KERKELIJKE RONDSCHOUW
Waarom ?
Waarom is bij vernieuwing onrecht gepleegd aan.de Hervormde Kerk, die als Kerk vraagt om de Christus-belijdenis ? Om te mogen samenleven en te volharden bij de leer der Apostelen ? Om God te mogen dienen naar Zijn Woord ?
Door de leden van de Synode, tien in getal, is zij smadelijk weggejaagd van de deur, nu de Kerk vroeg om haar eigen belijdenis, die zij van den Heere ontvangen heeft.
„Vertrekt nu uit haar midden ; gaat uit van haar; komt naar ons over, in de Geref. Kerken, die uit de gevangenis zijn verlost, die in vrijheid leven. Blijft niet langer in het diensthuis ; vermeerdert uw zonden niet langer ; komt, komt nu — wij hebben reeds lang op u gewacht !"
Zóó schrijft men, zoo roept men, zoo herhaalt men nu, keer op keer. „Marnix" in „de Groningsche Kerkbode" is de eenige niet. Ze spreken in massa zoo, ze zingen in koor 't zelfde lied. Hoort gij 't niet ?
Maar wij schrijven niets op rekening van „het toeval . De Heere regeert. En ook deze plaag, deze bezoeking, deze teleurstelling heeft goddelijke bedoeling, ook al gaat Gods weg nu als door de zee ; ook al zijn wolken van donkerheid rondom Zijn troon.
En we blijven wachten, waken, bidden, strijden.
Waarom ? Waarom — moest dit nu gebeuren ?
Wij weten het niet in bijzonderheden. 's Heeren weg gaat soms als door de zee.
Maar niet is 't geschied, opdat de belijders des Heeren de Hervormde Kerk den rug zouden bekeeren. 't Is veeleer om ons saam te vereenigen in gebed en saam ons op te maken tot den strijd voor waarheid en recht. „Strijdt den goeden strijd des geloofs", klinkt 't nu ; en het zou laf zijn nu 's Heeren Kerk, die in nood is, den rug toe te keeren.
Indien het ons om 's Heeren Woord mag te doen zijn en indien het ons gaat om de belijdenis van Jezus' heerlijken en heiligen Naam, dan ligt er een belofte ja, een belofte, en wel een beIofte van den verhoogden Heiland, van den barmhartigen Hoogepriester, die weet medelijden te hebben met de Zijnen. En die belofte, die waarachtig is, luidt :
„Die Mijn Woord bewaren — Mijn Vader zal hen liefhebben en wij zullen komen en woning bij hen maken" Joh. 14 : 23.
Hooren wij dat ? Die vóór ons is, is meerder dan allen die tegen ons zijn.
Gelooven wij dat ? Zegt den kinderen Israels, dat zij voorttrekken !
Het onrecht aan de Kerk aangedaan. Het kwade ten goede.
Wonderlijk weeft de Heere dat telkens in Zijn werk in : het kwade ten goede. Waarom het kwade de tegenspoed, de bittere teleurstelling nu, in 't midden van onze Kerk? Onze Kerk is onrecht aangedaan, door de meerderheid van de leden der Synode. Het recht om mee te spreken over haar eigen zaken is haar smadelijk ontzegd en met meerderheid van stemmen — vooral van de Modernen — onthouden. Zoo maar, in eens. Zonder vorm van proces ! Over de dingen, die nu aan de orde waren — en ze waren toch van beteekenis — mocht de Kerk niet handelen, maar het oordeel van de meerderheid van de leden van de Synode. Met 10 van de 19 stemmen is dat beslist. De Kerk, die aan de deur stond, is afgewezen, weggejaagd.
Een schitterende overwinning is dat geweest. De Modernen kunnen er trotsch op zijn. En sommige Ethischen hebben gejuicht ; hebben extra, dadelijk geschreven, dat ze blij waren, dat zij zich verheugden over den uitslag van de stemming in de Synode. B1 ij en verheugd, dat de Kerk niet eens zelfs in hare vergaderingen ordelijk over deze dingen meepraten mag. Dat zijn ook geen dingen voor een K e r k, om over te beraadslagen. Heerlijk, dat de meerderheid van de leden van de Synode zóó maar hebben beslist ! Kloeke Modernen !
Nu gebeurt het wel eens meer, dat de beste zwemmers zóó gaan vertrouwen op hun kunst, dat zij zich te vèr wagen en.... verdrinken. De beste bergbeklimmers vallen dan door waaghalzerij.
Zoo kon het nu óók wel eens gaan! Heeft men niet te veel gesteund op z'n macht en heeft men niet te ver doorgedreven en heeft men de overwinning niet te vroeg willen binnen halen ? Waaghalzerij ?
Dan kon de overwinning in de Synode aan de Kerk onzer Vaderen nog wel eens ten goede komen. Wordt het kwaad door den Almachtige niet dikwijls in Zijn werk ingeweven om het goede te beschikken, dengenen dié Hem vreezen, die op Zijn Woord hopen en betrouwen ?
Zonder oorzaak heeft men de Kerk smadelijk op den mond geslagen, nu zij even sprak in 't midden van de Synode. Waarom heeft men haar geslagen ? Heeft zij kwalijk gesproken ? Is het onbehoorlijk, dat de Kerk spreekt van den Christus ? Dat zij handelt over haar belijdenis des Woords en de prediking van het heilig Evangelie naar de Schriften ?
Waarom heeft men haar smadelijk ter deure gewezen", haar verachtelijk weggestuurd nu ?
Waarom ? De Almachtige weeft zoo dikwijls het kwade in Zijn werk in, om het goede te wérken !
Dat kwade, nu der Hervormde Kerk aangedaan, kome ook nu der Kerk ten goede ! En zij make zich op om net zoo lang met haar Christusbelijdenis en met de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere, aan de deur te kloppen, tot haar als Protestantsche Kerk, als Hervormde Kerk, als Kerk van Christus recht worde gedaan.
Daartoe diene ook het gebed, het gedurig gebed tot God
Dat Sion op den troon van Gods genade aanloope als een waterstroom, opdat Jeruzalem mag worden opgebouwd en Christus' Kerk in dezen lande als Kerk des Woords mag komen staan, als een pilaar en vastigheid der Waarheid..
Neen — bij den Heere is geen onrecht in deze. Wij hebben gezondigd, wij en onze Vaderen. Beschaamdheid der aangezichten past ons. Temeer, waar de zegeningen zoo vele zijn.
Maar het onrecht, aan de Hervormde Kerk nu aangedaan, dringe ons den Heere om hulp en bijstand te vragen, dat Hij uithelpe en doorhelpe.
Sions Koning, Jezus Christus, zij ons daartoe genadig ?
Bangmakerij.
Bangmakerij. Men heeft ons bang willen maken. De Modernen, bij monde van dr. Niemeijer, hebben dat in de Synode gedaan. Ze hebben gedreigd met een gemeenschappelijk verzet en ze hebben geprofeteerd een debacle voor de Hervormde Kerk, verlies, onherstelbaar verlies, vernietiging, als de Modernen en bloc zich gingen verzetten en ten slotte tot een tweede doleantie zouden overgaan.
Met name de president, dr. Weyland, heeft dat zwaar opgenomen en heeft gewaarschuwd voor die verschrikkelijke ramp.
En dr. Wagenaar, predikant van Evangelische richting te Leeuwarden — de Evangelischen werken altijd hartelijk samen met de Modernen, gelijk de Evangelischen ook in 1834 de Afscheiding hebben bewerkt ! — heeft het óók heel ernstig genomen, wat dr. Niemeijer gezegd heeft ; heeft óók voor een tweede doleantie, nu een linksche uittreding en aderlating, gewaarschuwd, en heeft ook gezegd, dat het nu bij de Rechterlijke Macht wel eens een andere uitspraak kon geven, dan in de dagen van 1886, nu den Modernen tot financieel voordeel en der Hervormde Kerk tot schade.
De Synode heeft dan ook maar besloten om de Modernen ter wille te zijn ; men wilde de hulp van de Modernen niet missen. Men heeft de Hervormde Kerk die kracht niet willen benemen.
Dat men de Hervormde Kerk niet noodeloos gaat verkleinen en verzwakken — best ! (Hebben de Evangelischen dat b.v. in 1834 ook wel bedacht? )
Maar heeft men zich ook willen verzekeren van de hulp en den bijstand, van de tegenwoordigheid van Jezus Christus, het Hoofd der Kerk en den behouder des lichaams (Efeze 5) ; en heeft men ook overlegd, dat Hij alles ziet en alles weet en Zijn gemeente prijst, als zij getrouw is in het belijden van Zijnen Naam, doch Zijn gemeente bestraft en bezoekt, als zij Hem verloochent voor de menschen ?
Is men wel bang voor de Modernen, die dreigen heen te gaan ; en spreekt men bezorgd van den ondergang van de Hervormde Kerk, als die scheur zou komen . — en heeft men geen vrees er voor, dat ons treffen zal het woord van den verhoogden en verheerlijkten Heiland : „Maar Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt en bekeer u, en doe de eerste werken ; en zoo niet. Ik zal u haastelijk bijkomen en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert". (Openb. 2 vers 4, 5).
Wij weten wel, hoe met name de Modernen wonderlijk spelen met het boek de Openbaring, gelijk zij wonderlijk omgaan met al de Schriften — waarbij de Heiland leefde en waarin de Heiland de menschen wilde onderwijzen en waardoor Hij Zijn discipelen bracht tot de aanbidding van het Lam Gods — maar wat ons in het laatste bijbelboek beschreven staat is onze Hervormde Kerk nog lief !
En de Kerk, die bang is voor de bedreiging van den Heiland, die zegt, dat Hij haar zal verlaten en dat Hij den kandelaar van zijn plaats zal nemen, is verstandiger en is er beter aan toe, dan de Kerk die bang is voor de bedreiging van hen, die de Godheid van Christus loochenen en de openbaring van Gods liefde in de gave van het Lam Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden, miskennen en verdraaien, met verwerping der Schriften.
Bangmakerij
En dan lezen we : „Ik weet uwe werken en verdrukking en armoede (doch gij zijt rijk) en de lasteringen dergenen die zeggen, dat ze Joden zijn en zijn het niet". „Vrees geen der dingen, die gij lijden zult". ,,Wees getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens" (Openb. 2 vers 9, 10).
Dat zegt de verhoogde Heiland. Wat is beter — .bang voor de bedreiging van Christus, of bang voor het dreigement van de Modernen ?
Ook hier weer klinkt het, gelijk zoo dikwijls, dat we kiezen moeten.
We kunnen niet op twee gedachten hinken. We kunnen geen twee heeren dienen.
De Synode heeft gekozen ; de meerderheid.
Wat zal de Kerk nu doen als kerk ?
Ik vermag alle dingen door Christus.
Dat heeft ook onze Hervormde Kerk te bedenken. „Door Christus" — als zij dat maar zeggen mag. Dan kan zij overvloed dragen, dan kan zij ook gebrek lijden. „Door Christus", zegt Paulus (Fil. 4 vers 11, 12) vermag ik allé dingen. „Door Christus, die mij kracht geeft".
Men rekent uit of de Hervormde Kerk grooter of kleiner zal worden ; of haar invloed op het volksleven zal toenemen of afnemen ; enz.
Neemt men in z'n berekening ook óp, wat Paulus in het centrum zet van alles ? Stelt men als het centrale punt ook: Christus ?
Als we zonder Christus, als we met Christus woord los te laten, als we met onze Christus verloochening eens rijk werden, of groot werden, of op het gestoelte der eere kwamen zitten, zouden we het ook kunnen dragen ? Zou het ook tot zegen zijn ?
We vragen toch als christenen — of zijn we geen christen ? — niet naar succes ?
We vragen toch eerst wat onze heilige roeping, onze goddelijke taak is ?
En dat is toch als Kerk, als Kerk van Christus, uit te komen overal en altijd met de belijdenis van den Christus ? Met de belijdenis van den Christus Gods, de gave van Gods hoogste liefde, den Heiland en Zaligmaker, die als het Lam Gods op Golgotha stierf, den verhoogden en verheerlijkten Koning, die zit aan des Vaders rechterhand, die wandelt tusschen de zeven gouden kandelaren, die in 't midden wil zijn waar twee of drie in Zijnen Naam vergaderd zijn !
Met dien Christus — vermag de Kerk. ook de Hervormde Kerk, alle, ja, alles!
Dan kan zij overvloed dragen — door Christus, die haar kracht geeft.
Dan kan zij gebrek doorstaan — door Christus, die haar kracht geeft.
Maar als zij Christus verloochent, de belijdenis van Zijn Naam halveert, de prediking van Zijn Evangelie dooreenmengt met leugen en dwaling, het bestaan en het werk van Christus twijfelachtig stelt — dan verliest zij het ééne noodige. Dan houdt zij niets over. Christus weg is : alles weg.
En dat wil de Hervormde Kerk, door Gods genade, nog niet !
De ambten. (2)
De opbouw der Kerk op hare grondslagen. Daarvan spreekt de Heilige Schrift telkens. (Ef. 3 vs. 17 ; 1 Cor. 3 vs. 16, 17).
Jezus Zelf is in het midden van Zijn Kerk (Matth. 18, vers 20 : , , Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen Naam, daar ben Ik in 't midden van hen"). De grondslag voor de Kerk is van God Zelf gelegd, het fundament Jezus Christus, waarvan Petrus getuigt (Matth. 16) en waarop de Apostelen voortbouwen.
Dat fundament is er, vóór dat de Kerk er is. En nu moeten de medearbeiders Gods" helpen bouwen, wetende dat hun werk zal beproefd worden, of het duurzaam is bij God.
Nu moet er orde en tucht zijn in de gemeente Gods, in de gemeente van Christus. Dat zien we dadelijk al, wanneer Christus Zelf van Zijn gemeente spreekt, die zich van plaats tot plaats zal gaan openbaren. Dan moeten er „opzieners" zijn, die regeeren, die orde handhaven, die, zoo noodig, tucht oefenen. Laat het dan — voor 't oogenblik — nu eens alleen „levenstucht" zijn (en geen leertucht, zooals prof. Brouwer .betoogt), maar „opzieners" moeten er zijn, orde moet worden gehandhaafd, tucht, zoo noodig, worden geoefend. (Matth. 18 vers 15—17)
Is de gemeente een geestelijke gemeenschap, als broeders en zusters één, dan moet er toch één geloof, één doop, één liefde ook zijn. En het mag niet een regeeringloos, een ordeloos gezelschap zijn.
In de vele gemeenten (Kerken) b.v. in Galatië (1 Cor. 16 vers 1) moeten er opzieners zijn ; er moet opzicht en, zoo noodig, tucht zijn. Om te bewaren, om te behouden, zoo noodig ook om te. straffen, ja, om af te snijden. „Zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar" enz.
Van ecclesia tot ecclesia" (1 Cor. 14 vers 29), van Kerk tot Kerk, van gemeente tot gemeente moeten er opzieners komen. Er is immers een „geestelijk bezit", er is geloof, doop, avondmaal — zou dat nu ordeloos en tuchteloos kunnen en mogen toegaan in Christus' Kerk, van plaats tot plaats ?
Voor elke ecclesia, voor elke Kerk, voor elke gemeente, moet een fundament zijn, dat van God gelegd is, n.l. Jezus Christus, en er moet ook o p b o uw zijn op dat fundament, waarbij alles bekwamelijk moet worden saamgévoegd. Zou dat zonder leiding, zonder opzicht, zonder gezag, zonder ambtsdragers, van Jezus Christus daartoe verordend, kunnen en mogen toegaan ?
Kaf is er ; scheuringen zullen er komen ; ergernissen ; valsche Christussen ; (1 Cor. 11 vers 19 ; 1 Cor. 16 vers 22 ; 2 Cor. 11 vers 13—15, enz. enz.).
Jezus Zelf had er van gesproken en Hij had in beginsel (Matth. 18 vers 17) reeds orde gegeven tot disciplinaire tucht.
De werking des Geestes is nergens „vrij" gesteld, maar door God Zelf alzóó verordend, dat de werking des Geestes gaat door het Woord. (1 Cor. 14 vers 29).
Valsche leeraren zouden de werking des Geestes anders „vrij" stellen en er zouden de onmogelijkste leeringen uit voortkomen en de verschrikkelijkste levenspractijken. Maar dan zegt Christus en dan zeggen de Apostelen : , „toetst de geesten of ze uit God zijn!"
Men moet den toetssteen aanleggen, óf men in het ware geloof staat ; men moet de leeringen van anderen beproeven, met den toetssteen van de leer van Jezus en Zijn Apostelen, of men wel de ware, de rechte prediking van het heilig Evangelie brengt!
Dat alles brengt mee, dart er organisatie komt, dat er wet en regel komt, dat er ambten komen.
Men is niet geroepen tot een geloofsleven ieder op zichzelf, individualistisch, met persoonlijk geloofsleven, afgescheiden van anderen. Dan leefden er geloovige personen, weinigen of velen, los naast elkaar ; en van kerkelijk, van gemeentelijk leven was geen sprake. Maar zóó heeft de Heere het niet gewild. Zijn kinderen zullen als een gezin, als een gemeenschap, als een volk, als een Kerk moeten samen leven.
Eeredienst is niet mogelijk alléén en in de eenzaamheid. Eeredienst is samen Gods naam aanroepen. Hem eeren, dienen en reezen. En dat kan en mag nooit een geestelijk ongebonden leven zijn, maar moet staan onder de strenge tucht van 't oord, van de ambten door Christus daartoe gesteld, waarvan de Schrift ons het voorbeeld geeft.
Kerk, dienst des Woords, dienst der acramenten, dienst der gebeden, met arenzorg, belijdenis van 's Heeren Naam, enz. enz., 't roept alles om orde, om opzicht, om tucht, om de ambten van Dienaar des Woords, ouderling, diaken ; gelijk het Woord ons dat bericht.
Geen pneumatisch anarchisme, geen geestelijke ongebondenheid, geen spirituele tuchteloosheid. Nergens, noch wat het ;even, noch wat de leer betreft, is het voor Christus' Kerk voorgeschreven als een begeerlijk goed.
De Apostelen roept de Heiland. Hij kiest ze na een nacht in 'tgebed te zijn geweest. (Markus 3 vers 13—16). Hij, de groote Apostel (Hebr. 3 vers 1) geeft Apostelen. En Zijn Apostelen, die een grondleggende beteekenis hebben voor Christus' Kerk, geven de ambten, in overeenstemming met de ambten van Christus, het Hoofd der Kerk.
De Apostelen moeten Christus' getuigen zijn (Hand. 1 vers 8), geen ander fundament leggend dan Jezus Christus en dien gekruisigd, en de ambten moeten, naar der Apostelen woord, mee dienen om; verder van Hem te getuigen en Zijn gemeente op te bouwen en die in Christus gelooven te ,,volmaken" enz. (Efeze 4 vers 11).
Daarom „verordenen" de Apostelen ook (1 Cor. 11 vers, 34b ; 2 Thess. 3 vers 6— 10), wat daarna van Kerk tot Kerk, van gemeente tot gemeente, overgaat en op de ambtsdragers wordt overgedragen. Het generale, centrale ambt van Apostel zet zich voort — van het buitengewone, dat ééns is, overgaande op het gewone, dat blijvend is — in de ambten van leeraar, ouderling, diaken.
De afgesloten kring der Apostelen, die nooit weer vernieuwd wordt, gaat over in de blijvende ambten van herder en leeraar, ouderling en diaken. Anderen .bouwen voort op het fundament, dat door de Apostelen — éénmaal — gelegd is (1 Cor. 3 vers 11). Zij mogen een ander, geen nieuw fundament leggen, aar moeten voortbouwen op het fundament dat gelegd is ; Jezus Christus en dien gekruisigd. (1 Cor. 14 vers 37).
Uit den Apostelèn-kring — die geheel éénig is — komen de ordeningen voor de Kerken (1 Cor. 11 vers 34b; l.Cor. 14 vers 37 ; 2 Thess. 3 vers 6—10).
In de Pastoraalbrieven zien we de bevruchtende werking van het Apostolaat voor al de Kerken, 't Gaat niet in den weg van geestelijk enthousiasme en leidt niet tot pneumatische anarchie.
't Gaat van uit Christus, het Hoofd der gemeente, door Zijn Geest en Woord, in den weg der Apostelen en in den wég der ambten, opdat alles in de gemeente met orde en in eerlijkheid en met tucht — met tucht des Woords en des Geestes — zal toegaan.
„Volhardende in de leer der Apostelen n in de gemeenschap" (Hand. 2 vers 42 47). Dat stelt eischen voor de gemeenschap, waartoe men ingeleid wordt door den Doop en waar men gemeenschap oefent in de leer, in de breking des broods n in de gebeden.
Geen spiritualistische ongebondenheid. Christus heeft de bedding gegraven door zijn Geest èn Zijn Woord, heeft Zijn Aposelen gegeven en die geven aan de Kerk,' van plaats tot plaats, de ambten.
Een formeele band wordt er telkens gelegd. „Het Woord gaarne aannemende, werden ze gedoopt — en zij waren volhardende in de leer der Apostelen".
Niet alleen leven — ook leer.; belijdenis — en leven.
En dat volharden in de leer — tegenover de dwalingen, spreekt in wezen voor Christus' Kerk van opzicht en ook van tucht. Eerst volle stroomen van Geestès-leven, dan voortkabbelen langs een door God aangegeven bedding. De leer der Apostelen — en de ambten.
Paulus zelf spreekt van „de laatste Apostelen" (1 Cor. 4 vers 9). Dan komen de blijvende ambten. Het „geestelijk huis" (1 Petrus 2 vers 5) is geen „stichtelijk gezelschap" zonder meer. 't Is niet zonder organisatie, zonder ambten, zonder wet en regel, zonder toetssteen en keur, zonder orde en tucht. Men moest weten hoe men „in het huis Gods moest verkeeren" en alles moest met orde toegaan en in eerlijkheid geschieden.
Onder leiding van de Apostelen heeft dan ook de verkiezing tot het ambt plaats. (Hand..-2 vers 42). Ze krijgen van de Apostelen. omschrijving van ambt en werk (vers 2 en 3). Dan zijn de ambten nog niet absoluut gescheiden (diaken, prediker, wonderen doen, evangeliseeren, enz.) Zie Hand. 2 vers 6, 8 ; 21 vers 8 ; 11 vers 30 enz.). Maar zoo komen dan straks de presbyters, opzieners, ouderlingen voor den dag. Ze zijn een natuurlijke uitgroei van het Apostolaat. Ze staan ineens voor ons (Hand. 11 vers 30) „hetwelk zij ook deden en zonden het tot de presbyters (opzieners, ouderlingen) door de hand van Barnabas en Saulus".
We treffen ze aan in de gemeente, in de plaatselijke Kerk (Jac. 5 vers 14). Ook straks op het Convent met de Apostelen, om te oordeelen over het geschil in Antiochië (Hand. 15) en bij het bezoek van Paulus aan Jacobus (21 vers 18).
De presbyters komen als van zelf, uit den aard van het gemeentelijke leven te voorschijn. God is geen God van verwarring, maar van orde ; ook als 't gaat om de werking van den Geest.
De diakenen zijn uit het conflict en uit een bepaalde gebeurtenis geboren. God laat het voelen, dat ze noodig zijn. Christus doet ze komen in het midden van Zijn gemeente, waar Hij méér dan één zegen heeft : de zegen van de prediking, de zegen van de orde en regeering, de zegen van de barmhartigheid, geschonken in de drie ambten van leeraar, ouderling en diaken. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's