KERKELIJKE RONDSCHOUW
Wachtend hopen.
Veertig eeuwen zijn er verloopen tusschen het woord des Heeren, in het paradijs gesproken, inhoudende de belofte van een Heiland en Zaligmaker, en des Heeren komst in de volheid des tijds. Toen is het Woord vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
Kerstfeest zegt ons: de Heere is gekomen, Hij laat niet varen, de werken Zijner handen. Wel wachten, maar die wachtend hopen worden niet beschaamd!
Veertig eeuwen wachten. Veertig eeuwen ook, dat de aarde gezegd heeft: wij hebben geen lust in U, wij begeeren U niet als Koning. Zelfs Israël, het volk, van den Heere verkoren, wederstond den God des verbonds en heeft zich dikwijls andere goden verkoren. Maar de Heere is getrouw gebleven, ook als Israël door Babel heen moet, als straf op de zonde.
Neen, het is niet door de menschen, dat Kerstfeest komt.
't Is óók niet door Israël, Gods bondsvolk, dat de Verlosser geboren wordt.
Maar dwars door de zonde der wereld en dwars door de zonde van Gods volk heen, komt de Heere in den van eeuwigheid gezalfden Koning; en de profeet roept Sion op om Hem vroolijk en blij te begroeten, om luide en hartelijk Hem toe te juichen. (Zacharia 9).
Kerstfeest, met alles wat er achter ligt: het paradijs, de zondvloed, Egypte, Babel 't roept ons toe, dat de mensch nooit anders doet dan het voor God verzondigen. 't Roept ons toe dat de Heere trouwe houdt in eeuwigheid en dat Hij het alles doet, om Zijns Zelfs wil.
Christus is er, van eeuwigheid gezalfd als Verlosser en Koning. En Christus komt, op Gods bevel, door Gods bestel, in Gods weg, op Gods tijd. Alles, alles genade! En alles tot groote blijdschap en vrede voor het volk dat zal zalig worden.
Zóó is ook de voortgang.
Want Kerstfeest is het einde niet. Christus komt verder dan in Bethlehem. Christus komt verder, dan verhoogd te zijn aan des Vaders rechterhand. Christus komt, om Zich een volk te vergaderen van alle taal en volk en natie; om Koning te zijn van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde. (Zach. 9 vers 9).
De aarde werkt dat tegen, ook nu. De Kerk zelfs werkt dat niet zelden tegen, ook nu. Telkens wordt weer die dubbele boosheid bedreven, God, den Springader des levenden waters te verlaten en zich bakken, gebrokene bakken uit te houwen, die geen water kunnen bevatten.
Om te wanhopen. Maar de boodschap is: wachtend hopen. De Koning komt! Want dwars door de zonde van de wereld, dwars door de zonde ook van Christus' Kerk, werkt de verhoogde Heiland verder, naar den raad des Heeren en naar Gods Woord, om Zijn Koninkrijk te doen komen, om Zijn volk te vergaderen, om toe te bereiden een nieuwen hemel en een nieuwe aarde.
Het Kerstfeest roept ons tot een nieuwen Advent.
Advent, wachtend hopen.
De Koning komt! Hij is gekomen. Hij komt en Hij zal komen!
Toeft Hij al, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk kome !
Dan past een christen ook geen wankelmoedigheid. Het geloof behoeft het niet te verliezen. Wachten, waken, bidden — ook werken. Wat naar Gods Woord is, faalt niet. Gods Kerk zal niet bezwijken. Gods zaak staat niet hopeloos.
Veertig eeuwen wachten — toen is Hij gekomen — Hij zal ook nu komen —-en straks — en in de toekomst. En Zijn komst zal in de toekomst wezen tot eeuwige heerlijkheid. Zalig het volk, dat het geklank kent!
Ergerlijk.
De ergerlijke practijken van een zeker deel der Gereformeerden in Delft, onder aanvoering en leiding van ds. Zandt, emeritus-predikant en lid van de Tweede Kamer (Kersten-partij) blijven voortgaan. Men heeft daar een z.g.n. Gereformeerde Evangelisatie en men preekt tijdens de officieele godsdienstoefeningen, die door den kerkeraad zijn vastgesteld en door de plaatselijke predikanten worden geleid, óf in de Waalsche Kerk óf in het Gebouw voor Christelijke belangen. En dat doet men niet alleen tegenover de ethischen, ook niet alleen tegenover de ethischen èn de confessioneelen, maar óók tegenover ds. Lammerink en ieder ander bedienaar des Goddelijken Woords, die niet naar de pijpen van ds. Zandt — en in tweede instantie van ds. Leenmans jr. — wil dansen.
Gepasseerden Zondagavond ging ds. Zandt weer voor in de Gereformeerde Evangelisatie, toen ds. Brandt in de kerk het Woord bediende. Er zijn helaas! menschen, die dat „geeformeerd" noemen.
Maar wij vinden het ergerlijk, omdat het zuiver en alleen gaat om de wondere nukken van ds. Zandt en sommige eigenaardige ,,gereformeerde" Delftsche menschen, die er pleizier in hebben altijd de dingen in de war te sturen en hun haan altijd willen laten koning kraaien.
Wij willen hier openlijk verklaren, dat deze dingen niets te maken hebben met onze gereformeerde beweging in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
Ook voor deze ergerlijke dingen zou het zoo goed zijn, wanneer we weer onze Kerkelijke Vergaderingen hadden, waar kerkelijk over deze dingen kon worden geproken.
Als we elkaar daar eens eerlijk in de ogen zagen, zou er wellicht een einde komen aan deze ongehoorde practijken, die nu welig tieren, nu ieder doet wat goed is in eigen oogen.
Laten we toch waken, dat we vooral niet „gereformeerd" gaan noemen, wat iets „bizonders" heet. Want er zijn heel wat menschen, die naar „bizondere" dingen staan, omdat ze stinkend hoogmoedig en onvergeeflijk haatdragend en schrikkelijk eigenwijs zijn.
Eigen roem en eer zijn soms dingen, waarvoor men veel over heeft.
Als we zoo schrijven nu — zijn we geheel in de lijn van onze Gereformeerde oud-Vaders. Dat willen we hier nog eens constateeren. Misschien dat die Gereformeerde Vaderen nog eenigen invloed hebben op sommige menschen.
Stinkende hoogmoed, schrikkelijke eigenzinnigheid, twistmakerjj, verdeeldheid zaaien, enz. hebben onze Gereformeerde Vaderen de gevaarlijkste en de vreeselijkste zonden van dominé's en voorgangers genoemd. En zij eischten de strengste kerkelijke straffen voor zulke menschen, die verwarring stichtten en de orde en de rust verstoorden en over hun ambtgenooten wilden heerschen.
We willen dat bewijzen.
Neem en lees de Artikelen van Wesel, 1568. Toen onze Gereformeerde Vaderen te Wesel de eerste Kerkorde opstelden, schreven zij daarin nadrukkelijk over deze zelfde dingen.
Hoofdstuk II, art. 2, stelt strafbaar „kuiperijen" van dominé's en „teugellooze en onbezonnen genegenheden van het volk";
Art. 3, de Classes zullen dienen, om goede orde te bewaren;
Art. 5, onderlinge partijstrijd veroordeeld wordt;
Art. 22, de uitlegging der H. Schrift zal eenvoudig geschieden; de prediker zal vermijden „alle hatelijke en stinkende hoogdravendheid, waarin velen niet zelden vervallen, doordat zij over vele dingen ijdele bespiegelingen houden, buiten het oogmerk, dat de Schrift voorstelt, omdwalen en een spel drijven met allerlei spitsvondige allegorieën — en allerlei gekunstelde dingen voordragen;
Art. 23, ,,Maar hij zal alles terugbrengen tot deze twee voornaamste stukken van het Evangelie, n.l. het geloof en dè bekeering";
Art. 24, hij zal er zich voor wachten de hoorders niet tot walging te verwekken; daarom zal hij zich beijveren, zijne rede tot den duur van één uur te beperken;
Hoofdstuk III, art. 14: Voorts zijn de misdaden die in de Dienaren des Woords geenszins te dulden zijn, „ scheuring, openlijke verachting der Kerkelijke orde; onbetamelijke kuiperij om zich in eens anders plaats in te dringen; het klaarblijkelijk jacht maken op heerschappij over de Kerk en zijne ambtgenooten, enz."
Art. 15, onderhevig zijn aan bestraffing en censuur allen, die heimelijk streven om te gebieden en heerschappij te oefenen over de Kerk of hunne ambtgenooten; die naar eerzucht staan en begeerte hebben naar ijdelen roem;
Art. 16, de vergadering van de Classis zal hierin tucht oefenen en desnoods uit het ambt zetten;
Art. 17 ter Classicale Vergadering geroepen, zal men broederlijk vermaand worden. Indien iemand, nadat hij twee of driemaal vermaand is, deze vermaning zal hebben veracht, zoo zal de zaak voor de vergadering der Classen of de vierschaar der Synode gebracht worden en daar zal besloten worden wat tot voordeel en nut der Kerk wezen zal. Enz.
Dat is de taal van onze Gereformeerde Vaderen, die zoo bizonder en gedurig de dominé's wilden waarschuwen om toch niet over hun ambtgenooten te willen heerschen en zich niet aan kuiperij schuldig te maken en zich niet over te geven aan onbezonnen genegenheden van het volk. Wij hopen, dat deze echte, oude Gereformeerde waarheid van onze echte, oude Gereformeerde Vaderen ter harte mag worden genomen! En ieder dominé, die gereformeerd is — en ook godsdienstonderwijzers mogen dit er harte nemen — kan hier zeker nog wat leeren! Gereformeerd is niet: altijd juist iets bizonders te hebben of te doen. Gereformeerd is: eenvoudig te spreken en te handelen naar Gods Woord, met het centrale punt Jezus Christus, en de twee hoofdzaken van het Evangelie: het geloof en de bekeering. (Hoofdstuk II, art. 23). Och, dat we het eenvoudige, het waarachtige, het heerlijke van de Gereformeerde Waarheid meer mochten terug ontvangen!
En dat we ons niet te buiten gaan aan de ziekelijke, nare dingen uit den vervaltijd van onze aloude Gereformeerde Kerk. Omdat men toen 't klassieke, het stevige, het zuivere, het echte der Gereformeerde Waarheid miste, moest men het aanvullen met allerlei narigheden ten believe van eigen hoogmoed en de onbezonnen genegenheden van het volk.
En daarover hooren we in den tegenwoordigen tijd helaas! ook weer klagen hier en daar. —
Laat ons toch waken en bidden en werken — tot opbouw van de Kerk onzer aderen!
Moderne tyrannie.
Behalve, dat de modernen in Boskoop en Zuidwolde (Dr.), waar kerkeraad en kies college orthodox zijn, aan de vrouwen het stemrecht onthouden — van hun standpunt een rechtskrenking — en zich daarmee blameeren, hebben zich nu weer twee dingen voorgedaan, waardoor de moderne tyrannie duidelijk aan 't licht treedt.
Dokkum is op aller lippen. Daar hebben de modernen de godsdienstoefeningen, die door de ringbroeders (rechtzinnig) geleid werden, gezet op 's morgens zeven uur, om zoo de rechtzinnige prediking, op in 't oog loopende wijze, tyranniek te belemmeren en schade toe te brengen.
De moderne kerkeraad van Dokkum haalde dien streek uit; het Classicaal Bestuur veroordeelde dat; het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland (secr. de moderne dr. Niemeyer, van Bolsward), keurde het goed, de Synodale Commissie veroordeelde het weer. Onbehoorlijk hebben de modernen te Dokkum zich tegenover de rechtzinnigen gedragen.
Het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur (ethisch), schrijft er dit van:
»Natuuriijk heeft de kerkeraad van Dokkum dat gedaan, omdat de ringpredikanten van een andere richting zijn. Voor zoo'n daad hebben we een goed Nederlandsch woord, dat we echter liever niet laten drukken. Maar 't ontstellendste is, dat er menschen zijn, die deze kerkeraadshandeling nog zoo gek niet vinden of haar zelfs verdedigen. Zelfs heeft het Prov. Kerkbestuur er zijn goedkeuring aan gehecht. Het is dus al zoover gekomen, dat daden, die ieder weldenkend mensch onzinnig moet vinden, en in strijd met alle begrip van fatsoen en betamelijkheid, op applaus kunnen rekenen? Den laatsten tijd was hier en daar een verheugend streven om ,,naar elkaar toe" te werken, maar dingen als te Dokkum gebeuren, wekken geen hooge gedachten van de mogelijkheid tot toenadering. Men werkt daar precies den verkeerden kant uit. De onverdraagzaamheid gaat daar wèl héél ver«.
Het Provinciaal Kerkbestuur — zegge de moderne dr. Niemeyer van Bolsward, de geslepenheid in persoon, — kan 't er mee doen!
Maar nu heeft het Provinciaal Kerkbestuur, dat nu in meerderheid modern is, (dr. Niemeyer is secretaris en de ziel van alles), nóg een staaltje gegeven van z'n brutaliteit en bewijs geleverd dat moderne tyrannie hem niet vreemd is.
Het betreft de kwestie te Nijehorne (Fr.) waar — zooals men zegt — de gemeente vrijzinnig is en de predikant rechtzinnig, en waar zich sinds jaren allerlei onaangename dingen tusschen den kerkeraad (vrijzinnig) en den predikant ds. Pijnacker Hordijk (rechtzinnig), hebben voorgedaan. De predikant had zich beklaagd over allerlei, wat door een paar kerkeraadsleden telkens ondernomen werd om den boel in de war te sturen.
En nu heeft het Provinciaal Kerkbestuur van Friesiland (dr. Niemeyer is secretaris en de motor van dat bestuur) dr. Pijnacker Hordijft (rechtzinnig), voor drie maanden geschorst met behoud van tractement, en de overige vrijzinnige kerkeraadsleden een berisping gegeven.
Kan het dwazer?
Op allerlei manier — zelfs met de grofste baldadigheid aan huis en tuin bedreven — heeft men den predikant nu sinds jaar en dag gegriefd. In de kerkeraadsvergaderingen heeft men nu sinds jaar en dag sabotage gepleegd. Bij de stembus is Jan Rap en z'n maat opgejaagd, om maar den schijn te geven dat „de gemeente" (waar zit die „gemeente"? ) modern is, om zoo de rechtzinnige prediking te schaden.
En nu komt het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland (dr. Niemeyer) de kroon op 't werk zetten, door den rechtzinnigen predikant te schorsen en de vrijzinnige kerkeraadsleden krijgen een berisping.
Herinnert men zich nog de wondere dingen bij het beroepingswerk te Ureterp (Classis Heerenveen)? Ook toen was 't het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland (dr. Niemeyer) die dat alles klaar maakte en goedkeurde. Dr. Niemeyer blameert zich op deze manier niet weinig; en de modernen laten zich leelijk in de kaart zien bij alles wat zij doen. Machtsmiddelen — en dan zelfs met verdraaiing van het recht en vertrappen van eer en fatsoen.
Wat is dat: Gods Woord!
In het Ontwerp tot reorganisatie van onze Hervormde Kerk, waarin wordt aangegeven hoe de Synodale Besturen Organisatie kan worden omgezet in een wijze van kerkelijk samenleven naar de beginselen onzer belijdenis, is ook sprake van „Gods Woord".
Nu heeft men gevraagd: Gods Woord wat bedoelt men daarmee?
Men heeft gezegd, dat „men" tegenwoordig heel anders over Gods Woord denkt dan b.v. in de 16e en 17e eeuw, in de dagen van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Heidelbergschen Catechismus, Dordtsche Synode, enz.
Laat ons er dit op mogen antwoorden. Dat wij in de 20e eeuw sommige, vele dingen anders kennen en zien dan in de 16e en 17e eeuw, is waar. Dat moeten we erkennen, 't Is ook heel natuurlijk. 't Is gelukkig zelfs.
Maar wat bedoelden onze Vaderen, als ze Gods Woord, als ze de Heilige Schrift, als ze den Bijbel als regel voor geloof en leven, als regel ook voor het kerkelijk leven stelden?
Dan bedoelden ze niet, dat wij in ons kerkelijk leven naar een of anderen tekst moesten handelen, zonder meer.
Wie zóó van Schriftgezag — sprak of spreekt — is er glad naast.
Met een tekst of met een geschiedenis kunnen we het slachten van Baals priesters in de 20e eeuw niet verdedigen. Met een tekst of met een geschiedenis kunnen we niet voorschrijven, dat een christen geen eed mag doen. Met een tekst of met een geschiedenis kunnen we het anti-militairisme of de leer van de weerloosheid niet bewijzen of proclameeren.
Wij moeten hebben den wezenlijken Bijbelinhoud. De wezenlijke Bijbelinhoud als het gesproken Woord van God. De wezenlijke Bijbelinhoud met de gegevens der bizondere Godsopenbaring — daarnaar heeft de Kerk van Christus te vragen en daarnaar heeft zij te leven.
Zooals Christus Zelf leefde bij de Schriften van Mozes en de Profeten ; zooals Hi] ook Zijn hoorders en volgelingen bond aan de Schriften van Mozes en de Profeten (denk aan 't geen Hij Abraham laat zeggen aan 't adres van den rijken man, toen deze in de hel was en voor zijn vijf broers op aarde een bizondere boodschap uit den hemel vroeg — toen zei de Heiland, door middel van Abraham: „ze hebben Mozes en de Profeten, dat ze die hooren!" Lukas 16 vers 23), zóó zijn wij ook gebonden aan al de Schrift, die wij nu hebben, als een licht, schijnend in een duistere plaats. (2 Petrus 1 vs. 19).
Wij hebben de Schriften; het profetische Woord, dat zéér vast is. (2 Petrus 1 vers 19).
En de Heiland wees de Sadduceën, met hun loochening van engelen en geesten en opstanding, op de Schriften. Aan die Schriften moesten zij hun dwaalleer toetsen, zei Hij. (Matth. 22 vers 29, 31). Zoo stopte Hij ze den mond (vers 34).
Nu willen wij dat niet een of andere partij of richting heerschappij voert in de Kerk, maar dat de Kerk van Christus zich voegt en leeft naar Gods Woord, naar de Schriften. „Hebt gij niet gelezen, wat van God tot u gesproken is", vroeg de Heiland. (Matth. 22 vers 31).
Dat zouden wij nu ook willen vragen telkens en telkens weer in de Kerk: hebt gij niet gelezen, wat van God tot u gesproken is? Hebt gij niet Mozes en de Profeten? Hebt gij niet al de Schrift Gods, schijnend als een licht in een duistere plaats? (2 Petrus 1 vers 19, enz.).
Niet een 's menschen woord, maar Gods Woord moet zeggenschap hebben in de Kerk. Het is geen menschelijke vereeniging, opgericht tot een bepaald doel, maar het is de Kerk des Heeren.
Doch, dan vraagt men: hoe moet dat dan?
Wel — zooals onze Vaderen ons dat reeds hebben voorgelegd in de Ned. Geloofsbelijdenis.
In Artikel 6 zeggen onze Gereformeerde Vaderen — in negatieven zin, bij het stuk van de Aprocriefe boeken — dat de Kanonieke boeken aan de Kerk zijn gegeven om „de stukken des geloofs of der Christelijke religie" daarmee te bevestigen. En in Art. 7, dat „de Heilige Schrift den wil Gods volkomen bevat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geeerd wordt".
Kan dat ons nu niet den wegwijzen?
Wij moeten Gods Woord, de Heilige Schrift, gebruiken in de Kerk om Gods wil te weten, om de stukken des geloofs en der Christelijke religie te kennen, om te weten wat wij schuldig zijn te gelooven om zalig te worden.
In de Heilige Schrlft is in den breede bechreven — staat in art. 7 — de dienst, welken God van ons eischt; hoe wij Hem dienen moeten; onze Christelijke religie dus; opdat die naar de Schriften zal woren ingericht.
Niemand heeft het recht — staat er in art. 7 — iets anders te leeren, ten opzichte van den dienst Gods, ten opzichte van onze Christelijke religie, ten opzichte van de stukken des geloofs, ten opzichte van hetgeen we noodig hebben tot onze zaligheid, van God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft.
De Heilige Schriften moeten ons ten gids ijn. En als er iemand kwam, die iets anders wilde leeren dan God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, dan moeten wij dien niet volgen, niet vertrouwen, maar tegenstaan, want het zou ons van Gods wil en van Gods openbaring afvoeren. Het zou ons afvoeren van hetgeen den mensch noodig is tot zijn zaligheid.
De weg der zaligheid is ons in de Heiige Schrift geopenbaard en daarvan mogen wij niets afdoen. Geen menschen-geschriften mogen wij gelijk stellen met de Goddelijke Schriften. Naar de waarheid van Gods Woord heben wij ons te voegen in ons gelooven en belijden, (artikel 8).
En de Heilige Schriften, in onzen Bijbel ons gegeven en bewaard, zijn voor ons tot gids — „om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen" (art. 5).
En wij nemen dat Woord aan en gelooven dat Woord, omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn" (art. 5).
Zoo moet — niet deze of die tekst, deze of die geschiedenis —maar de profetische en apostolische leer het fundament der Kerk zijn. (Efeze 2 vers 20).
Die leer was er éér dan de Kerk er was. Zonder die leer zou de Kerk er nooit geweest zijn. Daarom mag de Kerk deze leer, die naar de Schriften is, ook nooit verwerpen noch verwaarloozen.
En de Heilige Geest geeft van de waarheid dezer dingen getuigenis. Het gezag der Schrift hangt niet af van het goedvinden van menschen.
De Schrift heeft gezag in zichzelf. Zij dient zich zelf aan. En de H. Geest geeft in onze harten getuigenis, dat het waarheid is, dat het de waarheid is, die de H. Schrift brengt; de waarheid, die tot zaligheid is geopenbaard. Niet de aardrijkskundige waarheid, niet de natuurkundige waarheid — daarvoor is de H. Schrift ons niet gegeven — maar de waarheid tot zaligheid; de stukken des geloofs en der Christelijke religie (art. 5). Van die waarheid, die tot de godzaligheid is, overtuigt de H. Geest onze harten. Dat kunnen de menschen niet doen, dat kan de Kerk niet doen, dat moet de H. Geest doen.
En zóó wil God dat Zijn Woord van onzen mond niet zal wijken (Jes. 59 vers 21), opdat we Hem zullen kennen als onzen Heiland (Jes. 43 vers 11) en zullen verstaan, dat er geen andere Verlosser is dan de Heere.
Door den H. Geest valt iedere geloovige dan ook Gods Woord bij. „En al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn" (Jesaja 54 vers 13).
Ook bij de klacht: „Wie heeft onze prediking geloofd? " (Jes. 53 vers 1), blijft de taak van de Kerk om zich naar Gods Woord te voegen, „in de stukken des geloofs en der Christelijke religie" (art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis) en zijn wij allen gehouden ,,ons geloof naar dat Woord te reguleeren" (art. 5), om den dienst des Heeren naar dat Woord in te richten (art. 7) en het Evangelie naar de Schriften te prediken en van alle Evangelie, dat met Gods Woord in strijd is, te getuigen dat het niet uit God is en den vloek en geenszins den zegen in zichzelve draagt (art. 7).
Gods Woord. Het levende Woord Gods. Gods geopenbaarde Waarheid. De Goddelijke Waarheid die tot de godzaligheid is, waarvan het middelpunt is Jezus Christus en die gekruisigd.
Is het niet beter, dat de Kerk zich voegt naar Gods Woord, dan dat zij leeft bij de door menschen uitgedachte leeringen, hoe schoon ze ook mogen schijnen?
Wij meenen, dat dat Gereformeerd is, naar luid ook van onze kerkelijke belijdenisschriften. Dat het aan de Kerk een hooge taak oplegt, hoog en moeilijk, om naar Gods Woord te leven en naar Gods Woord te wandelen, dat stemmen we toe.
Maar is 't hoog en moeilijk — 't is toch het veiligst en 't heerlijkst.
De stukken van ons geloof en van onze Christelijke religie moeten naar GodsWoord zijn (art. 6 Ned. Geloofsbelijdenis).
Wijken wij in deze van Gods geopenbaarde Waarheid af, dan vervallen we tot des menschen „wijsheid". En nog altijd geldt — hoe hard 't ook is — wat Jeremia zegt: „De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?"
Geen menschen morgen over ons heerschen. De Heere zal over ons heerschen, door Zijn Woord en Geest!
Daarom zet ook de leeraar, die dienaar Gods en dienaar der Kerk is, op z'n naamkaartje: V.D.M. Verbi Divini Minister. Bedienaar des Goddelijken Woords.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's