MEDITATIE
Valsch en waar discipelschap.
II. Joh. 6 vers 66—68.
Joh. 6 vers 66—68.
Het werd leeg en verlaten rondom den Heiland. .De een na den ander was heengegaan. Nog een enkel twaalftal is bij Hem gebleven. Zij hadden nu hun oude plaatsen weer ingenomen. Een tijdlang waren zij verdrongen geweest. Als de luidruchtige schijndiscipelen komen opzetten, worden menigmaal de echte teruggedrongen. Het ware discipelschap is wars van luidruchtig vertoon. Het zoekt de vervulling van geestelijke behoeften en uit zich niet in marktgeschreeuw. Hier is veel meer het stille vragen naar des Heeren heil ; het bevende aankomen als een vogelken; uit Egypte, als een duif uit het land van Assur. Het echte discipelschap wijkt op den achtergrond, wanneer het Iuidklinkend geroep rondom Jezus is. Maar als dit zwijgt en zich verwijdert, teleurgesteld in zijn ijdele verwachting, dan ziet Jezus de ware heilbegeerigen weer rondom Zich. En zoo gevaarlijk is het zelfbedrog van schijngeloof, dat Hij te midden van de algemeene verkoeling en vervreemding de overgeblevenen beproeft met de ontdekkende vraag : »Wilt gijlieden ook niet weggaan ?
Denk niet dat het den Heiland onverschillig is of gij, blijft dan wel gaat ; meen nooit dat het Hem koud laat, hoe velen Hem aanhangen of zich van Hem vervreemden ; Hij, die zich tot in de allerdiepste versmaadheid der hel heeft vernederd, om arme zondaren met God te verzoenen, staat niet koel tegenover de vraag of gij Hem aanneemt dan wel verwerpt.
Denk niet dat het Naomi om het even was, of zé alleen zou optrekken dan wel een dochter haar verlatenheid deelen zou, ; welnu, veel minder laat het Jezus koud, of deze overgeblevenen bij Hem zouden blijven, dan wel heengaan. En juist uit de trouw van. Zijn zorgen voor dezen, is Zijn vraag opgekomen. Dezelfde storm ontwortelt en..maakt woordvast. Het eerste was de uitwerking op de schare, omdat in haar het werk Gods, het vernieuwde hart ontbrak. Het tweede beoogt Hij bij Zijn ware discipelen.
Het heeft hen aangegrepen, toen zij zagen, dat de belangstelling verliep. Zij waren menschen van gelijke beweging als wij. Het heeft hen geschokt. Alleen staan, een kleine minderheid vormen, valt niet licht. Het is streelend, te zien dat uw keus instemming vindt. Het kan u sterken in uw overtuiging, als gij bemerkt, dat velen haar deelen. Een mensch is maar een mensch, d.w.z. een zwak, nietig, wankelend schepsel. Wij zijn geneigd, overal stut en steunsel te zoeken. En als het een na het ander ons begeeft en wij komen alleen te staan, en de groote stroom gaat ons in andere richting voorbij, dan wankelt, weifelt, aarzelt gij een wijle. Maar God verlaat de Zijnen niet. Nooit weigert de .Heiland steun aan Zijn wankelend volk.
Maar altijd en in alles zijn de wegen des Heeren anders dan de onze. Wij denken wellicht nu is het tijd dat Jezus Zijn echte discipelen troost en bemoedigt en hun moed inspreekt: „gij moet u daardoor niet uit het veld laten slaan ; die arme schare weet niet wat zij doet. Zij miskent Mij ; vergist zich in het doel van Mijn komst. Gij weet echter beter." Dusdoende zou Hij, .meenen wij, hen met nieuwe banden aan Zich gebonden hebben. Maar neen, heel anders, als ware het Hem om het even : en gij, wilt gij ook niet weggaan? Maar voelt gij dan niet lezer, dat hier Goddelijke wijsheid en liefde hand aan hand gaan ? Zoo komen de discipelen tot zelfbezinning geven zich rekenschap van hun blijven bij Jezus. Zij moeten zich bewust worden, wat hen aan Jezus bindt en bij Hem houdt. En dat is van zoo groote, alles-overklimmende waarde en beteekenis, dat wordt nergens gevonden dan bij Jezus alleen ! Zoo juist wordt de band hechter, nauwer aangehaald, ja onbreekbaar. Als ik Gods kind ben en blijven zal, dan moet ik weten wat ik aan Hem heb, wat Hij voor mij is, wat mij aan Hem bindt.
„Ziet gij die velen verkoelen en weggaan, teleurgesteld en .beschaamd ? en gij dan ? wat zoekt gij. bij Mij ? Wilt gij soms ook weggaan ? zooals die anderen, die niet vonden wat zij zochten ? " O, die vraag roert hen in het diepst hunner ziel. 'Die vraag ploegt diep door hun levensakker. En zooals de stormvloed, die kookt op onze kusten, soms een onder het zand bedolven schat opwoelt en blootlegt, zoo komt hier in de stormproef der ontdekking een schat van geloof en vertrouwen openbaar. Want Petrus, de vurige, voortvarende Petrus, die zulk een diepen blik heeft mogen slaan in 't rijke hart van den Meester, hij antwoordt : „weggaan, Heere, ook weggaan ? Misschien omdat die schare, die bij U zoekt den schat die vergaat, teleurgesteld heenging? Maar Heere, tot wien moesten wij heengaan ? Wie is in staat ons hart te stillen, onze diepste behoeften te vervullen, onze wonden te heelen, onze tranen te drogen, zooals Gij ?
Woorden des eeuwigen levens hebt Gij ; woorden, bezwangerd met onverwoestbare levenskracht; woorden, waarbij de stormen zwijgen en de zorgen zinken ; woorden, zoeter dan honig en honigzeem. Als Gij spreekt, Heere, dan daalt de hemel in onze ziel ; dan wordt het ons zoo onuitsprekelijk goed ; dan roept ons hart uit : wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij niets op de aarde. Want wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God. Dat bindt ons aan U .met onverbrekelijke banden. Gij zijt de vervulling van Gods beloften en van de diepste verlangens in ons hart".
Welk een kostelijke geloofsschat wordt hier blootgelegd in de stormproef der ontdekking. Petrus is zich bewust, dat hij en zijn medediscipelen heel iets anders zoeken bij den Heere Jezus. Werd die groote volksmenigte verrukt bij 't zien van .brood, dat vergaat, hun ziel begeerde spijs die blijft tot in het eeuwige leven. Petrus wil zeggen : nergens hebben we ook maar een schijn van vervulling voor onzen nood gevonden ; alles stelde ons teleur. Wij hebben het overal gezocht; de een hier, de ander daar ; in de werken der wet, in de vervulling der plichten, aan de .bronnen der wereldvreugd, inde benadering onzer levenstaak ; het brak ons alles bij de handen af; niets bleek bij machte ons waarlijk te verzadigen. Totdat hij Uw oog op ons gevestigd. Uw hand op ons gelegd hebt. Uw heerlijk woord tot ons gesproken hebt, en toen viel het ons als een steenen last van de ziel. Toen hebben wij in uw woorden het ruischen gehoord van de fonteinen des Hemels. Gij hebt het woord gesproken dat onze boeien brak en onze zorgen stilde en onze wonden genas. O, woorden des eeuwigen levens zijn Uw woorden I En zullen wij dan heengaan? Maar tot wien ? daar is geen Heiland behalve U ! Want Gij zijt de Christus, de Heiland, de Helper ; van den Vader in deze wereld gezonden, om zulke arme, verslagene, ellendige, schuldige zondaren als wij zijn, te helpen, te redden en zalig te maken, wij hebben het geloofd en bekend ; het lijdt geen twijfel, Gij zijt de Messias, de Verlosser, van ouds der vaderen toegezegd.
Hoe heerlijk moeten alle dingen .medewerken ten goede. .Daartoe moest het stil worden rondom Jezus ; daartoe moest de verkoeling van velen openbaar worden ; daartoe ook die moeilijke vraag, die bij 't eerste hooren ons het tegendeel lijkt van Vaderlijke zorg en voorkomende liefde ! Hier wordt op ontzaglijke wijze het verschil openbaar tusschen het valsche en het ware discipelschap; dezelfde storm ontwortelt het eene en maakt het andere meer wortelvast.
En waar het van zoo geweldige, de eeuwigheid beheerschende beteekenis is, of wij het ware of het valsche discipelschap kennen, daarom zij in het licht dezer dingen ons hart gebeden, alle achteloosheid af te schudden en zichzelf ernstig rekenschap te geven waarom wij discipelen van Jezus zijn. Daar is een band, die breekt, vroeg of laat. Daar is een discipelschap slechts voor een tijd. Daar is een geloof, dat gelijk is aan het koren dat ontsproot op steenachtige plaatsen ; vroeg of laat komt de breuk, en zij wandelden niet meer met Hem.
Wees op uw hoede ! Zie wel toe ! Doorgrond u nauw, ja zeer nauw ! Luidruchtig gejubel, drukke belangstelling, voortvarende ijver, waarborgt nog geen waarachtige overgave aan Christus. Daar zullen er zijn, die zeggen : maar Heere Heere, hebben wij in üw naam niet geprofeteerd, ja, duivelen uitgeworpen ? En het eenig bescheid zal zijn : Ik heb u nooit gekend..
Wat noodig is voor het ware discipelschap ? Dit, dat de Vader, die Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft, ons trékke. Dan ontstaan behoeften, die door geen wereld meer te stillen zijn. Dan wordt nood geboren, die alle valsche rust verwoest. Behoeften en nooden, die ons Christus in de armen drijven. In het overrijke antwoord van Petrus toont zich het ware discipelschap, kenbaar aan een nood, die nergens vervulling vond ; kenbaar hieraan, dat er een open oog is voor de Goddelijke waarde van Immanuël, en een hart, dat Zijn woorden indrinkt als water.
Kent gij iets daarvan, lezer ? Gij misleidt u zelf, als gij meent, dat vergankelijk goed u gelukkig kan maken. Dan miskent gij uw waren toestand, die zoo veeleischend is, dat God alleen u helpen kan ; „kleine mensch, wat zijt gij groot toch, dat geen wereld u verzaakt". Zij dit uw dagelijksche bede : geef , mij verstand, met Goddelijk licht bestraald. Dan zinkt gij neer aan de voeten van den Heiland, en dan daalt in uw ziel een vrede, die alles overtreft. En dat bindt aan Christus, met banden, die wel rekken, maar niet breken, kunnen. En als dan de ijver van velen verkoelt, en rondom de afval groot wordt, dan wordt gij te vaster verbonden en te nauwer vereenigd met Hem, die de Zijnen nooit verlaat ; en Die niet rusten zal eer gij in het vaderland zijt ingegaan, waar geen nacht meer zijn zal, en God alles in allen vervult. Amen.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's