GEESTELIJKE OPBOUW
Het Duizendjarig Rijk. (3)
Niet alleen in den Perzischen godsdienst, ook bij de Mohammedanen kwam het geloof op, dat er een gouden tijd aanstaande was, waarin het geluk van boven zou worden geopenbaard aan de aardbewoners.
Waar menschen wonen, wonen Paradijskinderen; maar Paradijskinderen, die ellendig — buiten hun eigenlijk vaderland, hetwelk het paradijs was — rondzwalken. En immers hebben zij in de paradijsbelofte de aankondiging van een nieuw leven, van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, van den Heere meegekregen, toen zij hun zwerf tocht over de vervloekte aartie begonnen. Daarom moet het ons nooit verwonderen, dat 't menschengeslacht allerwegen en door alle tijden heen bezig is met toekomstplannen en vervuld is met toekomstgedachten. Dat is in het wezen van den mensch ingeweven.
't Zijn waarlijk niet alleen de oude Perzen en de oude Romeinen en de Mohammedanen, die droomden van een gouden toekomst-eeuw en spraken van een godenzoon of van een gave, die van boven aan de menschheid zou geschonken wonden; neen, dat alles is zéér menschelijk, omdat de mensch met eeuwigheidsgedachten en toekomstdroomen vol zit. Alleen maar, de zondige mensch leeft zoo gaarne bij de droombeelden van z'n verdwaasd hart en bij de fantasieën van zijn bedorven verstand. 't Trekt heel de menschenwereld door, om te denken en te spreken van een nieuwe bedeeling op aarde, van een nieuwe toekomst, van een paradijs hier beneden.
En hoe ging 't de vóór-laatste jaren niet prachtig in die richting! De volkeren naderden elkander hoe langer hoe meer op de markt, op het congres, op de tentoonstelling, in de conferenties, 't Was alles internationaal. En zoowel op wereldsch gebied als b.v. op de Zendingsconferenties, vroeg men niet naar taal noch naar gelaatskleur.
Men voelde zich als broeders één. We hoorden kort vóór het uitbreken van den wereldoorlog een Duitsch Christen vol enthousiasme spreken over zijn verblijf in Engeland, tijdens de internationale-conferentie der Jongelingsvereenigingen aldaar, en het was, alsof het vrederijk werd ingeluid.
't Ging zoo goed. En er werden zoete droomen gedroomd, droomen van vrede op aarde. 't Was immers niet te denken, dat de volkeren, die zooveel gemeenschappelijke belangen hadden en zooveel zelfde idealen, met elkander in oorlog zouden gaan. Aan een boos hart en een boos oog werd niet meer gedacht. En de vredes-afgod had een plaats gekregen in menig huis en onder menig volk. Daarbij werd ook de afgod der cultuur bewierookt. Want wat hadden beschaving en ontwikkeling den volkeren grootelijks weldadigheid bewezen. Van barbaarschheid en ruwheid kon nu geen sprake meer zijn.
Darwin, die den mensch van een aap laat afstammen, had gelijk gekregen. In den weg der evolutie had de mensch zich uit zijn dierlijk milieu, waar hij met tijgers en andere verscheurende wilde beesten was opgegroeid, aardig opgewerkt tot een prijzenswaardige hoogte van beschaving en ontwikkeling. En het Socialisme zette den strijd in om de achterlijken te verslaan en met het moderne proletariaat op te marcheeren, de gouden eeuw tegemoet. De ruwe kanten van de kapitalistische maatschappij moesten er nog afgeslagen worden, zoo noodig moest een en ander in bloed worden gesmoord en de ijzeren vuist van dwang moest het kwade neerslaan en het goede helpen en doen vorderen. Dan zou de wereldsmart verdwijnen en de wereldvreugd zou komen, 't Was nog wel zoo ver niet. Maar elk jaar was er één. En elke eerste Mei-dag was de paradijs-dag, de dag die een nieuwe maatschappij, een nieuwe wereld, een paradijs op aarde aankondigde.
En ziet, daar kwam nu die wreede, ruwe, bloedige oorlog in Europa. Duitschers, Franschen, Engelschen, Amerikanen bedenken alles wat slecht is, om elkaar schade toe te brengen, om elkander te doen stikken, om elkaar den hongerdood te doen sterven, om elkaar zoo ongelukkig mogelijk te maken — om steden en dorpen te verbranden, om vrouwen en kinderen te vermoorden, om overal te rooven en te plunderen en te vernielen. Heidenen, kleurlingen worden gebracht naar Europa, om in loopgraven te staan en te schieten met moordend lood, zij aan zij met christenen, die samen tegen christenen vechten — en zendelingen, zendelingsvrouwen en zendelingskinderen worden weggejaagd uit der heidenen land, waar zij werkten het werk van Gods Koninkrijk, om te zuchten in de donkere gevangenis en daar te sterven van honger en verdriet.
't Vrede-rijk was in 't verschiet! En de ellende kwam! Na 't sluiten van den wapenstilstand en het teekenen van het vredes-verdrag begon de nieuwe speculatie weer. Schopenhauer en Ed. von Hartman, de pessimisten, hebben geen gelijk. De wereld is niet onverbeterlijk. De moderne menschheid houdt haar idealen. De crisis van de ziekte is voorbij. Het vrederijk komt nu spoedig.
Zingen de Spiritisten — want zij zijn menschen van gewicht in onze verlichte 20ste eeuw — niet van hun nieuwen godsdienst, die alle kerken en priesters missen kan: „Gij brengt ons nader, altijd nader" „door U zal duisternis verdwijnen en 't heldere licht der liefde schijnen, in glans en luister, meer en meer." Om dan al zingend vol vertrouwen voort te jubelen: „Zijn liefdeleer, nog onbegrepen, verduisterd en miskend alom, zal eens voor droeven en voor lijden de Trooster zijn, en allen leiden, in liefde en vrede's heiligdom". (Spiritistische gezangen. 1ste bundel, blz. 131).
Estella Stead, de dochter van den bekenden vredes-apostel William Stead, is een „schrijfmedium" en heeft van de geesten van Engelsche soldaten, die in den oorlog gesneuveld zijn, een brief ontvangen op den gedenkdag van de Wapenstilstand (11 November 1918) waarin verzocht wordt, om het Spiritisme, 't kost wat 't kost, te verbreiden, om dan de vredesbeweging te bevorderen, opdat de geesten van de afgestorvenen rustiger en beter gemeenschap kunnen oefenen met de bewoners van deze aarde, opdat alom het geluksleven kome en er vrede zij op aarde!
Zoo zijn de gedachten aan een komend vrede-rijk niet uitgedoofd. Er is nog genoeg vertrouwen in den mensch en de menschheid, dat het Socialisme niet zou komen met allerlei toekomst-perspectieven.
En de zalige gedachte — zoo zingt Henriëtte Roland Holst— van der Schalk — is „te weten, dat de veilige haven wacht", waar „de vrede onze onvrede eens zal laven", „dat geeft tot doen ons en tot dragen kracht."
Neen, „de christelijken" weten er niets van, zegt ds. A. van der Heide, noch de Visser, noch Colijn, Kersten, Lingbeek of Nolens; 't Socialisme heeft een nieuwen wereldblik geopend; en in die richting, achter de roode vaan aan, ligt het geluksland.
Van een lichtende toekomst spreekt men, al het egoïsme zal zijn verwonnen en het menschdom zal zijn één lichtstralende broederschap, waar geen verdrukker de meester meer is en geen verdrukte knecht; waar geen gekroonde vorsten en geen slaafsche onderdanen meer zijn; waar vrije menschen naast elkander zullen wonen en de een lachend zal zien het geluk van den ander.
..... Zoo groeit eens op dit dor en ellendig verleden als de dag uit het duister, als 't koren uit kaf, een onkenbare wereld van liefelijk heden ......
En als het dan toch nog zoo donker is en zoo donker blijft, als de zwarte twijfel in menige ziel binnensluipt, als men angstig gaat wanhopen aan het komend paradijs, dat zoo lang nu reeds is voorspeld aan de proletariërs van alle landen, dan grijpt de socialistische dichter Adama van Scheltema weer naar de harp en dan zingt hij bij zachte muziek te midden van de duisternis van het heden tot troost aan de ongeduldige schare:
Wie zal in het blinde duister raden
Of wij niet reeds dat verre land betraden?
Valsche wissels geeft men uit op de toekomst.
Gelukkig, dat er óók nog iets anders te boodschappen valt.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's