengen en als het paard voor den karnmolen en de wijzer op de torenklok, altijd gewoon waren binnen denzelfden cirkel zich te bewegen, schier nooit uit den pas, of 't moest al iets heel bizonders zijn, en ook nooit te laat, of het moest hen ontkomen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's