De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Kerstfeest

11 minuten leestijd

En men noemt Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God. Jesaja 9 vers 5(m).

Nog slechts enkele dagen scheiden ons van het Kerstfeest, waarop de groote menigte, die zich naar den naam van Christus noemt, zich weer opmaakt in den geest naar stal en kribbe van Bethlehem. Het is wel eigenaardig dat, waar Paschen, Hemelvaart en Pinksteren al meer en meer bij de massa op den achtergrond geraken, althans wat de overdenking der heilsfeiten betreft, van den Kerstdag altijd nog een bijzondere bekoring schijnt uit te gaan.
Toch is er reden te over om te vreezen, dat ook hier de diepte veelszins ontbreekt. Men vergaapt zich aan het uitwendige. Allerlei hulpmiddelen moeten er aan te pas komen om de zoogenaamd godsdienstige stemming te verhoogen, maar van de wezenlijke beteekenis van het groote heilsfeit wordt weinig beseft. Men vertelt en zingt van Jezus, maar Jezus als Zaligmaker van zondaren, als Brenger van heil aan verlo renen, als Verlosser van dood en van doem, als Overwinnaar van graf en hel, staat lang niet overal op den voorgrond, waar het Kerstfeest nog gevierd wordt. En dat is juist noodig. Kerstmis spreekt ons van Jezus, die kwam, naar 't profetisch woord: om te verbinden de gebrokenen van hart; om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; om alle treurigen te troosten; om den treuriger Zions te beschikken, dat hun gegeven worde: sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Waar de ziel werd geslingerd door den afgrond der verlorenheid, waar bevindelijk werd doorleefd dat eerste stuk van onzen Catechismus: „Hoe groot mijn zonde en ellende zij", waar men uit eigen ervaring leerde verstaan het lied van den psalmist:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen.
Zoodat mijn dood voorhanden scheen.
En alle hoop mij gansch ontviel.
Daar niemand zorgde voor mijn ziel;
waar de „banden des doods en angsten der hel", waarvan de dichter van Psalrn 116 spreekt, geestelijke werkelijkheid zijn geworden, daar klinkt als hemelsche muziek het woord van den engel tot Jozef: „en gij zult Zijnen naam heeten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden".
Dat volk, dat geen vreemdeling bleef in eigen hart; dat het oordeel Gods leerde kennen en billijken; dat erkent den dood verdiend en het leven verbeurd te hebben; dat mag verstaan, wat beleden en gevraagd wordt in Zondag 5 van den Heidelberger: „Aangezien wij dan, naar het rechtvaardig „oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf" verdiend hebben; is er eenig middel, waar „door wij deze straf ontgaan mogen en „weder tot genade komen?", dat volk springt op van blijdschap en stemt van ganscher harte in met wat Gods Kerk van den ouden dag belijdt: „Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijnen schouder en men noemt Zijnen naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst".
Wonderlijk.
De Bruidskerk zegt in het Hooglied van haar Bruidegom: „al wat aan Hem is, is „gansch begeerlijk". Maar zoo kan ook de Kerke Gods op het Kerstfeest van Jezus, haar Zaligmaker, belijden: „Al wat aan Hem is, is gansch wonderlijk". Wonderlijk was het, toen Hij in den eeuwigen vrederaad op Zich nam om volkomen te voldoen voor alle uitverkorenen en Hij sprak: „Zie, Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uwe wet is in het midden Mijns ingewands".
Wonderlijk, toen Hij, Die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, Zichzelven heeft vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en den menschen is gelijk geworden.
Wonderlijk Zijn ontvangenis van den Heiligen Geest naar het woord van den engel tot Maria: „De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen".
Alles aan Hem is wonderlijk. Het doel van Zijn komst: het redden van verlorenen, opdat het: „Eere zij God" uit schepselenmond oprijze van dit vervloekte aardrijk. Zijn komst zelve: Aan den eenen kant de diepste ellende in kribbe en stal, waar zelfs geen plaats in de herberg Hem gegund werd; aan den anderen kant de grootste hulde, Hem toegebracht door een engelenheir boven Ephrata's velden.
Wonderlijk Zijn leven: Hij, Die God uit God is en Licht uit Licht, moet klagen: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge".
Wonderlijk Zijn sterven: De Koning der koningen en Heere der heeren genageld aan het hout der scnande.
Wonderlijk Zijn opstanding en hemelvaart.
Ja, alles aan Hem is gansch wonderlijk. Maar weet ge wat nu het grootste is? Als we die wonderen aan eigen ziel en in eigen leven mogen ervaren.
Want een wonder is het, als Hij een zondaar, die meent rijk te zijn en verrijkt en geens dings gebrek te hebben, door Zijn Geest ontdekt, zoodat deze zich leert kennen als arm, ellendig, jammerlijk, naakt en blind. Een wonder, als Hij harde harten verbrijzelt en stramme knieën doet buigen, zoo dat de vraag oprijst: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?"
Och, lezer, wat zullen wij meer opsommen. Gelijk heel de Persoon van Jezus wonderlijk is, zoo is ook al Zijn doen wonderlijk.
Gelukkig de ziel, die die wonderdaden bevindelijk mag kennen. Dan wordt het pas Kerstfeest, dat is: Christus-feest. Dan zingt ge niet alleen van Zijn geboorte in Bethlehems stal, maar gij belijdt: geboren, ook in mij. Dan wordt dit u het grootste wonder: niet, dat Hij Zijn intrek heeft genomen in die kribbe, maar dat Hij is nedergedaald in uw hart.
Wij vragen u: Wil op dit Kerstfeest u zelf op dit punt nauw onderzoeken. Hoed u voor alle oppervlakkigheid. Wij lezen in Zacharia 3: „Hoor nu, Jozua, gij Hoogepriester, gij en uwe vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteeken". Ja, een wonderteeken zijn die vrienden van Jozua. Een wonderteeken zijn al Gods kinderen.
Lezer, zijt gij het ook? Een teeken van de wondere, souvereine genade van God den Vader, geopenbaard in de wondervolle zending des Zoons, waarvan de vrucht wordt toegepast door den Heiligen Geest? Dan verstaat ge den jubeltoon van de Kerk: En men noemt Zijn naam: Wonderlijk.
De tweede naam, die hier aan den Messias, Die komen zal, wordt gegeven, is: Raad. Het woord, hier in den oorspronkelijken tekst gebezigd, wordt in het boek Job door „raadsheer" en in de Kronieken door „raadgever" vertaald.
Wat is het een voorrecht, wanneer we in dit tijdelijke leven in moeilijke omstandigheden iemand hebben, die ons raad weet te geven. Op wien we vertrouwen kunnen en van wien we gelooven, dat hij 't goed met ons meent.
Maar ach, wat komen we in dit levert, ook met onze beste vrienden, vaak bedrogen uit.
Hier echter wordt ons Eén gepredikt, in Wien we nooit teleurgesteld worden. In tijdelijken, noch in geestelijken nood.
Toen alle weg was afgesneden door des menschen zonde en er geen uitkomst meermogelijk scheen, toen alles van rondom was toegemuurd, toen schiep Hij raad. Hij gaf Zichzelf en dat was de uitkomst.
Adam had voor zich en zijn nakomelingen den weg tot het Vaderharte Gods ten eenenmale toegesloten, maar Jezus Christus wist raad. Wat bij de menschen onmogelijk was, dat was mogelijk bij Hem. Hij Zelf werd: „de Deur". Hij kon naar waarheid van Zichzelf getuigen: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij".
Lezer, beseft ge den schat van genade, die er ligt opgesloten in dezen naam van den Middelaar: „Raad"? Gij beseft 't niet zoolang ge uzelf nog helpen kunt en raad weet. Gij verstaat het ook niet, zoolang gij meent dat er bij het schepsel nog uitkomst is. Maar als gij zelf ten einde raad zijt, als gij verstaat, wat de dichter zong: „Als mij geen hulp of uitkomst bleek", dan wordt het u als een blijde boodschap: Men noemt Zijnen naam: „Raad"!
O, mensch, verwacht het dan toch niet langer van de heuvelen of van de bergen. Bouw niet langer op het schepsel. Het stelt alles zoo bitter teleur. Maar in Bethlehems stal, bij de kribbe van het vleeschgeworden Woord, is raad voor een radeloos mensch. Als de zonde u kwelt en de satan u benauwt, als nood en dood u omringen en het voor u is: verloren, voor eeuwig verloren, als het toeschijnt alsof de noodkreet: „ik verga" uw laatste woord wezen zal, dan weet Jezus raad. Dan fluistert Hij tot uw ziel: „Komt tot Mij"; dan strekt Hij op de kokende baren de hand uit tot den zinkenden Petrus en maakt Hij het woord waar: ,,Ik zal raad geven; Mijn oog zal op u zijn".
Het verwondert ons niet, dat door den profeet Zacharia aan Sions dochter wordt toegeroepen zich te verheugen, en aan de dochteren Jeruzalems, zich te verblijden, wijl haar Koning komt, die Koning, die niet alleen genoemd wordt: „Wonderlijk", maar ook: „Raad".
En dan volgt nog een derde beteekenisvolle naam.
Sterke God. Spreekt de vorige naam ons van Zijn goddelijke wijsheid, deze stelt ons in het licht Zijn goddelijke mogendheid. Hij weet niet alleen in benarde omstandigheden raad te geven, maar Hij weet ook in nood en dood met Zijn macht te helpen en te redden.
Als de sterke God heeft Jezus zich geopenbaard tijdens Zijn omwandeling op aarde. Wanneer de storm op het Galileesche meer zich verheft en de woedende golven dreigen het scheepke der jongeren te verpletteren en het angstgeschrei Hem in de ooren klinkt: ,,Heere, wij vergaan", dan bestraft Hij den wind en de golven en daar wordt groote stilte. Als de menschen tot Hem gebracht worden, van allerlei ziekten en kwalen bevangen, dan weet Hij ze te genezen door het woord Zijner almacht, zoodat de dooven hooren, de blinden zien, de kreupelen wandelen, en de melaatschen gereinigd uitgaan. En in de rouwkamer van Jaïrus, in de straten van Naïn en bij het graf van Lazarus weet Hij zelfs aan den dood zijn prooi te ontrukken.
Als die sterke God heeft Zijn gemeente Hem noodig. Ach, hoe klein is haar kracht en hoe gering haar weerstandsvermogen. Hoe machtig zijn haar vijanden. Hoe moet zij telkens onderliggen in den strijd tegen satan, wereld en eigen vleesch. En zeker zou het voor haar een verloren zaak zijn, zoo niet die sterke God aan de spits trad. Maar Jezus, haar Almachtige Koning, Die reeds in den beginne als 't Eeuwige Woord Zijn mogendheid openbaarde in de schepping. Hij spreekt nog en het is er, Hij gebiedt en het staat er.
Lezer, gevoelt ge, dat ge Hem als dien sterken God noodig hebt. Arm hij, die aan Jezus genoeg heeft als voorbeeld, als den idealen mensch, als een der grootste leeraren. Zijn menschheid, maar ook Zijn Godheid is u van noode. Want de last des toorns van God moest gedragen worden. En wat menschenkrachi is daartoe in staat?
En daarom, heil u, o volk, voor wie die troon Gods geen onbekende zaak is. Uw Borg en Middelaar, uw Jezus en Heiland is niet alleen mensch, van gelijke beweging als gij, maar Hij is ook sterker dan alle schepselen, Hij is ook waarachtig God.
Die sterke God heeft zich in het vleesch willen openbaren, als een hulpeloos wicht, in Bethlehems stal. Dat is het diepe mysterie van den Kerstnacht. Wat in het paradijs was toegezegd, aan de Patriarchen beloofd, door de Profeten voorspeld, dat wordt in de kribbe vervuld.
Bij die kribbe is en wordt nog steeds bewaarheid het woord: ,,Armen heeft Hij met goederen vervuld, maar rijken heeft Hij ledig weggezonden".
Lezer, als ook gij in den geest u opmaakt om te gaan naar Bethlehem, zij dan uw gestalte als een arme van geest, als een verloren mensch, als een doemschuldige zondaar, want dan is er plaats voor Hem, Die kwam om het verlorene te zoeken en om zondaren zalig te maken. En als ge dan door genade Hem moogt omhelzen in het geloof, als het Kerstfeest in waarheid Christus-feest voor u mag zijn, wijl ge 't moogt belijden: ,,Gekomen, niet alleen voor anderen, maar ook voor mij", kniel dan neder en aanbid en stemme uw ziel in met den lofzang van de Kerk des Ouden Verbonds: En men noemt Zijnen naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God!
Barneveld.                                                          G. VAN MONTFRANS. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's