MEDITATIE
Valsch en waar discipelschap.
Van toen af gingen velen zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. Jezus dan zeide tot de twaalven : wilt gijlieden ook niet weggaan ? Simon Petrus dan antwoordde : Heere, tot wien zullen wi| heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Joh. 6 vers 66—68.
Achteloosheid is op elk levensgebied scherp te veroordeelen. Zij is de bron van verwaarloozing en ellende, roept gevaren op van elken omvang en geeft het toebetrouwde pand prijs.
Achteloos maakt machteloos. Maar nergens veroorzaakt dit ernstig euvel grooter scha dan op de erve der geestelijke dingen. Achteloosheid in het geestelijke leidt — als God het niet verhoedt — tot den eeuwigen ondergang. Zij is oorzaak, dat de hoogste belangen verwaarloosd, de ernstigste waarschuwingen in den wind geslagen en de grootste gevaren veronachtzaamd worden.
Van dit kwaad der geestelijke achteloosheid moeten wij verlost worden, opdat wij tot de goede keuze mogen komen.
Allerwegen dringt ons Gods heilig Woord dat wij die geestelijke kluisters zullen afwerpen, van dit bed der zorgeloosheid zullen opstaan, opdat waarachtige waakzaamheid dit euvel der geestelijke veronachtzaming zal vervangen.
Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de dooden! het dreunt als een bazuinstoot ons allerwegen in de ooren : bekeert u, want waarom zoudt gij sterven ? En 't geen ik u zeg, dat zeg ik allen : waakt ! Want zalig is die dienstknecht, dien zijn Heere, als Hij komt, wakende vinden zal. En als het tot ons doordringt wat ontzettend gevaar deze geestelijke veronachtzaming mee brengt, dan klimt de noodkreet uit de ziel : Heere, help mi| ! Och, dat Uw Geest mij ware wijsheid leer', mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren.
Wij moeten weten, wat wij; willen en wien wij toebehooren zullen. En als wij ons voegen bij de Kerk, Gods Woord gaan hooren en Gods volk in eere houden, het moet ons duidelijk worden wat dit alles ons waard is. Of zich hierin slechts de kracht onzer opvoeding doet gelden, dan wel of 't hart er in meespreekt ; of wij, gesteld! voor de vraag: „kunt ge er evengoed buiten", uitbreken in de erkenning : Heere, Gij zijt mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed !
In den weg der beproeving slaat de ware keus 'haar wortelen dieper uit in 't hart. Daarom roept de Heere ons tot ernstig en nauwgezet zelfonderzoek. Menigmaal handelt Hij , met ons als Naomi met haar dochter Ruth, die haar moeder aanhing in haar verlatenheid. 'Keer op keer kwam Naomi haar dochter tegen ; met tal van bedenkingen zocht zij — naar het scheen — Ruth aan 't wankelen te brengen en tot terugkeer te bewegen.
Maar van tweeën één : de storm ontwortelt den boom, of maakt hem meer wortelvast. Dezelfde beproeving brengt den een tot afval, den ander tot meerdere beslistheid en standvastigheid. En terwijl alles wat wortelen mist, verstuift als , kaf voor den wind, als de beproeving komt, zullen Gods ware kinderen door de verdrukking Ingaan in het Koninkrijk.
Met dit doel heeft Jezus Zijn jongeren de ontdekkende vraag voorgelegd, die wij in bovenstaande Schriftwoorden beluisteren : wilt gijlieden ook niet weggaan ?
Van afval en aanhankelijkheid verhaalt ons dit Schriftgedeelte ; de eerste ligt geteekend in vers 66 : Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug en wandelden niet meer met Hem. Zij gingen terug, waren tevoren dus bij Hem geweest ; zij wandelden niet meer met Hem, eerst waren ze Hem dus gevolgd ; in grooten getale ; met blakenden ijver ; met een vertoon van aanvankelijke beslistheid!. Hun werk lieten: zij staan ; hun gezin lieten zij achter ; hun vrienden spoorden zij aan : Kom, ga met ons, en doe als wij, !
En die het zagen, verbaasden zich over den opgang, dien Jezus maakte. En de Schriftgeleerden ergerden zich: straks voert Hij heel 't volk achter zich aan. Het leek een komen, zien en overwinnen ! Gansche scharen verdrongen zich. Welk een aanhankelijkheid ; zie toch, welk een ijver !
Maar het was de ijver en de liefde van Orpa, die hartstochtelijk weende ; ge kondt haar in heur tranen wasschen! En kussen deed zij Naomi, vurig en teer ; maar straks keerde zij naar Moab weer.
Zoo kwam ook hier een kentering, een keer ; eerst verdrongen zij zich om den Heiland, dan aarzelen zij verder te gaan, en eindelijk keeren zij op hun schreden weer : Van toe af gingen velen Zijner discpelen terug.
Ze waren Zijne discipelen geweest. Zij hadden het voor Hem opgenomen ; ze hadden voor Hem gekozen ; daar was een zeker gevoel van gebondenheid aan Hem. Zij blaakten van ijver.van geestdrift. Neen, zulk een machtig Leeraar, zulk een groot Profeet hadden ze nimmer nog gehoord of gezien ! 't Staat er: ze waren zijn discipelen geweest. Maar toen kwam de afval, de kentering, de teruggang. Waardoor? Wat was er gebeurd'? Wat had Hij gezegd ? Waardoor was dit veroorzaakt ? Van toen af, staat er ; daar moet dus iets gebeurd zijn waardoor de bedriegelijke aard van dezen aanhang openbaar was geworden. De Heere Jezus had de voosheid van hun discipelschap doorzien en het hun onomwonden gezegd : gij volgt Mij, omdat gij van de brooden gegeten hebt en verzadigd zijt geworden. De waarheid is bovenal ! En zonder aarzeling doet Jezus afstand van den valschen opgang. Hij weet het: in dezen geestdriftigen aanhang ontbreekt de wortel der zaak ; de wortel van waarachtige geestelijke overgave en keus. Vleesch en bloed zullen het Koninkrijk der hemelen niet beërven. Ja, discipelen hadden zij; zich genoemd, maar om waarlijk een discipel van Christus te worden is een daad Gods noodig. Daartoe zal niet voldoende zijn dat wij door een uitwendige belangstelling worden aangegrepen en. voortgedreven. Daartoe is noodig, dat Gods hand u van binnen aangrijpt en omzet en vernieuwt en toebrengt. Niemand kan tot Mij komen, of de Vader moet hem trekken. Het vleesch onderwerpt zich der Wet Gods niet en kan het ook niet. Zijn bedenken is vijandschap tegen God. Het vleesch volgt alleen maar als de Heere de tastbare brooden vermenigvuldigt. Dat doet u volgen ; gij hebt van die brooden gegeten en gij denkt: dit is de Messias I Hij geeft ons brood. Hij is machtig. Maar doel van Mijn komst is niet het brood dat vergaat, maar de spijs, die blijft-
En naar die spijze hongert dan eerst het menschenhiart, als God het aangeraakt heeft met de hand van Zijne vernieuwende genade. Ten opzichte van die geestelijke spijs is bij ons de achteloosheid. De natuurlijke mensch verstaat niet dé dingen van Gods Geest.
En toen de vele discipelen, . die slechts mee geloopen waren om tastbare redenen, toen 'zij begrepen dat Jezus aanhangen een harte-zaak moest zijn, en toen zij zichi hierdoor geoordeeld wisten, wijl het bij hen geen harte-zaak was, alleen maar oppervlakkige belangstelling in een aardsch Messiasschap, toen hadden zij genoeg ; toen was, het uit; toen brak de band, en schouderophalend mopperden zij : deze re de is hard, wie (kan haar hooren ? De eisch van 's Heeren Koninkrijk was hun te zwaar. Slechts geestelijke menschen kunnen Zijn onderdanen zijn. Slechts zulke menschen, in wie de behoefte roept om den levenden God : God des levens, ach, wanneer ? Slechts zulke menschen, die zielewonden te genezen en zielenooden te vervullen en ziele-tranen te drogen hebben.
Toen zagen de velen, dat zij zich vergist hadden ; dat zij bij Jezus niet vonden wat zij zochten. En wat Hij werkelijk gaf, wat Hij wel gaf, dat was hun waardeloos. Daar hadden zij , geen behoefte aan. Daar konden zij wel buiten. Era daar kan elk mensch wel buiten, tenzij dat de Vader hem trekke; tenzij Gods Geest hem wederbare en vernieuwe en van binnen begeerig make naar het heil des Heeren. Dan ontstaan er nooden, waar van men te voren niets zag en waartegen de wereld niets vermag ; waartegen al 't uiterlijk goed niet meer beteekent dan de zwijnendraf waarmee de verloren zoon zijn honger zocht te stillen. Dan wordt het ware discipelschap geboren in den nood der verlatenheid en met de smeekbede : Och, Heer, och wierd mijn ziel door U gered ! zinkt een zondaar neder aan de voeten des Heeren.
Tusschen valsch en waar discipelschap gaapt een diepe kloof. Uiterlijk moge er al een vaak bedriegelijk wèlgelijkende overeenkomst zijn, in de diepte gaapt de kloof. En dat maant tot ernst ! Tot biddend, nauwgezet zelfonderzoek.
Is het ons waarlijk om Christus begonnen ? Volgen wij Hem om de spijze der ziel ? Of strekt onze begeerte zich niet verder uit dan de gezichtseinder der vergankelijke dingen ? De gelijkenis tusschen den schijn en het wezen kan bedriegelijk zijn. De gedaante der godzaligheid kan misleidend'-schoon zijn. Dikwerf is de verschijning zeldzaam-veelbelovend. Maar de plant, die wortel en diepgang van aarde mist, verwelkt en verflenst als de zon gaat schijnen in haar kracht. David was een man naar Gods harte, maar voor zelfbedrog en zielemisleiding was hij zoozeer beducht, dat hij ootmoedig smeekte : Heere, doorgrond Gij mijn hart ! Zie, of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op den eeuwigen weg ; op den weg, waar geen blinde dwaalt en geen zwakke struikelt !
Lezer, dit voorbeeld verdient navolging, want welgelukzalig is de mensch, die geduriglijjk vreest. En , gelukkig diegene, die in weerwil van al den schijn, die tegen hem is, in oprechtheid met een Petrus mag uitroepen : Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's