STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Men moet maar durven.
Op het oogenblik, dat wij dit schrijven, bestaat in de Residentie een wethouderscrisis. Van de vijf wethouders, die met den burgemeester het dagelijksch bestuur van de gemeente vormen, hebben vier hun ontslag aangevraagd. Hetgeen wij thans zeggen willen, gaat buiten deze crisis om. Het trof ons echter, wat ,,De Schoolbode", het orgaan van de Afdeeling 's-Gravenhage van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers, in verband met de wethouderscrisis, schreef over de vervulling van de vacature van den wethouder van Onderwijs:
Onze Raad — zoo zegt het Weekblad o.m. — is in meerderheid, wat men in de politiek noemt: links, d. w. z. dat de grootste helft van onze raadsleden voorstanders van Openbaar Onderwijs zijn. Het zou een blamage voor deze meerderheid zijn, indien ze de allerbelangrijkste taak der gemeentelijke bemoeiing opdroeg aan een der personen van de rechtsche minderheid.
Men staat verbaasd van de hooghartige taal van deze openbare onderwijzers in „De Schoolbode". Het zou een blamage (laakbare daad), zijn, wanneer een rechtsche wethouder met de leiding van het gemeentelijk onderwijs werd belast. En zoo iets durft men zeggen in een gemeente, waar, zooals wij hierboven met de cijfers aantoonden, de meerderheid van de burgerij, d.i. 52,3 %, tegenstandster is van de Openbare School. Ondanks dus dat het Openbaar Onderwijs slechts door de minderheid van de Haagsche ingezetenen wordt begeerd, eischt men voor dit onderwijs toch nog de bevoorrechte positie op. Wanneer zullen de openbare onderwijzers eens gaan begrijpen dat zij een toontje lager hebben aan te slaan en dat zij meer bescheiden hebben op te treden?
De motie van ds. Zandt en ds. Kersten.
Reeds meermalen heeft men ons de vraag gesteld, waarom ten vorigen jare de bekende motie van ds. Zandt en ds. Kersten in de Tweede Kamer, betreffende het doen stilstaan van de openbare middelen van vervoer op Zondag, geen ondersteuning heeft gevonden bij andere leden der Protestantsch-Christelijke groepen der Kamer.
De reden daarvan kon destijds niet in de Kamer worden medegedeeld, omdat de gelegenheid daarvoor toen ontbrak.
Wij laten thans hieronder volgen, wat de heer Duymaer van Twist daarover ditmaal in de avondvergadering der Kamer van 25 November zeide:
In het vorige jaar hebben de heeren Kersten en Zandt een motie ingediend, luidende: »De Kamer, van oordeel, dat des Zondags de openbare middelen van vervoer behooren stil te staan, noodigt de Regeering uit maatregelen te treffen, daartoe dienende, en gaat over tot de orde van den dag«. Deze beide geachte afgevaardigden hebben zich er over beklaagd, dat deze motie met het woord „reclame" is bestempeld, maar ik vraag: is het dan geen reclame, wanneer de heeren Kersten en Zandt, die 7 en 3 jaren deel uitmaken van de Kamer, tegen het vervoer op Zondag geen zoodanig bezwaar gemaakt hebben, dat zij daarover een uitspraak van de Kamer noodig achtten, maar vlak vóór de verkiezingen met zoo'n motie kwamen? Dat ik die motie destijds niet ondersteund heb, vond alleen zijn oorzaak hierin, dat mij de zaak te ernstig was om haar als reclame te laten gebruiken.
Ik zou mij er over verheugen, wanneer alle vervoer op Zondag stilstond, doch dan niet alleen de openbare middelen van vervoer, maar alle middelen van vervoer, opdat een rustige Zondagsviering zou mogelijk zijn. Ging de Regeering er toe over om alleen maar de openbare middelen van vervoer op Zondag stop te zetten, zooals de beide geachte afgevaardigden dat wenschen, dan zou dit aan de Zondagsrust, vooral ten plattelande, groote schade toebrengen, want dan ging het vervoer niet meer langs de spoorwegen, maar langs de wegen, die door de steden en dorpen leiden, en dan zouden de bewoners verontrust worden door het gedaver van de auto's, die door die plaatsen heensnelden. Daarom was de motie van de beide geachte afgevaardigden niet afdoende. De Minister wijst in de Memorie van Antwoord den heeren Kersten en Zandt den weg, dien zij moeten inslaan om tot het stilleggen van het verkeer op Zondag te geraken.
Die weg ligt niet in het praten en redeneeren over het vraagstuk van de Zondagsrust, want met praten en redeneeren komt men geen stap verder. De weg, die moet worden ingeslagen, zoo zegt de Minister van Waterstaat tot de heeren, is het indienen van een wettelijke regeling. De heeren Kersten en Zandt hebben het recht van initiatief, laten zij daarvan gebruik maken. Dat is ook overeenkomstig art. 36 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, waarin staat, dat de wereld niet geregeerd wordt door praten en redeneeren, maar door wetten en door de politiën. De heeren Kersten en Zandt kennen dus nu den weg, dien zij hebben in te slaan om hun doel te bereiken. Met deze mededeeling meenen wij te kunnen volstaan.
De bevoorrechte positie.
Voor de voorstanders van de bijzondere school is het een verblijdend verschijnsel, dat de groei van het onderwijs, dat van haar uitgaat, nog steeds blijft aanhouden. Zoo nu en dan hebben wij van de cijfers, die over dit onderwerp werden gepubliceerd, ook in onze kolommen melding gemaakt. Opmerkelijk is het daarbij, dat deze cijfers vooral in de groote steden in sterk stijgende lijn gaan. Dit feit kan blijken uit de volgende vergelijking.
Aantal leerlingen van het lager onderwijs
Openbaar Bijzonder in % van het totaal
Amsterdam 1923 69, 2% 30, 8%
1927 64.3% 35.7%
Rotterdam 1923 64.4% 35.6%
1927 57.3% 42.7%
's-Gravenhage 1923 51.9% 48.1%
1927 48.7% 52.3%
Utrecht 1923 42.8% 57.2%
1927 40.5% 59.5%
Uit deze vergelijking valt op te merken, dat het aantal leerlingen van het openbaar onderwijs, ook in percenten van het totaal uitgedrukt, vermindert. Zelfs staat het in 's-Gravenhage en Utrecht zóó, dat het openbaar onderwijs in die gemeenten door het bijzonder onderwijs wordt overvleugeld. Bij die verhouding krijgt de vraag, of in de onderwijswetgeving de openbare school norm voor het onderwijs zal moeten blijven, zoo langzamerhand beteekenis.
Gelijk bekend is, werd bij de gelijkstelling tusschen het openbaar en bijzonder on derwijs in de wet vastgelegd, dat het bijzonder onderwijs voor wat de geldelijke uitkeeringen betreft, zich had te regelen naar wat voor het openbaar onderwijs was bepaald.
In alles wat het aantal onderwijzers betreft, zoomede wat voor exploitatie der scholen noodig is, gaat de openbare school in de Lager Onderwijswet 1920 voorop. Zulk eene regeling nu was nog te begrijpen, toen het openbaar onderwijs de meerderheid van het aantal schoolgaande kinderen in zijn lokaliteiten onderbracht.
Doch thans zijn de hekken verhangen. Het aantal leerlingen voor het bijzonder onderwijs is toch belangrijk grooter geworden dan het aantal leerlingen voor het openbaar onderwijs. Met recht kan dus de vraag gesteld worden, of de openbare school haar bevoorrechte positie moet behouden. Zooals wij de zaken bezien, bestaat daar voor geen reden meer.
Wanneer dan ook straks de Lager Onderwijswet wordt herzien, zal het een punt van overweging moeten uitmaken, of niet aan de bijzondere school de plaats zal moeten worden gegeven, die de openbare school thans in de Wet inneemt. Bij het verloopen van het getij, behooren de bakens te worden verzet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's