DE REDE VAN DR. SEVERIJN
dr. Severijn sprak in de Tweede Kamer een belangrijk woord over de geestelijke verzorging van de weermacht. Doordat maar 10 minuten beschikbaar werd gesteld, moest ons Kamerlid zich zeer bekorten.
De rede van dr. Severijn.
Zooals wij de vorige week schreven, sprak dr. Severijn in de Tweede Kamer een belangrijk woord over de geestelijke verzorging van de weermacht. Doordat maar 10 minuten beschikbaar werd gesteld, moest ons Kamerlid zich zeer bekorten.Wat hij zeide, moge hier een plaats vinden. Dr. Severijn liet zich als volgt uit :
Ik zou gaarne een enkele opmerking aan Zijn Excellentie den Minister van Defensie willen maken en zal mij daarbij niet begeven op het gebied van de in deze materie fundamenteele vraag : welke is de verantwoordelijkheid van de Overheid ten aanzien van de geestelijke ontwikkeling van een volk. De historie bewijst, dat geen Overheid aan dit vraag stuk in de practijk ontkomt, afgescheiden van de richting, die zij ten aanzien van de geestelijke ontwikkeling van her volk wenscht te gaan. Omdat de tijd, welken ik mag gebruiken, zeer Kort is, zal ik dit vraagstuk niet aanroeren en mijn genoegen er over uitspreken, dat de geestelijke verzprging der weermacht de belangstelling der Regeering heeft en dat zij blijkens de instelling en instand-. houding van het instituut der geestelijke verzorging, deze ook in vredestijd te bevorderen tot haar plicht rekent. In de Memorie van Antwoord, blz. 33, doet Zijn Excellentie de Minister van Defensie toch als zijn oordeel kennen, dat het instituut in vredestijd in een dringende behoefte voorziet.
Gaarne erken ik, dat het instituut zijn verdiensten heeft en dat de omstandigheden, waaronder het werd geboren, en de kerkelijke toestanden in ons land hun invloed op den vorm van deze organisatie tot geestelijke verzorging hebben uitgeoefend ; en ik wil aannemen, dat, gelet op de genoemde omstandigheden, het huidige instituut door sommigen het voortreffelijkste wordt geacht, dat men heeft kunnen maken.
Dit alles kan echter het bezwaar niet wegnemen. Mijnheer de Voorzitter, dat, uit principieel kerkrechtelijk oogpunt beschouwd, het instituut aankleeft en als het juist is, dat men bedoeld heeft het instituut tot een schakel te maken om een organisatie van de kerkelijke verzorging der geestelijke belangen te bemiddelen en voor te bereiden, dan gaat mijn bezwaar ten deele ook daartegen, dat zulk een organisatie nog zeer onvolledig bleef.
Wel bestaan er, blijkens de Memorie van Antwoord, artt. 70 en 71, betrekkingen tusschen de Kerken, het instituut en de Regeering.
Het kan toch niet worden tegengesproken, dat de geestelijke verzorging van de mannen, die onder de wapenen zijn, tot de taak der Kerken behoort, en dat de Overheid, indien zij die taak zelf . ter hand neemt, in de rechten en de roeping der Kerken treedt.
Anderzijds zie ik niet voorbij, dat de Overheid voor de vervulling van die taak in de weermacht, wijl dit een Overheidsorgaan is, het hare heeft te doen om het voor de Kerken mogelijk te maken, dat zij haar plicht vervullen. Daarom waardeer ik het ook, dat de Regeering aan deze aangelegenheid haar belangstelling geeft.
Voor de beoordeeling "van 't werk der Regeering is dan ook de vraag van beteekenis of de Kerken zich genoegzaam diligent betoonen om haar roeping te verstaan, doch hoe deze vraag ook moet 'beantwoord worden, ik twijfel er niet aan, of de Regeering zal met de rechten der Kerken rekening willen houden.
Tot mijn spijt moet ik echter uitspreken, dat dit bij de huidige wijze van doen niet, althans te weinig geschiedt, zooals dit kan blijken uit de instructiën voor de geestelijke verzorging van de weermacht (Koninklijk besluit van 9 Juni no. 77, Legerorder 1921, no. 331). Wie van de bovenbedoelde instructies kennis neemt, zal ontdekken, dat deze een mengeling van beginselen vertoónen, en wel zoo, dat tweeërlei verhouding van Overheid en Kerk in deze instructiën tot uiting komt. Een andere conceptie ligt ten grondslag aan de instructiën ten aanzien van de legerpredikanten en een andere aan die van de aalmoezeniers. Men zie art. I van de Instructie van den Hoofdaalmoezenier :
»De hoofdaalmoezenier wordt door den aartsbisschop van Utrecht aan de Regeering voorgedragen. Behoudens, zijn verhouding tot zijn kerkelijke; overheid, staat hij rechtstreeks onder ( den Minister van Oorlog en Marine (Defensie).«
Voor den legerpredikant in algemeenen dienst geldt : dat hij voorzitter is van den raad van leger-en vlootpredikanten. Hij mag geen ambtelijke bediening hebben bij een plaatselijke kerkelijke gemeente of besturend lid van eenige militaire vereeniging of bond zijn ; hij zal zich geheel aan zijn taak als leger-en vlootpredikant wijden. (Zie art. I Instructie).
Evenzoo worden de hulpaalmoezeniers door den hoofdaalmoezenier op aanwijzing van de 'bisschoppen aan de Regeering voorgedragen en bij mobilisatie bij Koninklijk besluit benoemd (zie art. I c van de betreffende instructie), terwijl de leger-en vlootpredikanten onder dezelfde bepaling ten aanzien van kerkelijke ambten en vereenigingsbesturen staan als de legerpredikant in algemeenen dienst.
Uit een en ander blijkt derhalve, dal voor de aalmoezeniers inderdaad de verhouding van Overheid en Kerk is geregeld op een wijze, die niet alleen het kerkelijk ambt erkent en eerbiedigt, maar ook de geestelijke autoriteit naast die van de 'Overheid in aanmerking neemt. De kerkelijke autoriteit heeft toch het recht van voordracht voor benoeming en de aalmoezeniers zijn verantwoordelijk aan de Ministers van Defensie, behoudens hun verhouding tot hun kerkelijke overheid.
Met recht mocht ik dus veronderstellen, dat de Regeering met de rechten der Kerken wil rekenen, hoewel ik heb aangetoond, dat dit ten aanzien van den Protestantschen tak der geestelijke verzorging niet is geschied.
Deze geestelijke verzorging behoort eveneens aan kerkelijke ambtsdragers te zijn toebetrouwd, die ook voor hun geestelijken arbeid onder kerkelijke jurisdictie behooren te staan. Bij de legerpredikanten is zulks thans niet het geval. Juist het tegendeel eischt de instructie, n.l. dat zij geen kerkelijk ambt vervullen en dus geheel en al Staatsambtenaren zijn.
Uitgaande van de door mij verdedigde beginselen, ben ik de meening toegedaan dat de opkomst onder de wapenen voor onze miliciens niet zoodanige moeilijkheden in den weg legt, of de kerkelijke organisaties zouden door pigen correspondentie in den vredestijd in de geestelijke verzorging harer leden kunnen voorzien, hoewel ook dan de tusschenkomst van een instituut der geestelijke verzorging goede diensten kan verrichten.
'Het behoeft echter daartoe slechts een schakel te zijn tusschen het Departement en de militaire autoriteiten eenerzijds, en de Kerken anderzijds.
Met het oog op den oorlogstoestand, , waarin de weermacht kan worden betrokken, zal echter de noodige voorbereiding reeds in vredestijd noodzakelijk zijn, opdat een goede organisatie der geestelijke verzorging in tijden van oorlog kan werken.
Daarin ligt ook, onverminderd de zelfstandige roeping en verantwoordelijkheid der Overheid, een afdoend motief voor de. bemoeienis der Overheid in deze zaak, wijl toch de Overheid oorzaak geeft, dat de Kerken, aan zich zelf overgelaten, in zulke omstandigheden haar arbeid niet zullen kunnen verrichten. Ook uit dien hoofde onderschrijf ik gaarne" des Ministers oordeel, dat een instituut voor geestelijke verzorging ook in vredestijd in een dringende 'behoefte voorziet.
Mijnheer de Voorzitter ! Het is niet mijn bedoeling om een nadere regeling dezer materie in de discussie te mengen, doch ik zou Zijn 'Excellentie den Minister van Defensie gaarne willen verzoeken zijn belangstelling te willen geven; aan hetgeen ik in het midden bracht omtrent de rechten der Kerken en te willen overwegen, om de Kerken te verzoeken haar medewerking te willen geven om tot een zoodanige organisatie te kunnen komen, als met haar rechten en roeping overeenkomt, zoodat het daarheen worde geleid dat de geestelijke verzorging door ambtsdragers der Kerken plaats vindt.
Dit kloeke en principieele woord, waaraan wij niets zullen toevoegen, werd in 't nachtelijk uur door de toen nog aanwezige-Kamerleden met aandacht beluisterd.
Ook de Minister van Defensie had het, blijkens zijn antwoord aan dr. Severijn, met groote belangstelling aangehoord.
De Minister zeide :
Ik sta op het standpunt, dat het instituut der leger-en vlootpredikanten en
aalmoezeniers moet beantwoorden aan de eischen, welke aan een dergelijk instituut gesteld moeten worden door de Kerkgenootschappen. Indien nu blijkt, dat tegen de werkwijze van liet instituut bezwaren rijzen, dan acht ik het mijn taak, die bezwaren te onderzoeken en mij daarbij van de noodige voorlichting te verzekeren. Ik hoop, dat het onderzoek — dat ik aan de hand van de heden gehouden besprekingen, die ik in de Handelingen nog gedrukt voor mij zal krijgen —, hetwelk ik mij zal bevlijtigen om in te stellen, zal leiden tot het ondervangen van alle bezwaren, welke te berde gebracht zijn.
Met dit antwoord van den Minister van Defensie kan dr. Severijn tevreden zijn. Het vraagstuk komt dus in den komenden tijd in studie. Hopen wij, dat de Minister den weg vinde, om, gelijk dr. Severijn, en met hem alle Gereformeerden het wenschen, de geestelijke verzorging van de weermacht in kerkelijke banen te leiden.
Komt het daartoe, dan heeft ons Kamerlid wil van zijn werk en zal ook de weermacht daarvan het profijt hebben.
Dr. Severijn deed een kostelijk werk door het instituut der geestelijke verzorging principieel aan de orde te stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's