MEDITATIE
Door de genade Gods. *)
I.
Wie had gedacht, gemeente van Veenendaal, toen ik 20 November 1904 hier op dezen zelfden kansel als uw leeraar mijn intrede deed, dat ik 24 November 1929 hier nóg zou staan? Neen, dat had ik niet gedacht en dat hadt gij, voorzoover gij toen hier waart, ook niet gedacht. Maar daar was er Eén, die het wél had gedacht. Ja, daar was er Eén die het wist, daar was er Eén die het in Zijn raad had bepaald en die het in Zijn. bestel zóó heeft beschikt dat wij na een tijdperk van 25 jaren nóg niet van elkander gescheiden zijn. Die Eéne is Hij, die het in Zijn Woord gezegd heeft: ,,Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen en Mijne gedachten dan ulieder gedachten".
Een vrucht van de gedachten Gods! Ja, als zoodanig wensch ik den band te zien die daar nu: het kwart van een eeuw tusschen ons heeft bestaan. Of mag ik niet spreken van een band, van een band des geloofs, van een band der hoop en van een band der liefde die ons nu zoolang aan elkaar verbonden en met elkander vereenigd heeft?
En als ik spreek van een band, dan bedoel ik daar niet mee dat wij in die 25 jaar elkaar altoos even lief hebben gedaan. Immers wat gij te dien opzichte voor mij zijt geweest, daar spreek ik niet over, dat moet gij zelf maar beoordeelen, dat moet maar een zaak blijven tusschen u en uwen God. Maar wat mij betreft, dan wil ik wel bekennen dat ik lang niet altijd even lief heb gedaan en dat het wel eens harde waarheden waren die ik u in den naam des Heeren te verkondigen had. De band waarmee wij ons aan elkaar verbonden gevoelen was dan ook niet een band, die steeds heeft gedropen van honig en honigzeem. Of die band daar minder sterk om is? Ik zou het niet denken, gemeente. Integendeel, ik geloof dat de band die ons aan elkander bindt de band is van Gods Waarheid, de band van Gods eeuwige, de band van Gods onomstootelijke, onfeilbare en onverbreekbare Waarheid. Voor die Waarheid wenschtet gij als gemeente te buigen en voor die Waarheid wenschte ik als uw leeraar te buigen. En zoo is Gods Waarheid, die Waarheid die nu eens zoo zacht is als honig, maar dan ook weer zoo hard als een rots, de band geworden die ons zoo lang reeds met elkander vereent. En het is mij een eere dat ik na 25 jaren in uw midden nog een verkondiger van die Waarheid mag zijn. Ik ben er mij zelf in een ure als deze meer dan ooit van bewust dat dat verkondigen steeds in zwakheid en met veel gebrek is geschied. En als ik mij op een dag als deze ergens toe gedrongen gevoel, dan is 't niet om mij zelf te verheffen, maar wel om mij zelf te verootmoedigen voor Gods aangezicht, en om belijdenis van mijn overtredingen voor den Heere te doen.
„Mijn Rechter zal ik om genade bidden". Dat was de tekst waarmee ik 's weeks voor ik aan u werd verbonden, afscheid nam van mijn eerste gemeente. Dat zal niet de tekst zijn, maar in dat teeken zal wel de gedachtenisprediking staan waarmee ik, naar ik van harte begeer, van u nog geen afscheid neem.
De woorden van mijn tekst vindt gij beschreven in 1 Corinthe 15 vers 10a.
Paulus heeft zoowel in zijn redevoeringen als in zijn brieven niet veel over zichzelf gesproken. Meestal heeft hij in toepassing gebracht wat hij zelf ergens gezegd heeft: wij prediken niet ons zelf, maar Christus Jezus den Heere, en ons zelve — slechts in zoover — dat wij uwe dienaars zijn om Jezus' wil.
Toch deden zich in zijn ambtelijk leven omstandigheden voor dat hij ook over zichzelf niet zwijgen kon. Zoo was het ook in het hoofdstuk waaraan onze tekst is ontleend. Zooals gij weet is dat hoofdstuk het hoofdstuk der Opstanding. Paulus spreekt hier over het groote middelpunt van het Evangelie dat hij, ook aan de gemeente van Corinthe, verkondigd had. Dat middelpunt was Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Door dat evangelie kon de Corinthische gemeente alléén zalig worden, indien zij het behield op zoodanige wijze als hij het haar verkondigd had, d.w.z. als de eens gestorven maar nu levende Verlosser voor haar maar de grond, de eenige grond der hope was.
Nu waren er in die dagen reeds, door wien dat evangelie der Opstanding geloochend werd. Daar waren toen reeds menschen die de Kerke Gods trachtten te berooven van het vaste en eenige fundament. En als het daarop aankwam, dan was Paulus moedig als een jonge leeuw. Die zoendood en die Opstanding van Jezus waren voor hem het hart van het evangelie dat hij predikte, en hij aarzelde zelfs niet aan het eind van dezen brief een ieder die den Heere Jezus niet liefhad, die dus dat Evangelie der Opstanding niet aanvaardde, een vervloeking te noemen.
Ook in ons teksthoofdstuk heeft hij de Opstanding van Jezus gehandhaafd tegenover allen die haar loochenden. En hij deed dat met een beroep op allen die den verrezen Heiland hadden gezien. Hij herinnert hoe Cefas Hem had gezien, hoe de twaalven Hem hadden gezien, hoe de vijfhonderd broederen Hem hadden gezien, hoe Jacobus Hem had gezien. En ten laatste van allen — zegt hij — is Hij ook van mij als van een ontijdig geborene gezien.
En als hij dan zoo op zichzelf gekomen is, dan gaat hij daar even op door en dan zegt hij van zichzelf, dat hij de minste van de apostelen is, die niet waardig is, een apostel genaamd te vvorden, daarom dat hij de gemeente Gods had vervolgd. Doch — zoo laat hij er dan in één adem op volgen — door de genade Gods ben ik dat ik ben. — Nu stel ik op den voorgrond, gemeente, wat natuurlijk eigenlijk wel overbodig is te zeggen, dat hier geen Paulus staat; ook dat de tijd waarin Paulus leefde heel anders was dan de tijd, waarin wij leven en dat de omstandigheden van zijn leven dus ook heel anders waren dan die van mijn leven. Maar hoe ver, hoe eindeloos ver ik ook van dat uitverkoren vat afsta, in één ding wil ik toch vanavond naast hem gaan staan, en dat ééne is dat ik hem wil nazeggen wat hij in ons tekstvers heeft voorgezegd: „door de genade Gods ben ik dat ik ben".
Immers al ben ook ik niet gewoon in de prediking des Woords mijzelf te prediken, toch brengen de omstandigheden mee dat ik in een ure als deze over mijzelf niet geheel zwijgen kan. En als gij dan vanavond, na mijn 25-jarige ambtsbediening in uw midden, een zeker recht heb om van mij te vragen: wat zegt gij van uzelf, dan wensch ik die vraag te beantwoorden met 't woord des apostels: door de genade Gods ben ik dat ik ben. Ik wil u dus vanavond mijzelf laten zien in het licht van de genade Gods, waarvan ik in uw midden 25 jaar een voorwerp en een prediker was. En dan wil ik u die genade trachten te teekenen:
1. als een bewarende genade;
2. als een verlichtende genade;
3. als een vertroostende genade;
4. als een beklijvende genade.
Door de genade Gods ben ik dat ik ben. Wat was Paulus dan? zoo vraagt gij misschien. Paulus was een apostel van Jezus Christus, Paulus was een verkondiger van het evangelie van Gods eeuwige liefde, Paulus was een uitdeeler der menigerlei genade Gods, Paulus was een gezondene om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten.
En dat alles had Paulus zichzelf niet gemaakt; dat was hij niet door vrije wilskeuze geworden. Neen, als Paulus het zelf had moeten doen dan zou hij net het omgekeerde geweest zijn van wat hij nu was. Dan was hij een vervolger der gemeente gebleven, dan zou hij het werk Gods, waarvan hij nu een medearbeider was, zoo hard hij maar kon hebben trachten af te breken en te vernielen. Paulus was dus vóór alles een geroepene, niet door menschen, maar door God, door dien God, die hem op den weg naar Damascus ontmoet had en die daar tot hem gezegd had: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?
En die God die hem had geroepen en die hem in de bediening des Evangelies gesteld had, had Paulus ook bewaard tot op dit oogenblik toe. Gedurende de vele jaren die hij in de bediening des Evangelies reeds achter zich had, was Gods sparende goedheid over hem geweest. De Heere had gezorgd dat hij door de steenen zijner vijanden, waaronder hij één keer zelfs bedolven had gelegen, niet was gedood. De Heere had gezorgd dat de gevaren die hem gedreigd hadden, hem niet hadden getroffen, dat hij zelfs door de geeselingen die men hem toegediend had en door de gevangenissen, waarin men hem had geworpen, niet was ontmoedigd, maar dat hij altoos maar weer bij vernieuwing de bazuin aan den mond had gezet om te prediken dat er maar eén naam onder den hemel gegeven was tot zaligheid.
En dat hij dat nu nog altoos mag doen, dat hij nu nog altoos een verkondiger van de deugden en de wonderen des Heeren mag zijn, dat beschouwt Paulus als genade. Neen, dat had hij niet verdiend, maar dat alles had hij door zijn zonde, al was het alleen maar door zijn vervolgen van de gemeente, verbeurd, duizendwerf verbeurd. Maar grooter dan zijn zonde was Gods genade geweest. Neen, ook de zonde van Paulus had de genade Goüs met kunnen weerstaan. En zoo was het Gods onwederstandeiijke genade waardoor Paulus zonder eenige zelfverheffing van zich zelf kon getuigen: ik ben dat ik ben.
Door de genade Gods ben ik dat ik ben. Nu ja, zegt ge, dat was Paulus, maar wat zegt gij nu van uzelf dat gij zijt? En dan geloof ik dat het hier de plaats is om van mijzelf te zeggen dat ik wel niet een apostel, maar dat ik toch ook een dienaar van het Evangelie van Christus ben. O zeker, ik zou ook wat anders kunnen zeggen en ik denk dat sommigen uwer dat liever uit mijn mond vernemen zouden. Ik zou ook kunnen zeggen dat ik een zondaar, een in mij zelf verloren zondaar ben, en ik zou ook kunnen zeggen dat ik geloof de vergeving ook van mijn zonden „enkel om des Middelaars bloed".
Maar ik zeg dat nu niet, omdat het mij voorkomt dat de belijdenis onzer zonden en van onze persoonlijke gemeenschap met God een zaak niet voor den kansel, maar wél voor de binnenkamer is. En daarom als ik moet zeggen wat ik ben, dan volsta ik met te zeggen dat ik ben een Verbi Divini Minister, een bedienaar van het Goddelijk Woord, een verkondiger van het Evangelie van Christus. Als zoodanig ben ik ook thans in uw midden 25 jaar lang geweest een uitdeeler der menigerlei genade Gods; als zoodanig heb ook ik gedurende dien tijd in uw midden trachten te verbinden de gebrokenen van hart; als zoodanig is het ook mij te doen geweest om in uw midden uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, èn den dag der wraak onzes Gods; als zoodanig ging het er ook mij om om in uw midden alle treurigen te troosten.
En als ik dat zeg, gemeente, dan ben ik overtuigd dit niet door eigen wilskeuze gedaan te hebben. Integendeel als ik het zelf had moeten doen dan zou ik net het omgekeerde hebben gedaan. Dan zou ook ik getracht hebben het werk Gods af te breken in plaats van het te bouwen. Dan was ook ik een vervolger van Gods gemeente geweest; dan zou ook ik gestaan hebben aan de zijde van hen die ook in onze dagen Zion gram zijn en die al doen wat zij vermogen dat aan den naam „Israël" niet meer gedacht worde. Wat ik echter in de ure mijner bevestiging in uw midden beleden en beloofd heb dat is voor mij geen ijdele phrase geweest. Toen immers is mij gevraagd of ik in mijn hart gevoelde dat ik wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen was. En mede op die vraag heb ik toen het „ja ik, van ganscher harte" geantwoord. Van God zelven geroepen, van dien God op wien ik van den schoot mijner moeder af geworpen ben, van dien God op wien ik van 't huis mijns vaders af gewezen ben, van dien God die mij van mijn jeugd af geleerd heeft, van dien God die mij tot hiertoe geleid heeft, van dien God geroepen!
Ja, gemeente, dat heb ik gezegd toen ik voor 25 jaar in uw midden tot dienaar des Woords bevestigd ben en daar neem ik na deze 25 jaar nog geen woord, nog geen letter van terug. Ook al is het dan niet op dezelfde wijze waarop Paulus geroepen was, en ook al is het dan niet op dezelfde wijze waarop anderen zijn geroepen, maar „van God geroepen", geroepen tot den arbeid dien ik zoo lang in uw midden verrichten mocht, dat is de innige overtuiging van mijn hart en dat is de blijmoedige belijdenis van mijn lippen, waarmee ik op dezen gedenkdag voor u sta.
En diezelfde God die mij riep en die mij in de bediening des Evangelies gesteld heeft, heeft mij ook al die jaren in uw midden bewaard. En dan denk ik als van zelf aan hen die niet werden bewaard. Hoevelen van degenen die hier voor 25 jaar nog zaten zijn er niet meer. Wat een onafzienbare rij van dooden heb ik in al die jaren mee grafwaarts gedragen, en onder hen meerderen die ook voor mij nog steeds geliefde dooden zijn. Ja wat zijn er misschien maar weinigen in ons midden die ik nimmer in het klaaghuis heb ontmoet. Met hoevelen uwer heb ik aan het graf van vader of moeder, zoon of dochter, broeder of zuster gestaan? Wat heb ik in die 25 jaar een tranen zien vloeien en wat is mijn werk vaak een weenen met de weenenden geweest!
Maar boven allen die heengingen was Gods sparende en bewarende goedheid over mij en mijn huis. Aan onze zijde zijn er in al die jaren zeker meer dan duizend gevallen, maar „tot u zal het niet genaken", dat woord bleek tot hiertoe op ons, op mijn vrouw en mij van toepassing te zijn. En niet alleen dat de Heere ons niet wegnam door den dood en zelfs schier met geen enkele beteekenende krankheid onze tent naderde, maar ook in anderen zin ben ik het voorwerp van Gods bewarende goedheid geweest. Immers al was het niet in letterlijken zin, de steenen zijn ook mij in die 25 jaar wel eens naar het hoofd geworpen, maar God heeft mij bewaard dat ik er nooit onder bedolven ben. Ja, al was het niet in letterlijken zin, de geeselriemen had men wel eens voor mij klaar gelegd, en de gevangenisdeuren zou men wel eens voor mij hebben willen openen en de kreten zijn misschien ook wel eens vernomen: „weg uit de kerk met zulk een, het is niet betamelijk dat hij dominé is". Maar geloofd zij de Heere die mij ook in de handen mijner tegenstanders niet heeft overgegeven tot een roof. Immers het was Gods bewarende hand die mij verborg voor de hoogmoedigheden des mans. Het was de Heere die er voor zorgde dat ook in een overloop van groote lasteringen, deze mij nooit aangeraakt hebben.
En als ik nu na 25 jaar aan dat alles denk en als ik nu terugzie op den weg mijner ambtelijke bediening die daar in uw midden achter mij ligt en op Gods bewarende hand die in zoo menig opzicht onder en boven mij, voor en achter mij was, dan kan ook ik daar niet anders dan een vrucht van Gods genade in zien. Neen, als de Heere mij gedaan had naar zonde en schuld, naar de talloos vele overtredingen die mij niet slechts in mijn persoonlijk leven maar die mij ook in mijn ambtelijke bediening hebben aangekleefd, dan zou het zeker gansch anders zijn geweest.
Maar nu is het de genade Gods, waarvan de door mij ook in uw midden verkondigde Christus het middelpunt is, dat ik niet vernield ben geworden. Ja, door de genade Gods, door Gods bewarende genade ben ik dat ik ben. Daarop ziende mag het op een dag als deze mijn belijdenis wel wezen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. Ja daarop ziende mag het op een gedenkdag als deze ons aller loflied wel zijn:
Geloofd zij God die Zijn genade
Aan mij heeft groot gemaakt.
Die voor mijn welstand waakt.
Zijn oog slaat mij in liefde gade:
Hij wil mij heil bereiden
Mij in een vesting leiden.
(Slot volgt).
*) Gedachtenis-rede van ds. M. Jongebreur, uitgesproken in de Oude Kerk te Veenendaal op Zondagavond 24 November 1929.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's