FEUILLETON.
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
— DOOR IDSARDl. —
79)
Zooals dat vanmorgen met Sjerp bijna 't geval was geweest, maar waarvoor hij dan ook den vorigen avond bijna twee uur later dan gewoonlijk naar bed is gegaan en toen nog den slaap niet vatten kon, omdat het hem zoo spookte in het hoofd en hij met zijn gedachten iederen keer in die gelagkamer van Stevens was — een plaats, waar hij anders nooit kwam — en dien meneer hoorde praten over dingen die hem ook wel eens zoo terloops door het hoofd waren gegaan, maar waarover hij nu juist nooit lang en ernstig had nagedacht.
Zijn gewone bedklok is anders negen uur, — ook nog wel eens een kwartiertje eerder, en als het later wordt, omdat de kinderen allen nog niet bij honk zijn, of omdat Minke — zoo heet zijn vrouw —, nog iets te beredderen heeft, dan is hij uit zijn humeur. Want 's morgens half vier begint voor hem de dag, en een mensch moet toch zijn nachtrust hebben, zegt hij. Minke heeft zoo'n haast niet. Die krijgt 's morgens een heerlijk kopje thee van hem op bed en blijft dan nog lekker een paar uurtjes liggen, maar daar is bij hem geen sprake van. Weer of géén weer, maar hij moet er uit en ook er dóór.
Bij Jetze en Froukje is het vrijwel gelijk met dit verschil, dat Jetze blijkbaar met minder slaap toe kan. Gewoonlijk is het bij de buren al lang stil en zijn zij daar reeds geruimen tijd in de zoete rust, als bij hen de lamp nog brandt.
Dat komt omdat de huishouding bij Jetze een geheel andere is dan bij Sjerp. Minke is een beste vrouw, die het graag kraak-zindelijk heeft, zoodat elk er wel in kan, maar zij is niet sterk. Dat komt omdat haar levensweg van der jeugd afaan een pad geweest is, dat allesbehalve met bloemen bestrooid was. Reeds vroeg van school gekomen, is zij als kind gaan dienen en na dien tijd nooit meer in het ouderlijke huis ais inwonende geweest. Altijd bij een ander, stond zij steeds voor het zwaarste werk van den morgen tot den avond in 't getouw. Tot zij met Sjerp kennis maakte en er niets tegen had het volgend voorjaar met hem te trouwen, in de hoop het daardoor meteen wat gemakkelijker te krijgen. Doch het was niet meegevallen, vooral niet in de eerste jaren van hun trouwen.
De lage loonen, die vooral in dien tijd nog gegeven werden, waren oorzaak dat zij al spoedig moest trachten iets bij te verdienen, temeer, waar er ook nog schulden te betalen waren, en toen daarna de kinderen kwamen en het gezin geregeld vermeerderde, werd het niet beter. Zooveel zij kon, ging zij er af en toe nog op uit, tot haar lichaam onder al die functies zijn dienst begon te weigeren en de dokter telkens moest komen om, zooals hij zei, het lekke schip wat op te kalefateren. In dien tijd kregen zij kennis aan tante Sien, en gelijk overal, was deze óók hier als een reddende engel. Telkens, als 't Minke te kras werd en zij wegens berstende hoofdpijn of een maagaandoening te bed moest, kwarn zij om in huis den boel op te redden, of een paar der kleintjes onder hare bescherming te nemen, of het stopwerk voor haar in orde te maken. Als Sjerp dan 's avonds van den boer kwam, had hij vaak nog wel de aardappels, die 's middags waren overgebleven, op te roosteren of de karnemelkpap warm te maken, maar de kamer was opgered en de koffie was klaar, zoodat het voor Sjerp niet al te ongezellig binnen kwam. Doch al deze omstandigheden waren oorzaak dat het bij Sjerp en Minke gewoonlijk schrabben om den kant was, en van vooruitgang in maatschappelijke positie geen sprake kon zijn.
Daar kwam bij, dat Sjerp zelf ook in het geheel geen idealen had. Hij was geboren op de kluiten, en naar het scheen ook vóór de kluiten, en om nu uit te leven hoog boven de kluiten, had hij niet geleerd. Gelijk zoovelen niet, die slechts leven voor hun aardsche bedrijf, zonder ook maar eenige belangstelling te toonen voor wat daar buiten valt, en allerminst wat een hooger leven betreft. 's Zondagsmorgens ging Sjerp naar de kerk. Als hij het dan in de week niet al te druk had gehad, zooals b.v. in den hooitijd, dan kon het gebeuren dat hij anderhalf uur lang de oogen open hield, om van de preek zooveel te onthouden als zijn verstand bevatten kon, maar 't gebeurde ook wel eens dat hij het voorbeeld van Freerk Zantema volgde, en reeds na 't eerste zingen onder zeil ging. Natuurlijk ontging dit dominé Randwijk niet. Eens had 't hem zooveel ergernis gegeven, dat hij plotseling ophield met preeken en de gemeente voor stelde met het oog op de slapers een psalm te zingen, maar toen hij merkte hoe vooral de jongeren zich daarover vermaakten, omdat zij wel begrepen aan wiens adres dit was, liet hij dit voortaan na. 't Was ook eenigszins verklaarbaar, dat menschen die altijd gewoon waren te werken en bijna nooit rust hadden, den vermoeiden geest niet waakzaam konden houden, wanneer zij in de stilte kwamen. Vooral wanneer de prediking boven het begrip ging. Vanaf dien tijd heeft dominé er zich op toegelegd om nog meer dan voorheen het Woord zóó te verkondigen, dat het als een levend water, frisch uit de Bron, de moede zielen verkwikken ging en zich aanpaste aan de behoeften van het volk.
Met Minke was het dito, dito. Een goede sloof, die geen mug kwaad deed; die nooit een verkeerd woord van een ander zou spreken; die ook niet onverschillig was voor wat den godsdienst betrof, maar bij wie toch ook nooit iets tot openbaring kwam, dat op geestelijk leven geleek. Zij stemde alles toe, en zooals de dominé het zei, was het, — immers dominé wist het, omdat hij daarvoor gestudeerd had en een heel geleerd man was, maar verder dacht Minke niet.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's