MEDITATIE
ZIELEMUZIEK
„Alles wat adem heeft, love den Heere, Halleluja !" Psalm 150 vers 6.
Als een kleed zal 't al verouden ; Niets kan hier zijn Stand behouden. Wat uit stof is, neemt een end, Door den tijd, die alles schendt".
Dat woord, geliefden, is ook in vervulling gegaan aan het oude orgel, dat thans uit uw midden is weggenomen.
Als een kleed was 't veroud. 't Kon hier zijn stand niet behouden.
En nu, „men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer".
Een nieuw, schoon instrument zal in het vervolg het werk van het oude orgel overnemen. O, ik kan mij indenken, dat bij menigeen uwer de gedachten zich vermenigvuldigen, als ge er aan denkt hoe dat oude orgel op uw vader en moeder, grootvader en grootmoeder, en nog meerdere geslachten terug, heeft neergezien, als zij zich hier in dit bedehuis neerzetten en onder begeleiding van dat orgel hun klaagzangen aanhieven, die moesten getuigen van nooden des lichaams of zielenooden. En hun boetezangen, die spreken moesten van hun zonde en schuld en de rechtvaardigheid des Heeren. En hunne jubelzangen, waarin uiting moest worden gegeven aan de blijdschap des harten, vanwege tijdelijke of eeuwige uitreddingen, van den Heere ondervonden.
En nu, „men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer".
Ik kan mij indenken, hoe bij menigeen uwer de gedachten zich innerlijk vermenigvuldigen, als ge denkt hoe ge zelf op den rustdag onder begeleiding van dat oude orgel psalmen hebt mogen mede zingen, al zweeg misschien uw mond, maar uw hart ze mocht mede zingen, als de Heilige Geest zelf de harp uws harten kwam te tokkelen, naar de gesteldheid uws gemoeds, 't zij een klaagzang of een boetezang of een jubelzang.|
En nu, „men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer".
De tijd, die alles schendt, maakte een ander instrument noodig. En dank zij de mildheid van een uwer ingezetenen, die met een vorstelijke gift voorop gingen zijn wenschen en begeeren in daden omzette, door liefde tot zijne gemeente gedrongen, werd de stoot gegeven tot aanschaffing van een nieuw instrument. En boven verwachting vloeiden de gelden samen ; de Heere neigde de harten. Het werd gezien, dat er ook in deze gemeente nog liefde was tot het huis des Heeren. Zoo werd het kerkbestuur in staat gesteld dit schoone instrument te doen bouwen en plaatsen. Waarvoor alleen den Heere de eer en dankzegging toekomt.
En nu zegt de dichter : „Alles wat adem heeft, love den Heere".
Als ge uw oor te luisteren legt in de natuur, dan verneemt ge daar velerlei stemmen, die spreken ter eere des Heeren. Van Hem, die zich het uitspansel uitbreidde tot een tentgordijn. Die de stormwinden uit Zijn schatkameren te voorschijn roept. Die daar in den winter den rijm strooit als asch en Zijn ijs als stukken daarhenen werpt. De hemelen immers vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
Zooeven is uw nieuw orgel in gebruik genomen. En als dan de hand van den bekwamen organist grijpt naar de registers en glijdt over de toetsen en de eene toon met den andere in schoonheid harmonieert en zijn geluid het bedehuis vervult, dan spreekt dit alles van de machtige hand van den bouwmeester.
Maar hoeveel meer, hoeveel grooter, hoeveel oneindiger bezingt dat reuzeninstrument, de schepping Gods, de macht en majesteit van den grooten hemelschen Bouwmeester, den Heere Zelf !
„Hoe Godd'lijk en hoe schoon Luidt deze hemeltoon. Daar is geen spraak of oord. Dat zelfs tot 's werelds end. Der heem'len stem niet hoort"
En dan op het gebied der herschepping. Wat een macht en majesteit in dat „doen rijzen van dat vaste gebouw Zijner gunstbewijzen, naar Zijn van eeuwigheid gemaakt bestek". Wat een macht en majesteit in het toebrengen van dien onwilligen, hardnekkigen, hoogmoedigen zondaar !
En dan zal toch zeker het menschenkind ook loven des Heeren macht ? Dan zal het toch groot maken Zijn majesteit? En dan zal toch die mensch alles wat hij van dien God ontvangt, als een lofoffer ontsteken op het reukaltaar en in dit alles den Heere loven ?
Neen, geliefden. Hij heft zich niet eens op uit den afgrond zijner verdorvenheid. Hij buigt zich , niet neer van die hoogte, waarop eigen hoogmoed hem plaatste. Erger nog, hij steekt God naar de kroon, in plaats van alles voor Hem neer te leggen. En in de lofliederen der wereld klinken dan ook de wanklanken van ongeloof en spotternij, ja van oproer : „Wie is de Heere, dat wij Hem zouden gehoorzamen" ?
„Alles wat adem heeft, love den Heere". Ja', alles wat adem heeft. Maar daar hebt ge het nu : er is geen adem ; er is geen leven ; 't is er de dood.
Zooeven is uw nieuw instrument in gebruik genomen. En als dan de hand van den bekwamen organist laat hooren wat schoonheid van klanken daar binnen liggen opgesloten, dan weet ge niet, wiens wijsheid gij het meest zult bewonderen, die van den bouwer of van den musicus.
Maar sla dan eens uw oog op de schepping, waarin de Heere Zijne wonderen wrocht. En allerwegen is het : „Gij hebt ze allen met wijsheid gemaakt".
Waar de maan kent hare gezette tijden en de zon en de sterren. En winter en zomer, en dag en nacht, en zaaiïng en oogst en regen en droogte.
En dan op het gebied der herschepping. Wat een wijsheid in het uitdenken van dat eeuwige verlossingsplan. Wat een wijsheid in het toebrengen van dien dwazen, verblinden zondaar ! „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods". En waar dan de morgensterren tezamen vroolijk zongen, toen die alwijze Bouwmeester het heelal vastzette, daar zal toch zeker het menschenkind loven Gods wijsheid ? Och neen. Want oog en oor, en hand en voet, en mond en hart, ja, de gansche mensch is er op uit juist Hem te onteeren en Zijn naam te schande te maken. „Alles wat adem heeft, love den Heere". Ja, alles wat adem heeft. Maar er is geen adem ; er is geen leven ; 't is er de dood.
Zooeven is uw nieuw orgel in gebruik genomen. En, nog eens, als dan de bekwame organist der gemeente doet hooren wat schoone muziek daarin besloten ligt, dan spreekt dat alles niet alleen van macht en wijsheid, maar ook van liefde.
Hoe zou het instrument hier nu staan en zijn geluid laten hooren, indien liefde tot den dienst des Heeren hem, die er den stoot toe gaf, niet had gedrongen en indien die liefde niet allen, die er toe bijdroegen, gedrongen had en 't kerkbestuur zoo in staat werd gesteld dit orgel aan te schaffen. Hoe zou het hier staan, als niet liefde tot zijn vak den bouwer in staat hadden gesteld dit instrument te construëerén ? Hoe zou het. zijn heerlijke tonen kunnen laten hooren, indien niet liefde tot de kunst den bespeler dreven om het liefelijk geluid er aan te ontlokken ?
Maar sla dan eens het oog op hetgeen de Heere werkt in het werk der schepping ! Spreekt dat niet van bedoelingen en leidingen der hoogste liefde ? Spreekt dat niet van Zijne trouw en goedheid ? Valt er één muschje ter aarde buiten Zijn wil ? Bekleedt Hij niet de leliën des velds met een schoonheid, met een heerlijkheid, welke die van Salomo verre te boven gaat ? Verzorgt Hij niet de jonge raven als zij tot Hem roepen om spijze ? Roept het niet alles den mensch tegen : Barmhartig en genadig is de Heere ?
En dan nog die oneindige liefde, zich openbarend in het werk der herschepping. Die eeuwige liefde, waarmede Hij Zijn volk heeft liefgehad ! Die liefde in het zenden van Zijn eenigen Zoon, Jezus Christus ! Die liefde in het ontdekken en trekken van den zondaar ! Die liefde in de voortgaande genade, bewezen aan Zijn kinderen !
Dan zal toch zeker het menschenkind ook wel loven die oneindige liefde des Heeren ?Och neen, ook hier niet anders dan wanklanken. Alles wordt met voeten getreden, de tanden worden geknerst. Hatende God en hatende den naaste.
„Alles wat adem heeft, love den Heere". Ja-, alles wat adem heeft.
Maar er is geen adem, er is geen leven, 't Is de dood.
Zooeven is uw nieuw, schoon instrument in gebruik genomen. Gij weet, zal het spreken, zal het zingen, zal het loven en jubelen, dan moet er eerst wat gebeuren. En als dat niet gebeurt, dan is het een dood instrument. Gemaakt van doode stof, hout, ijzer en koper en lood. Maar het moet worden aangeblazen. Eerst als dat gebeurd is, is het instrument tot spreken bekwaamd. En als dan de registers worden geopend en de hand van den vaardigen organist glijdt over de toetsen heen, neen, dan is het geen dood instrument meer, dan leeft het, hetzij in „mineur" (zooals de musicus dat noemt) klaaglijk uiting gevend aan droefheid en weemoed, hetzij in „majeur" een loflied aanheffend als uiting van vreugde en blijdschap, hetzij in .schrille dissonanten een beeld gevend van innerlijken strijd, hetzij in schoone harmonie iets naar voren brengend van rust en vrede.
Maar altijd : eerst moet de wind worden toegevoerd ; eerst moet het worden aangeblazen. En mocht gij dan, geliefden, in dit nieuw, schoon en machtig instrument, dat in het vervolg uw zingen zal begeleiden, mocht ge er uw beeld in zien.
Geen adem. om den Heere te loven, zooals toch moest. Geen adem om te loven Zijn mac'ht en majesteit en wijsheid en liefde, zooals het toch moest. Doode instrumenten, meer niet. En als het er al eens toe komt om zoogenaamd dien lof te bezingen, o 't klinkt zoo valsch ; de eene toon.'Vloekt er met den andere. Alles disharmonie, dood, zondig, vleesch. En dan is een orgel, zooals gij daar nu moogt bezitten, al zou er nooit één toon uit gehoord worden, 't zou nog een sieraad voor 't oog zijn en met welgevallen zoudt ge er op staren. Maar dat instrument, dat mensch heet ? Een zondig, hatelijk, walgelijk schepsel, versierd met 'het beeld des duivels ! Hoe zou het zingen ; hoe zou het loven ; hoe zou het prijzen ?
Alleen, dan alleen, als bij uw Orgel, als de wind wordt toegevoerd, de wind des Heiligen-Geestes. Dan alleen als ge aangeblazen moogt worden door den Heiligen Geest.
En nu komt de Heere en spreekt : „Dit volk heb Ik mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen".
Zooals uw nieuw instrument, dat spreken zal in verschillende toonaarden, geformeerd is uit hout en metaal, zooals de pottenbakker den klomp leem neemt, ruw en ongeformeerd, maar dien kneedt en drukt en bewerkt en er een vat van maakt, zoo maakt ook de Heere zich een volk uit doode stof. Wonder van genade uit steenen Abraham kinderen !
Als ge daar als zondaar, ellendig en verkeerd, komen moogt onder de hand Gods en de Heere gaat spreken : Ik heb uwen ongeformeerden klomp aangezien, en gij daar in Gods handen komt als leem in de hand des pottenbakkers en Hij u gaat bewerken, formeeren. Als de Heilige Geest u aan uzelf bekend komt te maken, u, die uzelf niet kende en een vreemdeling waart in eigen hart ; en ge het moet belijden het nooit, neen, nooit geweten te hebben dat het zoo in en indroevig met u gesteld was, dan is dat reeds het begin van-den adem-het begin des levens, het begin van spreken. Zooals ge misschien wel eens gezien hebt dat een groot orgel, als 't ware reeds trilt en zucht, zonder dat nog één enkele toon gehoord wordt, trilt en zucht tot in zijn voegen toe, a}s het wordt aangeblazen door het krachtig mechaniek dat de wind toevoert. Het zoekt een uitweg, maar vindt dien niet. Het wacht alleen op de hand van den kunstenaar om zijn tonen te doen hooren.
Zoo ook de ziel bij die eerste aanblazing des Heiligen Geestes. 't Is niet anders dan trillen en zuchten. Geschokt tot in hare gebinten toe. Het zoekt een uitweg, maar vindt dien niet. „Ik ben besloten en kan niet uitkomen".
„Ik werd benauwd, omringd van droefenissen". Benauwd tot stervens toe. Benauwd vanwege die zonden. Bedroefd, met een droefheid naar God. 't Wacht maar alleen op dien hemelschen Kunstenaar en Bouwmeester, die God is. 't Wacht alleen maar op doorwerking der genade. Als 't harte zoo ontledigd is aan zichzelve en toch tot berstens toe vol, om uit te breken in die bange klacht : |
„Heer', ik voel mijn krachten wijken, En bezwijken ; Haast U tot mijn hulp, en red. Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in nooden, Groote Hoorder van 't gebed".
Daar gaat dat instrument, dat tóch dood was, dat stom was, 't gaat spreken, 't Is wel in „mineur". Wel klagen. Maar juist dat klagen, dat zuchten is een bewijs dat er leven is, leven der ziel.
Maar de wind des Geestes blijft aanzetten, blijft aanwaaien, blijft toestroomen met onwederstandelijke kracht, en de zielemuziek zwelt aan. Register na register wordt door de almachtige hand open getrokken. Een verwarde mengeling van tonen geeft uiting aan dien innerlijken strijd, dié daar binnen in het hart gevoerd wordt, 't Is nu eens hopen, dan weer vreezen. Nu eens de Heere, dan weer satan. Nu eens op de hoogte, dan weer in de diepte. Het is :
, , Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den Heer Dan wachters op den morgen, Den morgen, ach, wanneer ? "
Maar de ziele-muziek wordt reeds „forte". Waar 't eerst nog maar was „kirren als een duive en piepen als een zwaluw". En als het dan maar in waarheid mag komen, door Gods genade, tot de toe-eigenende daad. Als 't maar mag worden ervaren dat Christus komt bekleeden met het kleed der gerechtigheid en aandoen den mantel des heils. Als die banden des doods maar verbroken mogen worden en die angsten der hel weggenomen, doordat de ziei het weten mag dat die zonden, rood als scharlaken, zijn geworden als witte wol, en in mag staren in dat wonder van genade, zulk een zondaar bewezen. Genade geschied, verlost, tot ruimte gebracht. Daar wordt het :
Komt, luistert toe, gij Godsgezinden, Gij, die den Heer' van harte vreest, Hoort wat mij God deed ondervinden ; Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest".
Daar worden met machtige hand de registers opengetrokken van harp en bazuin, van fluit en luit, van cimbel en cimbaal. Het wordt "fortissimo". Het geheele spel zingt mee. Met geheel het hart, met geheel de ziel. Al het oude is nu voorbijgegaan, 't Is alles nieuw geworden, en 't wordt :
„Ik zal, nu ik mag ademhalen, .Na zooveel bangen tegenspoed Al mijn geloften U betalen ; U, die in nood mij hebt behoed".
Nu is er adem. En alles wat adem heeft, love den Heere. Nu is er adem. En daarom : „'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht. Zingen daar ik Hem verwacht".
Nu is er adem en daarom een loven, een loven in den Heere, in Zijne genade, Zijne goedertierenheid, Zijn onuitsprekelijke genade bewezen in het trekken en ontdekken, in het troosten en bemoedigen, in de ziel geopenbaard in den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, Jezus Christus.
En waar gij, begenadigde ziel, hier wel weer eens een toontje lager gaat zingen, ja er nauwelijks één toon gehoord wordt en het schijnt alsof ge een dood instrument zijt geworden, en als de ziele-muziek weer eens gehoord wordt, het nu eens is „in mineur", dan weer „in majeur", nu eens „dulce", dan weer „forte" of "fortissimo", daar, zal, 't hierboven eeuwig „fortissimo" wezen, waar tot in der eeuwen eeuwigheid bezongen zal worden, de lengte, de breedte en de diepte der oneindige liefde Gods en van het Lam dat geslacht is.
Want hierboven ademt alles, 't ademt er alles van leven, vol van den wind des Heiligen Geestes. Het zoekt een uitweg en vindt een uitweg, en daarom alles wat adem heeft, looft daar den Heere in den hemelzang :
„Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de aanbidding en de dankzegging."
Dat ge dan, geliefden, hier in dit bedehuis maar veel moogt zingen, onder begeleiding van uw nieuw orgel. Mocht het zijn, zingen met uwe ziel. Dat ge de eerste tonen van het hemellied reeds hier moogt leeren stamelen, op de school des Heiligen Geestes. hoe zoudt ge anders hierboven mede kunnen aanheffen ? Dat het niet bij u zijn mag als bij sommige orgels die hebben zooals men dat noemt een „zwijgend front". Dat wil zeggen men ziet wel pijpen, soms zelfs van metaal, soms ook maar op hout geschilderd of op doek of papier. Maar die spreken niet. Ze kunnen niet spreken. Ze zijn niet verbonden met het mechaniek dat wind toevoert. Ze zijn niet in verbinding met de hand van den speler.
Dat het door Gods genade zoo bij u niet zijn mag. Maar moge het zijn of worden een „sprekend front". Al staat er dan maar een enkel register open, al wordt er slechts een enkele toon gehoord. Als het maar zijn mag er iets van verstaan voor eigen ziel : weenen als de Heere klaagliederen voorzingt. O, dan zal ook op 's Heeren tijd, gij kleinen, gij amechtigen, gij zoekenden en zuchtenden, dan zal het ook op 's Heeren tijd worden, als daar voor uwe arme ziel liefelijk gespeeld wordt op de fluit des Evangelies, dat uwe ziel zal dansen, huppelen van zielevreugde, huppelen voor des Heeren oog.
En dan, alles wat adem heeft (gij volk van God, dat toch ademen mag), love den Heere, Halleluja !
„Looft Hem om Zijn mogendheden. Looft Hem naar zoo menig blijk. Van Zijn heerlijk Koninkrijk, Voor Zijm troon en hier beneden".
Gameren.
S. GOVERTS.
*) Rede, uitgesproken door ds. S. Goverts te Gameren, op uitnoodiging van het Kerkbestuur te Oldebroek, bij gelegenheid van de ingebruikneming van een nieuw kerkorgel aldaar. Woorden van meer persoonlijken aard, tot de gemeente, als haren oud-leeraar gesproken, zijn hier uit den aard der zaak weggelaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's