KERKLIJKE RONDSCHOUW
Om te bestellen.
De Handelingen van de Buitengewone Synode Januari 1930 zijn verschenen en tegen betaling van ƒ0.75 te verkrijgen bij H. L. Smits, Westeinde 135, Den Haag. Men kan het per Giro bestellen en betalen : Giro no. 68750.
Wij rekenen er op, dat allen, bizonder alle Kerkeraden, die belang stellen in de reorganisatie onzer Hervormde Kerk, aanstonds een exemplaar van deze Acta der Synode zullen bestellen. Alle Kerkeraden moeten zoo'n exemplaar in hun bezit hebben, 't Is noodig om nu nog eens rustig te kunnen nalezen, wat er in deze hoogst belangrijke aangelegenheid der Reorganisatie door de verschillende Synodeleden is gezegd. En ook voor de toekomst kan dit geschrift goede diensten bewijzen.
Want de zaak van de Reorganisatie is natuurlijk niet uit.
Ook met de verwerping van het Voorstel door 10 van de 19 Synode-leden, laat de Kerk zelve deze zaak niet los.
Het gaat om een andere en betere organisatie der Kerk.
Om het onbillijke, onrechtvaardige en schadelijke van den onevenredig grooten invloed der Walen weg te nemen.
Om den Classicalen Vergaderingen meer beteekenis te geven. Het enge en kunstmatige van de huidige tweeslachtige Besturen Organisatie moet weg. De vertegenwoordigende en besturende lichamen moeten anders worden in onze
Hervormde Kerk. En onze Ned. Hervormde Kerk moet als Kerk het Evangelie van Jezus Christus erkennen, niet duldende dat ook in haar midden ontkend wordt, dat Jezus ooit heeft geleefd, of dat de Godheid van Christus wordt geloochend, of de verzoenende kracht van Zijn lijden en sterven verworpen — want het gaat waarlijk voor de Hervormde Kerk als Kerk niet om beuzelingen, maar om kerkelijke, religieuse hoofdzaken ! — opdat de Ned. Hervormde Kerk weer in het midden van het leven van ons volk kan komen staan mei het volle Evangelie van Gods genade in den Zoon Zijner eeuwige liefde.
Want de invloed van de Ned. Hervormde Kerk op ons volk moet in een bepaalden geest geschieden. Zoodat met het Reorganisatie-Voorstel inderdaad een formeel en een materieel element in het spel was. Een nieuwe Kerkorde ; een ander kerkelijk samenleven, dan nu onder de tweeslachtige Synodale Besturen - organisatie, die nooit overeenkomstig het wezen van de Kerk is geweest, maar nu zeer zeker
uit den tijd is ! En naast dat formeele element van een nieuwe kerkelijke organisatie, is in 't geding het materieele element, dat de Kerk het Evangelie van Jezus Christus belijdt en met en door dat Evangelie tot het volk komt. Met het Evangelie des Kruises. Met het Evangelie der Schriften, waarbij niet toelaatbaar kan en mag zijn, dat tegelijk een radicaal ander Evangelie gepredikt wordt, naar eigen structuur saamgesteld, maar met uitsnijding van datgene, wat voor de Kerk van Christus van alle eeuwen mee het centrale punt is geweest en gerust hoofdzaak.
Ds. Knap en de Reorganisatie.
De Reorganisatie en — geen — einde. 't Is ook gewichtig genoeg om het er nu eens met z'n allen druk over te hebben. Er zijn wel mindere dingen waarover veel gepraat en geschreven wordt !
Dat ds. Knap, van Groningen, zou zwijgen, was niet te verwachten. En in „Oude Paden" van 24 Jan. j.l. vinden we dan ook een artikel van zijn hand, terwijl tegelijik ons werd toegezonden een preek, die 12 Jan. — dus direct na de verwerping van het Voorstel in de Synode — in de Martinikerk te Groningen is gehouden.
Wij hebben èn het artikel in „Oude Paden" èn de preek „De Dragende God" (naar aanleiding van het Woord des Heeren door Jesaja gesproken : „Hoor naar Mij, gij huis van Jacob, en al wie overig is van het huis Israël, 'gij die door Mij gedragen zijt van den moederschoot af, getorst van uwe geboorte aan : tot uwen ouderdom toe ben Ik dezelfde, tot uwe grijsheid zal Ik u dragen. Ik heb het gedaan en Ik zal dragen en u redden" ; 46 vers 3—4) met groote instemming, stichting en bemoediging gelezen.
Neen, de zaak waarom het nu gaat, is niet van de baan. 't Kan niet, 't mag niet. Om Gods wil en om de wille van Kerk en Volk moeten we voortgaan en de bemoediging ontbreekt niet. „Ik zal dragen en u redden", spreekt de Heere.
„Een krachtige strooming in de Kerk zelve kan men niet even afstemmen. Ook waar de officieele sanctie nu ontbreekt zal zij ook zónder die sanctie doorgaan en betere tijden afwachten" — schrijft ds. Knap. Van de behandeling in de Synode zegt hij : „Het ingediende Reorganisatierapport was door de betreffende Commissie, waarin verschillende tinten der orthodoxie vertegenwoordigd waren, in opdracht van de Algemeene Synode zelve door alleszins bekwame mannen opgesteld. Zij hebben zich zelf niet als Kerkhervormers opgeworpen. Zij werkten in opdracht. Daarom mochten zij er op rekenen, dat het resultaat van hun arbeid naarstig onderzocht zou worden, terwijl het anders voor weinig meer dan een ingezonden stuk ingezien en terzijde gelegd had kunnen worden. Van meet-af stond het vast, dat de Synode er ernst mede zou maken. Zij heeft dit ook inderdaad gedaan". (Hoewel dr. Niemeijer in Augustus het Voorstel maar in eens van de baan wilde schuiven in de Synode. Red. W.hvr.).
„Er werd een afzonderlijke vergadering voor in Den Haag bijeengeroepen". (De Modernen waren er tegen. Red. W.hvr.). „En hoe men ook tegenover den uitslag der besprekingen sta, het verwijt kan de Synode niet treffen, dat zij de hand met het ontwerp gelicht heeft, zij heeft er ernst maar toch geen vollen ernst mede gemaakt, zooals ons straks nader zal blijken". „Volgens het ingediende Reorganisatie-rapport zou Christus door middel van de ambten Zijn Kerk weder op onbelemmerde wijze kunnen regeeren. Wij behoeven nauwelijks te zeggen, dat Hij geen afstand doet van Zijn Koninklijk regiment over Zijn erfdeel, wanneer Hij op een onschriftuurlijke organisatie stuit. Gelukkig staan de zaken zóó niet. Gelukkig voor de vele, vele Kerken hier te lande en in het buitenland, die evenmin als de onze de Schriftuurlijke organisatie bezitten. Maar al weet Christus desnoods met Zijn geestelijke macht door alle belemmeringen heen te breken, deze trouw van den Heiland pleit óns niet vrij van schuld, wanneer wij hinderpalen voor Zijn geregeld regiment oprichten. Dit laatste stelt ons zeer beslist schuldig. En daarom was er in een belangrijk deel onzer Kerk een gevoel van groote bevrijding, toen de Algemeene Synode een open oor bleek te hebben voor de stemmen, die sinds lange, lange jaren om reorganisatie aanhielden.Zij besloot de zaak uit het stadium van wenschen en verwachtingen over te brengen op het terrein der werkelijkheid en gaf opdracht om met een uitgewerkt, concreet ontwerp tot haar te komen.
Er is voor dezen stap vurig gedankt. Niet slechts in vele pastorieën! Maar óók onder het eenvoudige volk, dat in geestelijke zaken zulke fijne voelhoorns heeft, al is 't niet op de hoogte van den zwaren reglementenbundel met zijn tweeslachtig karakter.
En toen het Ontwerp in druk verscheen, vlogen de oplagen weg. (Een derde druk. was noodig. Red. Whvr.). Men was, o, ' zoo dankbaar voor dit mild opgezette Voorstel, dat gedragen werd door de gedachte : de Kerk, die op de Petrinische belijdenis gegrond is, heeft de hooge en heilige roeping den naam van den Christus der Schriften in haar banier te schrijven, want dan alléén kan zij rekenen op den zegen des Heeren en tot waarachtig heil voor ons geheele volk zijn.
De leertucht kwam er natuurlijk ook in ter sprake. Zij is in een belijdende Kerk eenvoudig onmisbaar, daar er in de meest besliste Kerk af en toe dwalingen opduiken, die niet getolereerd kunnen worden, indien zulk een Kerk zich niet tot een aanfluiting wenscht te maken. De opstellers van het Reorganisatie-rapport stelden echter duidelijk in 't licht, dat niet de één of andere groep over werkelijke of vermeende dwalingen een tweede groep ter verantwoording kon roepen, maar dat alle groepen saam aan de uitspraak van Gods Woord onderworpen waren. Bovendien waren de desbetreffende artikelen zéér mild opgevat en uitgewerkt. Dat kon en mocht niet anders bij een abnormalen toestand, als waarin onze Kerk verkeert. De tuchtoefening is niet bestemd om een kranke Kerk gezond te maken, maar om een gezonde Kerk gezond te houden voor zoover dit mogelijk is. Vandaar, dat in dit Ontwerp de tucht achteraan kwam en desnoods achterwege had kunnen blijven, daar er slechts tuchtoefening over de leer mogelijk zou zijn, wanneer de organen er voor aanwezig waren, eigenlijk was dit dus een quaestie, die actueel zou worden zoodra de ambten in volle kracht hersteld zouden zijn, d.w.z. na aanvaarding der voorgestelde presbyteriale inrichting. De gereorganiseerde Kerk had het tuchtprobleem dan ter hand kunnen nemen". (Met deze beschouwing van ds. Knap gaan wij geheel accoord. Red. Whvr.)
De Synode heeft zich niet aan een diepgaande bespreking van het Rapport onttrokken. De discussie stond in het algemeen op hoog peil. Er was een principieel debat, waarin de stalen klingen van beginsel tegen beginsel gebruikt werden, en wij hebben er ons over verblijd, dat zulk een duel dan toch gevoerd is kunnen worden binnen de muren van het Synodale huis, waar meestal voornamelijk reglementaire quaesties behandeld worden, die in hun kader zeer zeker van hoog belang zijn, maar de aandacht der gemeente niet vermogen te boeien.
Thans was er spanning in de geheele Kerk.
De Reorganisatie — het is in de laatste maanden duidelijk aan 't licht gekomen — is geen zaak van Confessioneele of Gereformeerde dominé's, die de menschen koud laat. Evenmin een zaak van een enkele groep als de Confessioneele Vereeniging of den Gereformeerden Bond. Neen, zij leeft in de Kerk: de harten zijn er vo» van, iets wat méér zegt, dan dat de hoofden er vol van zijn. En het verblijdende was, dat zelden een hartstochtelijke toon vernomen werd, men sprak er overal over —waardig en rustig.
Juist om die reden heeft de uitslag ons diep bedroefd.
De uitslag der stemming zelve over het Voorstel - hebben wij hierbij niet op 't oog. De verwerping van het Rapport was althans voor óns geen teleurstelling. Maar was het nu noodig een vitaal levensbelang der Kerk zóó haastig af te handelen. Men wist toch in de Javastraat, dat het ingediende Voorstel uitsprak wat leefde in het hart van duizenden trouwe leden der Kerk. Met zulk een Voorstel, dient men vollen ernst te maken; dit zou geschied zijn, indien men ten minste de Classicale Vergaderingen gehoord had en het Ontwerp, zooals het daar lag, om advies de Kerk in haar breedste, vergaderingen ingezonden had. Ons dunkt, dat de Synode als hoogste Bestuurslichaam der Kerk er prijis op had moeten stellen nu eens te weten te komen welk percentage der Kerk achter dit Voorstel stond. Ieder verantwoordelijk lichaam hecht er waarde aan kennis te nemen van de meeningen, die onder de menschen rondgaan, en een overzicht van de juiste verhoudingen in de Kerk zelve te krijgen. Men heeft dit echter niet gewild, maar eenvoudig het Rapport verworpen". (Daarom vinden we het zoo onverantwoord e 1 ij k met name van dr. Weyland en dr. Van der Meene, dat zij nu reeds tegen gestemd hebben. Red. Whvr.). „Tal van gemeenten voelen zich hierdoor pijnlijk getroffen. Zij vragen zich af, of deze handelwijze wel van psychologisch inzicht getuigt? Staan wij — zoo hoort men spreken — met onze kerkelijke levensbelangen dan zoozeer en zóó volkomen onder voogdij, dat een twintigtal Synodeleden kort en goed over het lot en de eerste toekomst der Kerk beslissen, zonder ons zelfs te hooren ? Men vindt het niet ten onrechte heel kras als volmaakt onmondig behandeld te worden. Men wil geen revolutie maken. Men betwist ook niet het reglementaire recht der Synode om te doen wat zij deed. Een reglementair recht is echter niet identiek met het zedelijk recht, de spreuk der ouden heeft nog niets van haar kracht verloren : summus jus, summa injuria.
(Dat is ook ons grootste bezwaar tegen prof. Obbink c.s., dat zij daarvan blijkbaar niets gevoeld hebben, dat het Voorstel recht had in de Kerk te komen en dat de Kerk recht had het Voorstel te adviseeren ; waarbij nadrukkelijk blijdschap werd uitgesproken, toen het door de Synode verworpen was ! Een dergelijk rechtsgevoel verklaren we niet te kunnen begrijpen, en we kunnen het niet loven in deze vóór-mannen der Ethischen. Red. Whvr.).
„Wat is dan nu de situatie na den uitslag der stemming ?
't Is goed om het duidelijk uit te spreken: de Synode heeft het Voorstel verworpen, maar de Kerk heeft het niet verworpen. De beslissing is buiten de Kerk omgegaan. De reorganisatiebeweging heeft niets gewonnen. Maar zij heeft ook niets, heelemaal niets verloren. Hoogstens een kleine kans om haar plan te verwezenlijken. Maar die kans was miniem.
En tegenover dit verlies zou men dan nog de winst kunnen stellen, dat de Kerk nu wakkerder dan ooit te voren geworden is, en door de ondervonden bejegening duidelijk en heel pijnlijk gevoeld heeft dat de Bestuursorganisatie niet deugt, omdat er over haar beslist wordt zonder haar zelfs te hooren.
Er bestaat daarom; geen reden om moedeloos het hoofd te laten hangen. Wij althans zouden het niét wagen de hand ook maar even van den ploegstaart te lichten en mistroostig aan den rand van den akker te gaan zitten.
Er is een groep in onze Kerk, die, afkeerig van alle leertucht, de leus opheft : men moet het wagen met de vrijheid, een leus, die zeker geldt voor den wereldakker, waarop ruimte voor ieder moet zijn, opdat de krachten zich met elkaar mogen meten. Maar op den kerkelijken akker heffen wij, liever een andere leus.op, die uit Gods Woord gegrepen is : wij wagen het met de Waarheid !"
Wij danken ds. Knap zéér voor zijn kloek woord !
Over de leerrede „De Dragende God", D.V. de.volgende week.
Het Volkspetitionnement.
In het jaar 1878, in de Mei-vergadering, besloot de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs, na ernstige, biddende beraadslaging, tot het organiseeren van een Smeekschrift aan Z.M. den Koning, naar aanleiding van de indiening van een nieuwe Schoolwet door Minister Kappeyne van de Copello, waarbij aan het bijzonder onderwijs de genadeslag zou worden toegebracht.
Dat het wetsontwerp van Minister Kappeyne door de Kamers zou worden aangenomen, kon wel als zeker worden beschouwd. Men had de neuzen maar te tellen van de afgevaardigden in 's Lands raadszalen, en 't was duidelijk — bij het toen geldende kiesrecht natuurlijk — dat de liberalisten de nieuwe Wet zouden aanvaarden, om het bijzonder onderwijs te nekken.
Wat men in het Smeekschrift aan Koning Willem III zou vragen was, of Z.M. de Wet niet zou willen teekenen.
Dat besluit tot het Volkspetitionnement gaf een schok door heel het land. Heel het Liberalendom vloekte het. Het leger der Conservatieven keurde het ten strengste af, dat men „het volk in rep en roer ging brengen".
Maar het volk dat God vreesde, de ouders die christelijk onderwijs begeerden voor hun kinderen, hoorden het als een suizen van den wind door de toppen van de. boomen, als een ritseling des Geestes, brengende een boodschap des heils.
Het werd een tijd van bidden en werken.
De organisatie kwam zonder groote moeite tot stand. Het was, alsof alles er voor gereed was. Er was eenheid onder allen, die den Bijbel op de school wilden hebben. In elke plaats, tot in de kleinste tóe, stonden de leidende mannen klaar.
Toen de Wet ook door de Eerste Kamer was aangenomen, begon het teekenen van het Smeekschrift. Binnen enkele dagen hadden ruim 300.000 meerderjarige Protestantsche Nederlanders hun naam gezet onder het Smeekschrift aan den Koning, dat vrijheid vroeg voor het christelijk onderwijs in Nederland, en dat den Koning verzocht : »Sire, teeken die Wet toch niet !«
Den 17den Augustus 1878 teekende Z.M. de Wet !
Voor velen was het een teleurstelling : zij hadden verwacht, dat een Oranje luisteren zou naar het volk, dat zijn Bijbel in de school èn de school aan de ouders wilde hebben, vrijheid vragend voor het onderwijs.
Dat mocht echter niet zoo zijn ! Verschrikkelijk is wat Minister Kappeyne in zijn Rapport aan den Koning, waarin hij Z.M. bezwoer de Wet te teekenen, aan het adres van het christesvolk van Nederland schreef. Hij zei daar, dat dat volk had omhelsd „het grofste Communisme".
Communisme, het grofste Communisme — en dat werd gezegd, van die duizenden en tienduizenden, die in Nederland vrijheid vroegen om hun kinderen te mogen laten onderwijzen op een christelijke school, op een School met den Bijlbel, op een school waar onderwijs en opvoeding zou worden gericht naar de beginselen van Gods Woord.
Het grofste Communisme ! Na 1878 is er een opleving gekomen van het Christenvolk van Nederland, wat merkbaar is geworden op elk terrein des levens.
En het Protestantsch Christelijk Onderwijs in Nederland en in onze Indien beteekent wat.
Het grofste Communisme ! In Nederland hebben we nu 348 Prot. Chr. Bewaarscholen met 28000 leerlingen ; 1924 Prot. Chr. Scholen voor Lager en M.U.L.O. met 283000 leerlingen ; 21 Prot. Chr. Kweekscholen met 2100 leerlingen ; 18 Chr. H.B.S. met 2650 leerlingen (2000 m., 600 vr.) ; 7 Chr. Gymnasia met 1100 leerlingen (900 m., 200 vr.)) ; 8 Chr. Lycea met 1685 leerlingen (1200 m., 400 vr.).
Dat heeft God gedaan ! Want de Heere regeert! Waarom we deze dingen hier nu ophalen ?
De Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk — onder de huidige wijze van verkiezing, door de Overheid in 1816 wederrechtelijk aan de Kerk opgelegd en in 1852 wederrechtelijk bevestigd en bestendigd, was dat te verwachten ! — heeft het Reorganisatie-Voorstel verworpen, met 10 tegen 9 stemmen.
Er werd gevraagd, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk een andere organisatie mocht verkrijgen, dan zij nu heeft, welke tegenwoordige Synodale besturen-organisatie haar wederrechtelijk is opgelegd door den Koning en Zijn raadgevers in 1816.
Een andere Organisatie, dan de Besturen-organisatie die we nu hébben.
Een andere Organisatie, waarbij de Kerk zelve, door haar Classicale Vergaderingen, aan de regeling van haar eigen zaken kan meewerken.
Maar door de wederrechtelijik ons opgelegde Besturen-organisatie is aan de Kerk bij vernieuwing ontzegd het recht om haar eigen zaken te mogen doen. Men heeft niet willen meewerken de touwen, wederrechtelijk haar aangelegd, voor de Kerk los te maken,
Dat gruwelijk onrecht is de Ned. Hervormde Kerk bij vernieuwing aangedaan ! De smadelijk gebondene zal geknecht blijven!
Het Reorganisatie-Voorstel vroeg voorts, dat de Nederiandsche Hervormde Kerk weer een Kerk met den Bijbel, weer een Kerk met den Christus, weer een Kerk met een belijdenis mocht worden, en niet als een Vereeniging van elk wat wils zich naar buiten zou blijven openbaren.
Ook dat is uit de hoogte afgewezen door de Synode, die wederrechtelijk zit. Afgewezen met 10 tegen 9 stemmen; waarbij de Walen, die niets met deze dingen te maken hebben, dapper weer hebben meegedaan om ook dit Verzoek te verwerpen.
Nu blijft er niets anders over dan niet te rusten, maar te werken. „Bidt en werkt" is nu de leus van ons allen, overal.
„Het grofste Communisme" heeft Minister Kappeyne in 1878 die beweging onder ons Christenvolk genoemd.
Maar God heeft het gezegend. Het Christenvolk heeft het verloren. Natuurlijk ; de machthebbers waren velen.
Maar het Christenvolk heeft het gewonnen. Want : de Heere regeert!
Voor de Nederiandsche Hervormde Kerk vragen wij een andere Organisatie dan de wederrechtelijk ons opgelegde Synodale besturen-organisatie.
Voor de Nederlandsche Hervormde Kerk vragen wij, dat zij zich zal gaan openbaren als Kerk van Christus, als Kerk met den Bijbel, als Kerk met een belijdenis.
Is dat te veel gevraagd ? Is dat onrechtvaardig ? Is dat revolutionair ? Is dat bolsjewistisch? Is dat Kerkverwoestend ?
Laat men het dan zeggen !
Maar het Christenvolk van Nederland, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk lief heeft, versta nu iets van z'n roeping : bidt en werkt!
We moeten het dan wellicht straks weer verliezen.
Maar we zullen het ten slotte winnen. De Heere regeert!
Hartelijke samenwerking op deze twee punten is onder ons. Hervormden, gelukkig niet buitengesloten nu.
Ons geloof make ons mannen en vrouwen van de daad.
Niet om onrechtvaardige eischen te stellen.
Niet om onze Nederlandsche Hervormde Kerk te verwoesten.
Maar om onze Nederlandsche Hervormde Kerk te geven een andere, betere, kerkelijke organisatie ; en haar te bewegen tot de belijdenis van den Christus, naar luid van de Schrift, in overeenstemming met de beginselen van die christelijke belijdenis, die ons allen lief is en blijft, ook in weerwil van het kunstmatig opdringen van bezwaren, van den kant van hen, die radicaal anders denken over de fundamenteele stukken van ons allerheiligst christelijk geloof.
Het ambt.
Er wordt nu gesproken over „het ambt" in de Kerk. Niet in dien meer algemeenen zin, waarin sprake is van een ambt aller (geloovigen", maar van het speciale ambt, met name van de drie ambten van herder en leeraar, van ouderling en van diaken. Het predikambt, het opzieners-en regeer-. ambt en het ambt tot oefening der barmhartigheid.
Die ambten, die speciale ambten, zijn in 't geding op het oogenblik. Bestaan ze of bestaan ze niet ? Zijn ze Schriftuurlijk of niet? Moeten we ze in de Kerk — ook.in de Nederl. Hervormde Kerk — hebben of niet?
Wat hebben we onder die ambten te verstaan ?
Wij zien die speciale ambten — van leeraar, ouderling en diaken — als staande op de basis van het algemeene ambt der geloovigen, welke ambten naar het voorbeeld der Schrift zijm en gebonden aan de ecclesia localis, aan de plaatselijke Kerk. En de instelling van die ambten bedoelt, dat zij ten dienste der gemeente zullen zijn, maar dat de dragers van het amtot staan boven de gemeente, wijl zij door Christus en Zijne apostelen daartoe zijn ingesteld, opdat het de gemeenten zal welgaan.
De dragers van die ambten hebben dan ook, naar de instelling van Christus en het woord der Apostelen, — naar het voorbeeld der Schrift dus — met ambtelijk gezag bekleed te leeren, te regeeren en de armen te verzorgen. Van ambtsdragers .— niet van ambtenaren ! — spreken we in dit verband, om te laten uitkomen, dat ze het ambt dragen, zijnde personen, die door kerkelijk gezag, d.i. van Christuswege door middel van Zijn Kerk, tot het ambt geroepen zijn, om het ambt te dragen of te bedienen in Christus' Naam en naar Christus' Woord tot heil der gemeente, opdat alle dingen eerlijk en ordelijk zullen geschieden.
Een ambtenaar is iemand, die door het openbaar, wereldlijk gezag met 'n burgerlijk of rechterlijk ambt bekleed is, b.v. een ambtenaar bij het Openbaar Ministerie.
Maar een ambtsdrager is een persoon, die door kerkelijk gezag, d.i. van Christuswege door middel van Zijn Kerk, tot het ambt — tot de drie kerkelijke ambten — geroepen wordt.
Terwijl men een beroep zelf kiest, wordt men tot een ambt met gezag en macht (bekleed ; burgerlijk om van Gods-wege in het midden van het burgerlijk leven te staan (burgemeester, rechter enz.) ; kerkelijk, om van Godswege in het midden van Christus' Kerk op te treden (de predikant in het leerambt, de ouderling in het opzicht houden, de diaken in de oefening van den dienst der barmhartigheid — naar de drie ambten van Christus : Profeet, Koning, Priester).
De ambtsdragers in de Kerk staan dus te midden van de geloovigen en zijn van Christuswege, door de Kerk zelve geroepen, tot de oefening van hun ambt, ieder voor zich in z'n eigen ambt, maar veel meer nog saam als raad der Kerk. Zelf werpen ze zich niet op. Een dominé wordt maar niet „Op eigen houtje" herder en leeraar ; een ouderling kiest zichzelf niet ; een diaken wijst zichzelf niet aan. Als het zóó ging, zou het belachelijk wezen en zou het een gezag zijn, dat den mensch niet toekomt. Hebr 5:4: Niemand neemt zich zelf die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs ook Aaron".
God wil ze aanwijzen. Christus heeft Zijn ordinantiën gegeven in deze. En zóó moeten ze in het midden van de Kerk door de Kerk zelve gekozen worden — dat moet — opdat de ambtsdragers dan in het midden van de ecclesia localis, de plaatselijke Kerk, in Christus' Naam en naar Christus' Woord, hun ambt oefenen, als ambtsdragers staande boven de gemeente, wijl zij door Christus Zelf geroepen zijn en daartoe verordend. Nu is het woord ambt niets anders dan dienst.
De ambtenaar bij het Openbaar Ministerie heeft daar in zijn werk te dienen zoals hij 't daar doen moet.
En de ambtsdragers in het midden van de plaatselijke Kerk — want we moeten de plaatselijke Kerk hier hebben ; een ouderling is geen ouderling van de Nederlandsche Hervormde Kerk, maar van de Amsterdamsche Hervormde Kerk, enz. — hebben niets anders te doen dan Christus te dienen in en bij het werk, dat Hij, als Hoofd der Kerk, doen wil als Profeet in de prediking en onderwijzing, als Koning om Zijn Kerk te besturen en te regeeren, als Priester om in het midden van Zijn Kerk aan armen en ellendigen barmhartigheid te bewijzen.
De ambtsdragers zijn dus dienaren. Om te dienen de gemeente, maar om de gemeente te dienen in naam van haar Hoofd, Jezus Christus, die Zelf verordend heeft dat de gemeente daartoe ambtsdragers zal kiezen. De ambten zijn door Hem en door de Apostelen ingesteld. Ze zijn dan ook onder ons naar het voorbeeld van Christus en het woord der Apostelen.
Het „ambt" van den praeses wil zeggen : 't werk, de dienst dien de praeses vervullen moet. Het „ambt" van de Overheid beduidt : het werk, de dienst, dien de Overheid verrichten moet, enz.
Zóó nu ook met de ambtsdragers in Christus' Kerk.
Zij moeten het werk, den dienst verrichten, hun door Christus en Zijn Apostelen opgedragen, 't Is maar niet een „beroep", dat zij zelf gekozen hébben ; geen „betrekking" of iets dergelijks, die zij begonnen zijn te aanvaarden naar eigen keus — neen, het is het „ambt", van Godswege door Christus hun opgedragen, daartoe dus met gezag bekleed door Christus Zelf, gelijk de Apostelen ons geleerd hebben.
gelijk de Apostelen ons geleerd hebben. De ambten zijn overeenkomstig de Schrift. Zoowel naar luid van het Oude als naar luid van het Nieuwe Testament.
1 Kron. 6 vers 31 : ,,Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft, tot het ambt des gezags in het Huis des HEEREN, nadat de Ark tot rust gekomen was", enz. 2 Kron. 23 vers 18 : „Jojada nu bestelde de ambten in het Huis des HEEREN", enz. Zoo stonden onder de Oude Bedeeling de ambtsdragers in het huis Gods, „naar de wet van Mozes" (2 Kron. 23 vers 18), om te offeren, enz. Zij wisten, hoe zij in het huis Gods moesten verk»eren", om het heilige werk heiliglijk te verrichten — waarbij de toorn Gods over gansch het volk kwam (de tempeldienst was onder het O. Testament centraal en ook het ambt was centraal) als het ambt in verval was geraakt en de heiligheid van Gods huis werd geschonden of daarvan was geweken. De Heere was daarin een God, die stond op de eere van Zijnen Naam en die de „Kerkzonde" in het midden Zijns volks zwaar bezocht.
Ook het Nieuwe Testament spreekt van het huis Gods ; nu als Kerk des Heeren, als Kerk van Christus. Niet als een Kerk, die beperkt is tot één volk, maar uitgeplant onder alle volkeren ; niet hebbende in het midden van een land één centralen tempel met centrale ambten ; maar Zijn Kerk is uitgeplant in Amsterdam, Utrecht, Zwolle, Emmen, Ureterp, Heerlen, Moerdijk, enz. ; met de plaatselijke Kerken en met de ambten, die in het midden van die plaatselijke Kerken thuis hooren (Titus 1 vers 5), om daar te functioneeren in Christus' Naam, naar Zijn Woord, geleid door Zijn Geest. En zóó wil de verhoogde Heiland Zijn Kerk nu ook in Nederland regeeren, plaatselijk, en ook in haar geheel, voor zoover zij als één gemeenschap, rondom hetzelfde Woord, onder dezelfde heerschappij van Sions Koning, en met dezelfde ambten, samenleeft, want de Kerk van Christus is in één zelfde land tot die samenleving verplicht, tot Gods eer en eigen welzijn, ook tot zegen des volks. Op die ambten dan, in Christus' Kerk voor de plaatselijke gemeenten ingesteld en voor de algemeene Kerk van nut, hebben we te letten.
Christus is het Hoofd der gemeente en Hij is de behouder des lichaams (Ef. 5 : 23) Om Christus gaat het. De Kerk, die Christus missen kan en zich met iets of met iemand anders tevreê stelt (en dat komt voor, helaas ! in onze dagen, nu Theosophie, Spiritisme, Ster uit het Oosten, enz. enz., allemaal heidensche leeringen, die een andere wijsheid en een andere verlossing brengen willen, door velen wordt begeerd), is geen Kerk. Want Kerk is „Kuriakè" of eigendom, terrein des Heeren Jezus Christus, waar Christus 't Hoofd is en waar Christus de behouder des 11chaams is. (Ef. 5 vers 23).
Wanneer men dus geen „Kerk" wil zijn, geen „Kuriakè", geen eigendom of terrein of huis of lichaam van Christus, moet men zich óók geen Kerk noemen. Dat is niet eerlijk ! Men kan dan spreken van vereeniging, genootschap, broederschap, enz., maar niet van Kerk".
Een Kerk — en dus ook de Nederlandsche Kerk, ook de Hervormde Kerk in Nederland — moet Christus willen erkennen als Hoofd en behouder des lichaams. (Ef. 5 vers 23).
En zooals in de Kerk onder het Oude Verbond, in het midden van Gods Huis, ambtsdragers waren „naar de wet van Mozes", waarop het volk, in de dagen dat het God vreesde, zéér was gesteld en waarop ook de vrome koningen waren gesteld (onder de Oud-Testamentische bedeeling was Kerk en Staat, Priester en Koning niet één, maar ten nauwste verbonden) zoo behooren ook in de Kerk van Christus onder de Nieuwe Bedeeling, onder de opperhoogheid van het Hoofd der gemeente ( in het Grieksch staat Kephalè tèès ekklèsias = hoofd der Kerk) de ambten te zijn, welke ambten door Christus Zelf en door Zijn Apostelen zijn verordend.
„En dezelve (n.l. Christus, die opgevaren is enz.) heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus" Ef. 4:11, 12.
Dat is één aanwijzing. Zal het lichaam des Heeren, zal het huis Gods, zal de Kerk van Christus opgebouwd worden en zal het gaan naar de eenigheid des geloofs en naar de volmaking der heiligen en naar de volle vergadering van al de geloovigen (vers 13 enz.) dan zullen we moeten letten op die buitengewone en gewone ambten in het midden van Christus.
En dan hebben we in Ef. 4 één aanwijzing. Wel is waar maar een aanwijzing", waarbij de onderscheiding van buitengewone en gewone ambten bovendien noodig is. Maar onder ons is het toch immers gewoonte om „Schrift met Schrift te vergelijken" ? En als we dat doen — en dat moeten we doen — dan vinden we in de Schrift — en wij missen het recht om ons een anderen gids te kiezen dan de Heilige Schrift — dat de ambten in de Kerk zijn overeenkomstig het Woord, naar het voorbeeld van Christus, die Zelf Zijn apostelen koos en orde in de gemeente wilde gesteld zien. Dan vinden we, ons conformeerend aan de Schrift, dat de ambten zijn naar het Woord der Apostelen, die Christus' bevel aanvankelijk hebben uitgevoerd, door, onder hun leiding, door de gemeenten, plaatselijk, te laten verkiezen : ouderlingen en diakenen.
In Jeruzalem heeft men zich diakenen gekozen ; daar komen ook ouderlingen. En Paulus, de geestelijke vader der Kerken onder de heidenen, geeft er z'n volle aandacht aan, omdat de opbouwing van de Kerk van Christus, zoo goed als de uitplanting van de Kerk van Christus, hem ter harte gaat. En naar den geest en het woord van den Heiland, die zich zelf apostelen koos en zei : „Die u ontvangt, ontvangt Mij" (Matth. 10:40) — naar den geest en het woord van den Heiland, zorgt ook Paulus zelf voor de instelling van de ambten en in de pastoraal-brieven (aan Titus en Timotheüs geschreven) geeft hij allerlei voorschriften inzake de verkiezing en de functioneering der ambten. Zoo lezen we Tit. 1:5: Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak voorts zoudt terechtbrengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen (presbyters) stellen, gelijk ik u bevolen heb enz."
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's